Vuurwerk in de wijken

Tijdens de eerste coronagolf moest de Tweede Kamer eraan te pas komen om te zorgen dat overtreders van de samenscholingsregels niet standaard met een strafblad worden opgezadeld. Nu hoopt men de maatregelen van de tweede golf voor Kerst en Oudjaar te kunnen versoepelen, maar dan moet de zorg rond de jaarwisseling worden ontzien. Met vuurwerkverbod en strafblad. Daarmee staat minister Grapperhaus op het punt zich toch nog aan de eerder weggerolde steen te stoten.

Een plan voor de bühne

Alles went – en dus ook corona – maar ziekenhuizen en zorginstellingen staan nog steeds of weer onder grote druk. Patiënten ondergaan nog altijd een zeer belastend ziekteproces en het zorgpersoneel loopt op het tandvlees. Iedere verlichting van de stress is welkom, zeker rond de feestdagen. Op een extra piek in de zorgvraag tijdens de nieuwjaarsnacht zit niemand te wachten en dus is besloten tot een vuurwerkverbod. Klinkt allemaal best logisch. Maar hoe zit het nu precies met de motieven en de maatschappelijke gevolgen?

Met een sarcastisch getoonzette advertentie in enkele landelijke dagbladen betoogde de vuurwerkbranche dat de spoedeisende hulp (SEH) weinig met het vuurwerkverbod op zal schieten. De overbelaste zorg is vooral een alibi om daadkrachtig over te komen en het door enkele politieke partijen bepleitte vuurwerkverbod erdoor te jassen. Never waste a good crisis!

Nu valt er op de argumentatie en de vergelijkingen van de branche wel wat af te dingen, maar traumachirurg Jeffrey Vermeulen, verbonden aan het brandwondencentrum van het Maasstad Ziekenhuis in Rotterdam, onderschrijft in grote lijnen de strekking: tijdens de vorige jaarwisseling kwamen er in zijn regio drieënzestig vuurwerkslachtoffers binnen op de SEH waarvan er vijftien werden opgenomen. Dat is nog geen twee patiënten per ziekenhuis en dus nauwelijks een extra belasting van de zorg. ‘Een plan voor de bühne’, oordeelt hij in de Volkskrant over het vuurwerkverbod.

Kans voor een beschavingsoffensief

Van verschillende kanten komen inmiddels signalen dat het coronabeleid steeds politieker begint te kleuren. Met een factie die vooral zichtbaarheid zoekt op de medische invalshoek en een factie die meer maatregelen wil om de economische- en sociaal-maatschappelijke gevolgen van het virus te bestrijden. En dan zijn er ook nog de partijen die in deze crisis kansen zien voor hun beschavingsoffensief.

Naast de letselschade is vuurwerk namelijk vreselijk voor schrikachtige ouden van dagen, huisdieren, stadsvogels en de luchtkwaliteit. Het geeft bovendien schade aan de buitenboel en rommel op straat die maandenlang blijft rondslingeren. Het is plat en in deze tijd ongepast luidruchtig volksvermaak waaraan onverantwoord veel geld wordt uitgegeven. Dat vraagt om ingrijpen waar men kennelijk de eigen verantwoordelijkheid niet aankan. Minister Grapperhaus belooft strenge handhaving van het vuurwerkverbod: ‘één vuurpijl is goed voor honderd euro boete en een strafblad!’

Dat belooft nog wat. Niet alleen omdat politie en boa’s de belofte van de minister niet zullen kunnen waarmaken, maar ook omdat ze in hun poging om dat wel te doen de maatschappelijke tweedeling nog eens extra zullen aanzetten. De kwade geesten verjagen met knalvuurwerk en de frustraties van het afgelopen jaar in spetterende fonteinen de lucht in schieten: vergeet het of riskeer een boete met strafblad. Dat wordt weer meer werk voor de schuldhulpverlening en de bureaus HALT.

Weten wie de schuld heeft

In het oosten van het land zag men de bui al hangen en hebben de veiligheidsregio’s ervoor gezorgd dat het vuurwerkverbod niet geldt voor het cultuurhistorisch zo belangrijke carbidschieten. Een soortgelijke smoes hebben ze in de grote steden niet. In Amsterdam, Utrecht en Rotterdam zal de burgemeester op 1 januari moeten uitleggen waarom niet strenger is opgetreden tegen de vuurwerkovertredingen en samenscholingen in bepaalde wijken. En in Den Haag rust de erfenis van voorganger Pauline Krikke nu al zwaar op de schouders van burgemeester Jan van Zanen. Maar iedereen zal straks weten waar de brave mensen wonen, in welke wijken het mis ging en wie we straks dus de schuld kunnen geven als de coronamaatregelen van de overheid toch niet het gewenste effect sorteren. Tel uit je winst.

Bas van Horn

Deze column verscheen bij ROmagazine.nl op 20 november 2020

Uitsluiten of opsluiten?

De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) heeft begin deze maand het advies Toegang tot de stad uitgebracht. Een werkstuk dat helemaal past in de tijdgeest. Weg met de gentrificatie, hoera voor inclusie en een herintredende overheid. De beste aanbeveling gaat over bereikbaarheid: iedere plek in de stad voor iedereen bereikbaar binnen het kwartier. Maar uit angst om mensen uit te sluiten dreigen de auteurs de stadbewoners op andere vlakken juist weer op te sluiten in ouderwets ‘buurtdenken’.

De mogelijkheden voor burgers om deel te nemen aan de stedelijke samenleving nemen af, stelt de Rli. Oorzaken zoekt de raad bij de terugtredende overheid, bezuinigingen, efficiëntie-slagen, prijsstijgingen, krapte op de woningmarkt en overschatting van zelfredzaamheid. De Rli plaatst dat alles in de laatste vijftien jaar. Die korte tijdhorizon verklaart mogelijk waarom een relativering ontbreekt. Een geoefend oor kon immers enkele decennia eerder de verschillende stadsdialecten nog tot op wijkniveau plaatsen. Zo weinig kwam men buiten de eigen buurt en zo gering was de interactie met de rest van de stedelijke samenleving.

Het is dus belangrijk wat precies wordt verstaan onder die stedelijke samenleving. Het advies definieert het als Daily Urban System, maar vervolgens houdt men de stad, de stedelijke regio en de wijk of buurt niet uit elkaar. Is er soms geen verschil tussen de uitvoering in het buurthuis en de hoog stedelijke functies waarvoor we in de buitenwijk een enkele keer onze beste kleren aantrekken en naar het stadscentrum komen? Zijn buurtbibliotheken en buurthuizen wel stedelijke functies of gaat het op wijkniveau om iets anders?

Gentrificatie en uitsluiting

En dan de gentrificatie. Prijsstijging in de koopsector, huurverhoging en verkoop in de sociale huur, een schreeuwend gebrek aan aanbod in beide segmenten, verdringing van langzittende buurtbewoners en hun kinderen. Dat is erg, maar tegelijkertijd vindt de Rli het erg dat de sociale huursector een getto van lage inkomens aan het worden is. Hoe dan? Je zou ondertussen haast vergeten dat in een stad als Amsterdam nog altijd de helft van de woningen sociale huurt kent en Rotterdam nog meer.

“Cryptische begrippen leveren een verwarrend beeld op”

Maar zelfs waar de langstzittenden kunnen blijven, voelen ze zich niet meer thuis in hun buurt, weet het advies. Dat komt niet door ‘de buitenlanders’, zoals vroeger. Nederlanders met niet-westerse roots zijn in veel volkswijken zelf inmiddels de oudkomers. Nee, het gaat om de jonge, hippe, hoger opgeleiden die – ondanks hun tijdelijke arbeidscontracten – de wijk ‘annexeren’ ten koste van de sfeer en voorzieningen waarbij de oudkomers zich thuis voelen.

Dit sentiment zit sterk in het advies en ik neem dus aan dat de auteurs daarop doelen met een cryptische zin als: “Sommige groepen burgers voelen zich in bepaalde delen van de stad niet welkom op straat”. Of zou het gaan om vrouwen en LHBTI-ers die zich in sommige andere delen van de stad niet welkom voelen op straat. We weten het niet, want het advies is niet duidelijker.

Bewonersinitiatief en inclusie

Waar het in dit advies gaat over inclusie bedoelt men vooral toegankelijkheid in de breedste zin des woords. En gelukkig maar. Met inclusie zit je meteen in het mijnenveld van identiteiten en minoriteiten, terwijl toegankelijkheid gewoon gaat over de stad vanuit de behoeften van heel verschillende mensen in tegenstelling tot de blik vanuit de systeemwereld. “Het gaat niet om de gemiddelde kwaliteit van leven, maar om individuele mogelijkheden van stadbewoners”, Juist.

Maar hoe komen we daar? ‘Creëer ruimte voor initiatieven van burgers’, roept het advies. En ook: ‘stimuleer het coöperatief bouwen van betaalbare huurwoningen’.  Precies het soort initiatieven waarmee nu net weer diezelfde groep weerbare zelforganiseerders wordt bediend die toch al overal aan de bak komt. Voor minder assertieve groepen heeft het advies dan ook een ander spoor in gedachten.

“De Rli is hier terug bij het romantische buurtdenken”

Het advies had al aangegeven dat er met wegbezuinigen van buurt- en wijkcentra en uitplaatsen van scholen en zorg naar de stadsrand, veel publieke voorzieningen zijn opgeheven of verschraald. En dat terwijl, volgens het advies: “In toegankelijke, goed functionerende publieke voorzieningen tal van mogelijkheden (zijn) voor uitwisseling van kennis en informatie tussen ‘zwakke’ en ‘sterke’ bewoners.” Daarmee zegt de Rli feitelijk niet meer dan dat toegankelijke en goed functionerende publieke voorzieningen toegankelijk zijn en goed functioneren, maar er is meer.

Afgedwongen solidariteit

De Rli is hier terug bij het romantische ‘buurtdenken’ dat zijn oorsprong heeft in de jaren zestig van de vorige eeuw. De buurt als het dorp in de stad waar men elkaar nog kent en een ‘community’ vormt. Het denken waarin sociale mobiliteit geen ruimtelijke vertaling (verhuizen naar een betere buurt) mag krijgen, maar ten goede moet komen aan het ‘empowerment van de gemeenschap’. Een afgedwongen solidariteit met wie je als ‘buurtbroeders en -zusters’ dient te beschouwen. Een praktijk waarin de sterken de zwakken vaak helemaal niet bleken te steunen, maar de zwakken de sterken onder het maaiveld trokken. Waar je als hangjongere carrière kon maken als ervaringsdeskundig hangjongerenwerker vanuit het buurtcentrum.

De beste aanbeveling uit het advies is dus ongetwijfeld die over mobiliteit: iedere plek in de stad voor iedereen bereikbaar binnen het kwartier. Per auto, fiets, OV, scootmobiel of lopend. Sluit mensen niet op in hun buurt, maar laat ze eruit. Voor wonen, werk, cultuur en contacten. Voor inspiratie en aspiraties. Want mobiliteit is vrijheid. Buiten de buurt gebeurt het, niet erin. Dat moet iedereen mogen ontdekken.

Bas van Horn

Deze column werd bij ROmagazine.nl gepubliceerd op 22 oktober 2020

Doorzettingsmacht

Het is nog even wennen en er gaat wel eens wat mis, maar met de coronabestrijding is de staat weer helemaal terug in ons dagelijks leven. De minister bepaalt wanneer onze kwetsbaren opgehokt moeten worden, met hoeveel we bij elkaar mogen komen en op welke afstand we moeten blijven. Dit alles op straffe van een forse bekeuring en in ernstiger gevallen nog steeds een strafblad. Dat smaakt naar meer!

We willen weer geleid worden

Overal klinkt de roep om Rijkssturing. Niet alleen, maar zeker ook in het fysieke domein. Of het nu gaat om het bespoedigen van de bouw van een miljoen woningen, het terugdringen van de broeikasuitstoot, het circulair maken van de economie, het aanwijzen van zonneveld- en windparklocaties of het vinden van het juiste pad naar kringlooplandbouw. We willen weer geleid worden en vragen onze leidslieden hun bescheidenheid af te werpen.

Nog niet zo lang geleden ging het anders. Onze minister-president vond visie een olifant die lelijk in de weg kon staan en decentralisatie was key. Verantwoordelijkheid moest ‘zo dicht mogelijk bij burgers belegd’ zijn. Waar konden besluiten beter genomen worden dan in de omgeving waar ze hun beslag zouden krijgen? Omstandigheden zijn nu eenmaal overal anders. Economisch, fysisch, sociaal. Ik hoor het een leidinggevende van het ministerie van BZK nog zeggen: ‘Gelijke monniken, gelijke kappen. Alleen de monniken zijn zelden gelijk.’

De Omgevingswet werd nog helemaal in deze sfeer in de steigers gezet. Aan de basis de gemeentelijke autonomie, dan de regio en de provincie. Nationaal sturen, alleen waar het niet anders kan. Zo is ook het instrument omgevingsvisie bedoeld. Een integrale visie op ontwikkeling en behoud van de leefomgeving op het juiste niveau. Tot stand te komen na de breedst mogelijke inbreng van alle bekende en onverwachte stakeholders.

Het Rijk neemt regie

Toch ging de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) al snel zijn eigen weg. Een integrale visie op inrichting en toekomst van onze nationale leefomgeving is ook wel erg verleidelijk voor daadzuchtige politici, ambtenaren met heimwee naar de Rijksplanologische Dienst en de jonkies die – onbelast met dit verleden – ook wel eens achter het stuur willen gaan zitten.

Rond de presentatie van de NOVI op elf september heeft minister Ollongren laten zien dat ze de nieuwe tijdgeest goed aanvoelt. Ze stelt dat ‘Het Rijk de regie zal nemen’ en belooft ‘meer te zullen sturen op de ruimtelijke ordening van Nederland.’ Dit nog wel met de kanttekening dat regie geen nieuwe centralisatie betekent, maar of dat meer is dan semantiek zal later blijken. Ondertussen is wel al het akelige begrip doorzettingsmacht terug in het ruimtelijk discours. Dat is gewoon je staatszin doordrijven, desnoods dwars tegen belangenafwegingen ‘dicht bij burgers’ in.

Bas van Horn

Deze column verscheen bij ROMagazine.nl op 17 september 2020

Een opblaasbadje

Dit is het jaar van de giga-opblaasbadjes. Ze komen in handzame dozen en kosten bijna niks. Eenmaal eruit krijg je ze nooit meer terug in de verpakking. Er moet zoveel lucht in dat er een aggregaat aan te pas moet komen. Daarna begint het vullen met eindeloze hoeveelheden kostelijk leidingwater. Maar dan heb je ook wat. Je kunt kinderen tijdens een hittegolf geen groter plezier doen. Toch spreekt menigeen er schande van.

Verspilling in tijden van klimaatverandering en droogte, decadentie vergelijkbaar met de T-bone steak die vierduizend liter water kost voor hij op ons bord komt etcetera. Onze (tijdelijke) watertekorten en de meer structurele verdroging van natuur en landbouwgebieden, worden al snel in één adem genoemd met grondstoffenschaarste, dreigend wereldvoedseltekort, tanende biodiversiteit en een onhoudbare levensstijl in het algemeen. Dat is jammer, want die badjes in de tuin of op de straat zijn nu juist zo fijn.

Het water raakt nooit op

Er valt ook wel het nodige op de verwerpelijkheid van de badjes af te dingen. Om te beginnen raakt het water nooit op. Er komt door droogte niet minder water op aarde en er komt ook niks bij door de zeespiegelstijging. Open deur, maar toch goed om hem nog eens in te trappen. Het probleem is op wereldschaal een kwestie van beschikbaarheid, kwaliteit en verdeling. Een vraagstuk dat er niet eenvoudiger op wordt door de klimaatverandering en (geo)politieke verhoudingen.

Op die wereldschaal is de landbouw de grootste watergebruiker, maar in ons stukje van Europa wint de industrie met zestig procent, tegen dertig voor de landbouw en tien voor de huishoudens. Dat is alvast een mooi rijtje om te onthouden voor de discussie met de waterbewuste buren, die vast willen dat hun statiegeldflessen en sla met schoon water worden gereinigd. Voorts is de waterkwestie in ons land vooral een opgave voor planologen en ingenieurs, zodra de politiek de urgentie heeft onderkend.

Het is veel te droog op de hoge zandgronden en niet nat genoeg in de veenweidegebieden. Grote delen van Noord-Holland en Friesland doen het nog relatief goed, maar werken wel aan meer bergingscapaciteit en meer vermogen om water in en uit te kunnen laten naar het IJsselmeer en de Wadden. Overal is het devies: vasthouden, bergen en water pas afvoeren als het niet anders kan.

Water is vooral een opgaven voor planologen en ingenieurs

De prominente VROM-veteraan Hans Leeflang herinnerde er onlangs nog maar eens aan dat in de Vierde Nota Extra (1991) al een watersysteembenadering als onderlegger voor plattelandsbeleid werd uitgewerkt. Met onder veel meer een kaart van al het grote water in ons land, de functies van dat water en het meest geëigende landgebruik eromheen. Een update en je bent klaar, tenminste als je terug zou willen naar centrale regie in de ruimtelijke ordening.

Ook de techneuten hebben al veel geopperd dat bruikbaar zou kunnen zijn. Denk bijvoorbeeld aan het Plan Lievense. Dit plan, waarin de Markerwaard alsnog gerealiseerd zou worden als windenergieberging in de vorm van een stuwmeer, kan wellicht een tweede leven krijgen met een dubbelfunctie als energieopslag en waterberging.

Het plan dat dijkgraaf Hein Pieper van het Waterschap Rijn en IJssel onlangs opperde is van een andere categorie. Hij pleitte voor een kunstmatig meer op de grens van de Achterhoek en Duitsland of het opheffen van vier kleinere Natura 2000 gebieden in de streek.

Technisch onhaalbaar en door de natuurbeheerders natuurlijk direct afgewezen, maar als politiek signaal toch redelijk geslaagd. En dat is ook wat waard, want daar moet het beginnen. Ondertussen kunnen industrie en landbouw – waar al best wat gebeurt – nog wel wat meer geprikkeld worden om zorgvuldiger met water om te gaan. En u kunt er natuurlijk zelf voor kiezen om geen opblaasbad in de tuin te zetten, maar dan niet zeuren over de buren die het wel doen.

Deze column verscheen op 20-8-2020 bij ROmagazine.nl

Vrouwen nemen (meer) ruimte in

‘In deze coronatijd is er iets bijzonders aan de hand’, schrijft journalist Daan Borrel op de opiniepagina van Het Parool. ‘We moeten ruimte voor onszelf en de ander maken. In de publieke ruimte zijn we daardoor constant in een soort dans verwikkeld: als jij naar rechts stapt, ga ik naar links’, aldus Borrel. De journalist ervaart de laatste tijd overigens veel onderlinge verbinding. Er is ruimte om naar de mooie grachtenpanden te kijken, naar de bomen en naar elkaar. Maar we moeten wel voor elkaar aan de kant en dat doen mannen niet.

Borrel heeft dan al verteld hoe zij en haar vriendin bij de kickboksles naar de rand van de mat gewerkt worden door trainende mannenduo’s die zonder aandacht voor hun omgeving de zaal annexeren. Ze plaatst dat in de bredere feministische context waar mannen altijd en overal de publieke ruimte voor zich opeisen om er de vrouwen te keuren die daarbij gedwee de ogen neerslaan. Met Sheila Sitalsing van De Volkskrant constateert Borrel dat met de versoepeling van de corona-maatregelen het gevecht om de openbare ruimte tussen de seksen weer oplaait.

Het artikel is er niet om te zeuren, bezweert Borrel als opmaat naar een vrolijke afsluiting. En dat hoeft ook niet – als ik even mag mansplainen – want bij lezing van het ingezonden artikel herinnerde ik mij een blog van Zef Hemel, urban planner aan de Universiteit van Amsterdam. Hemel had op zijn beurt weer iets gelezen in The New York Times en deed daarvan verslag. Het ging over Keith Hampton van de Rutgers University die een briljant idee had.

Mobiele technologie lijkt mensen juist te verbinden in plaats van te isoleren

Hampton besloot de publieke ruimtes die socioloog William Whyte in 1975 met zijn filmische Street Life Project minutieus had vastgelegd opnieuw te bezoeken. Dit om de verschillen in straatleven in Los Angeles, Philadelphia, Boston en een aantal kleinere steden tussen 1975 en 2013 letterlijk zichtbaar te maken. Hampton vermoedde – niet ontkomend aan de waan van de dag – dat de stedelingen eenzamer zouden zijn geworden. Meer in zichzelf gekeerd, druk met hun mobieltjes, oordopjes en laptops.

Dat bleek niet het geval. Gemiddeld belde, mailde, gamede slechts drie procent van de stadse wandelaars. En dan nog vooral omdat ze stonden te wachten op hun afspraak in meet space. Het sociale verkeer op straat was juist intenser geworden, precies wat Daan Borrel nu ook ervaart, maar dan door onze gadgets.

De mobiele technologie lijkt mensen juist te verbinden in plaats van te isoleren. Het blijkt tegenwoordig een stuk drukker op straat. Logisch, want betaald werken deed je vroeger in de werkplaats of op kantoor en niet verknoopt met sociale ontmoeting in de publieke ruimte zoals we nu steeds vaker doen.

Stedelijke publieke ruimte is door de vrouwenemancipatie publieker en socialer geworden’

Meest opmerkelijke bevinding van Hampton was het sterk gestegen aandeel vrouwen op straat. Bleven vrouwen in 1975 nog vooral thuis bij het huishouden en de kinderen, in 2013 domineren ze het straatbeeld. Ze werken vaker buitenshuis, eten, drinken en ontmoeten elkaar daar ook. De stedelijke publieke ruimte, concludeert Hampton, is door de vrouwenemancipatie publieker en socialer geworden.

Om dat in deze tijden van corona vast te houden heeft Daan Borrel – voor de liefhebber – een spelletje bedacht: mannen scoren punten als ze voor iemand opzij gaan en vrouwen als ze een blik opzetten die zorgt dat ze nog meer ruimte krijgen dan ze de afgelopen veertig jaar al genomen hebben.

Waste This Crisis

Is het nieuwe normaal van de anderhalve-meter-samenleving voor altijd – of toch een uitzonderingstoestand? Het is steeds onduidelijk. Langzaam wennen aan een maatregel voor onbepaalde tijd tot we niet beter meer weten. Ondertussen loopt de spanning op. Wordt de remedie erger dan de kwaal?

Mijn advies: laat we de teugels vieren, dat is beter dan je gelijk te (moeten) halen.

Journaliste Daan Borrel behoort tot de optimisten. Zij ervaart de laatste tijd veel onderlinge verbinding, schrijft ze op 17 mei in Het Parool. Er is ruimte om naar de mooie grachtenpanden te kijken, naar de bomen en naar elkaar. Maar we moeten nu ook ruimte maken vóór elkaar. In de publieke ruimte zijn we constant in een soort dans verwikkeld: ‘als jij naar rechts stapt, ga ik naar links’. Het vraagt om aanpassen, maar dat doen mannen niet, meent Borrel.

Ze heeft dan al verteld hoe zij en haar vriendin bij de kickboksles naar de rand van de mat gewerkt worden door trainende mannenduo’s die zonder aandacht voor hun omgeving de zaal annexeren. Ze plaatst dat in de bredere feministische context waar mannen altijd en overal de publieke ruimte voor zich opeisen om er de vrouwen te keuren die daarbij gedwee de ogen neerslaan. Met Sheila Sitalsing van De Volkskrant constateert Borrel dat het gevecht om de openbare ruimte tussen de seksen weer oplaait.

Maar Borrel wil geen zeurende feministe in de slachtofferrol zijn, dus stelt ze een spelletje voor. Laten we – als we dan toch het huis uitgaan – punten verzamelen. Mannen halen een punt voor iedere keer dat ze voor een ander aan de kant gaan en vrouwen verdienen een punt als ze een blik weten op te zetten, die zegt: ‘maak ruimte voor mij.’ De winnaar krijgt een kus. Een lief en onschuldig voorstel dat weer een ander vrouwelijk stereotype neerzet, maar dat is aan Daan.

(tekst gaat door onder afbeelding)

Denk maar niet dat ik voor jou aan de kant ga

Ook op de markt in Reigersbos – Amsterdam-Zuidoost bezuiden de A9 – houdt niet iedereen afstand en gaat niet iedereen voor elkaar opzij. Hier krijgt een andere groep de schuld. Op gedempte toon wisselen een hoogblonde vaste klant en de kooplui van de groentekraam hun observaties uit.

Dat ze door hun klanten hier vaak ronduit onbeschoft behandeld worden, het valt te begrijpen. Als je de markt in Afrika gewend bent, heb je haar op je tanden. Je laat zien dat er niet met je te sollen valt. Maar die anderhalve meter. Als iedereen een beetje meewerkt is het best te doen. Hier is het lastiger. Er is ook iets van ‘je moet niet denken dat ik voor jou aan de kant ga’, meent de klant te weten. ‘Het is de slavernij hè’, analyseert de marktvrouw op haar beurt. Laten we hopen dat dit geen wedstrijdje wordt.

De handhavers lopen bij dit alles op eieren of trappen ze kapot door onduidelijke regels of gebrek aan tact. De overheid heeft zich in een hoek geverfd met torenhoge boetes waartegen de mondigen bezwaar maken en bij anderen de schulden nog wat verder oplopen. Zelfs Ron Fresen van het NOS-journaal confronteerde de minister-president met de oneerlijke situatie waarin aanspreekbare brave burgers boetes krijgen en anderen vrijuit gaan.

Twitter loopt over van de beelden waarop grote groepen allochtone jongeren in Amsterdam-West en elders ongehinderd samenkomen, maar ik weet uit eigen waarneming dat ook de politie in Edam-Volendam liever de andere kant op kijkt als de dorpsjeugd luidruchtig samenkomt bij een groot kampvuur aan de dijk. Wat moeten ze anders?

Never waste a good crisis’, adviseert menig strateeg op dit moment zijn bestuurders. Ik zeg: laat deze crisis vooral wél onbenut. Laat de teugels vieren waar het kan en gebruik de crisis niet om je eigen agenda een extra zetje te geven of een permanent nieuw normaal te introduceren. Want Amsterdam heeft bewoners die prima met elkaar door één deur kunnen, zolang de deur breed genoeg is om elkaar niet voor te hoeven laten gaan.

Wat willen we van de nieuwe Rijksbouwmeester?

Nog even en we krijgen weer een nieuwe Rijksbouwmeester. Toonaangevende architecten met hart voor de publieke zaak konden tot twintig april hun sollicitatiebrief inleveren. Willen we weer een idealist die zijn eigen koers vaart zoals Floris Alkemade? En wat gebeurt er met de nalatenschap van de oude bouwmeester als een nieuwe zijn piketpalen gaat slaan? Wat met de piepschuimen huisjes voor vluchtelingen, de toekomst van ons platteland en de nieuwe combinaties van wonen en zorg? Hoe verder met het Panorama Nederland?

Alkemade zit er niet mee, blijkt uit een oud interview in Kei, het blad van het Rijksvastgoedbedrijf. ‘Om de drie tot vijf jaar wisselen is nuttig. Zo kun je steeds een andere focus aanbrengen. Dat houdt de dynamiek erin.’ En het houdt de vrijblijvendheid erin, denk ik daar dan bij. Het is de vraag of we dat wel moeten willen.

Onder Lodewijk Napoleon kon de staat wel wat bevestiging gebruiken in de vorm van gezaghebbende, herkenbare overheidsgebouwen. Jean Thomas Thibault werd daarom in 1806 benoemd tot ‘architect des konings’, een ambt dat later Rijksbouwmeester ging heten. Een functie met een helder doel en een duidelijke taak.

Inmiddels huist de Rijksbouwmeester bij het Rijksvastgoedbedrijf. Op de eigen website maakt het RVB een lang verhaal kort: ‘Na 1957 veranderde de taak van zelf ontwerpen naar adviseur van de rijksoverheid bij concrete bouwprojecten en maatschappelijke discussies op het vakgebied.’ De laatste twintig jaar is de rol verder verbreed tot adviseur van de regering en wel tot: ‘het gebied van stedenbouw, monumenten, architectuur, infrastructuur, architectuurbeleid en beeldende kunst.’

‘Moeten we de Rijksbouwmeester niet als gewone adviesraad gaan behandelen, met een toetsbare taak, verantwoording en overdracht naar zijn opvolger’

Alkemade heeft de brede rolopvatting voor de Rijksbouwmeester dus niet zelf uitgevonden, maar wel ten volle benut. ‘Ik koester mijn onafhankelijkheid. Los van politieke belangen of beleid kan ik een eigen koers varen. Dat zie ik als mijn opdracht, om vanuit die status aparte te observeren en acteren’, stelde hij in Kei.

En dat is natuurlijk wel een beetje raar. Want de onafhankelijke positie van de Rijksbouwmeester als adviseur van de regering en het Rijksvastgoedbedrijf is weliswaar geborgd, maar dat is nog wat anders dan het voeren van een eigen en vooral sociale agenda los van de opdracht die de regering de bouwende ministeries en het Rijksvastgoedbedrijf meegeeft.

Het kabinet laat zich door allerlei clubs adviseren. Planbureaus doen verkenningen en maken analyses en prognoses. Ze doen dat met een zekere vrijheid van aanpak, maar binnen heldere kaders. De organisaties voor toegepast onderzoek – verenigd in de TO2-federatie – krijgen een basisfinanciering voor het onderhouden van hun kennisbasis en leveren contractonderzoek voor overheden en private partijen. De Rijksbouwmeester met zijn College van rijksadviseurs (Cra) lijkt nog het meest op een adviesraad.

Neem bijvoorbeeld de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli). Deze adviesraad geeft gevraagd en ongevraagd advies. De Raad doet dat op basis van een werkprogramma, vastgesteld door maar liefst vier ministers, en legt verantwoording af in een jaarverslag. De Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) krijgt gericht opdrachten van ministeries en de Eerste en Tweede Kamer. Dit soort Raden maakt periodiek evaluatieverslagen volgens de regels uit de Kaderwet adviescolleges. Dat lijkt me toch iets anders dan een Rijksbouwmeester die zijn hart volgt en vanuit zijn status aparte observeert en acteert.

Ligt het niet voor de hand om de Rijksbouwmeester, zijn Atelier Rijksbouwmeester en het College van Rijksadviseurs te gaan behandelen als een adviesraad? Eentje met een toetsbare taak, verantwoording en overdracht naar zijn opvolger? En moeten we daar dan niet ook een Rijksbouwmeester bij zoeken die zich bepaalt tot architectuur, inpassing, duurzaamheid en behoud van Rijksvastgoed en -infrastructuur? Lijkt mij van wel.

Deze column werd op 29 april 2020 gepubliceerd bij romagazine.nl 

Bij het verscheiden van dagblad Metro

Eenentwintig jaar na de introductie in Nederland, komt een einde aan Metro, het gratis dagblad uitgeserveerd op de grotere treinstations. Van het begin herinner ik me vooral een paar eigenaardige details.

In de betaalde kranten viel onlangs al te lezen dat de Nederlandse editie een initiatief was van Bart Lubbers, Tiago Jurgens en Falk Madeja. Dat deze drie al direct bij de start gedoe kregen over de verdeling van de aandelen met moederconcern Metro International in Zweden, is ondertussen naar de achtergrond verschoven. Toch raakte ik juist daardoor even bij Metro betrokken.

Metro International in Zweden wilde weer grip krijgen op de Nederlandse editie. Daartoe werd achter de rug van Lubbers cum suis een redactie gerekruteerd die de zaak kon overnemen, zodra het driemanschap buitenspel zou zijn gezet. Een Zweedse freelance correspondente in Amsterdam werd recruiter voor de Zweden en omdat we kantoorruimte deelden vroeg ze mij te helpen.

Ik denk niet dat ik veel heb kunnen betekenen, anders had ik het nog wel geweten. Ik herinner me wel dat ik op de academie Sint Joost een striptekenaar ontdekte, die al enkele jaargangen van een dagstrip had liggen. Hij heeft er jaren mee in Metro gestaan.

Verder weet ik nog dat Metro International een vooruitgeschoven post op de Amsterdamse Overtoom betrok. Een voormalig bordeel met veel marmer, spiegels en een bokszak aan het plafond. Die bokszak werd regelmatig bewerkt door een Aziatisch-Zweedse jongeman die de rest van de dag met een headset op – toen al! – liep te telefoneren met Metro-edities in de hele wereld. Ik denk dat ook de nieuwe redactie in het bordeel gedacht was.

Kort daarna, althans zo staat het mij bij, werd Jan Dijkgraaf hoofdredacteur. Hij liet mij een blauwe maandag columns schrijven voor zijn columnistenpool, maar vond dat ik er niet tussen hoorde. Ik moest het maar bij De Groene Amsterdammer proberen. Daar had hij achteraf gezien gelijk in. Hij kon alleen niet weten dat ik daar al eens was afgewezen met een reden die ik in het woordenboek had moeten opzoeken. Martin van Amerongen schreef mij toen dat ik toch niet kon verwachten dat hij een boutade zoals ik had aangeboden, zou afdrukken.

Zodra Jan Dijkgraaf doorkreeg dat ik helemaal geen belangrijke contacten bij Metro International had, bedankte hij ogenblikkelijk voor mijn diensten. Ik kon toen niet bevroeden dat Jan ooit nog een machtige volksbeweging zou leiden.

Virus en omkering

Bolsonaro en Trump willen wel heel vroeg stoppen, maar ook bij ons komt er een moment dat we een punt zetten achter de coronacrisis. Niet per se omdat het virus overwonnen is, maar omdat ook wij ons geen eindeloze lockdown kunnen veroorloven. Wordt alles dan weer als voorheen? Waarschijnlijk niet.

In Amerika heeft corona zijn plek in de maatschappelijke tweedeling al gevonden. COVID-19 is het probleem van de grote stad en de Democraten die er leven. De Republikeinen op het platteland hebben nergens last van. Of toch in ieder geval minder dan de New Yorkers.

Bij ons is corona nog niet op die manier ingedeeld in de cultuurstrijd tussen stad en platteland. Hier kiezen de volkse rechtse partijen – populair buiten de grote steden – voor harde, duidelijke maatregelen van een strenge overheid tegenover de genuanceerde, wetenschappelijke aanpak van de regering. Sinds er een bijna-lockdown van kracht is, luwt de kritiek van rechts. Die ontwikkeling is fijn voor het draagvlak en de effectiviteit van overheidsmaatregelen, maar kan op termijn een fase blijken in een omkering van posities.

Ons geld wordt verdiend in de grote steden en ook vernieuwing in kunst en cultuur komt uit de stad. Wageningen, de TU Twente en Veldhoven leveren innovatie in wetenschap en techniek, maar verder is het toch ook hier de grote stad die het beeld bepaalt. Daarom willen we er wonen en leven we dicht op elkaar. Dat geeft draagvlak voor algemene en heel unieke voorzieningen. Van de Noord-Zuidlijn tot de winkel met een reusachtig aanbod van verschillende notenpasta’s en pindakazen, om het maar eens hoofdstedelijk in te vullen. De stad is mateloos populair. Verdichting zwengelt dat proces nog eens aan.

Verdichting heeft te veel voordelen om er straks niet mee door te gaan. Het krijgt wel met nieuwe uitdagingen te maken. Er zijn al vragen over milieu en klimaat in de verdichte stad. Hoe houden we ruimte voor groen en water tegen fijnstof en hittestress? Hoe organiseren we een energie-neutrale stad? Daar komen met het virusdrama nog eens nieuwe gezondheidsvragen bij. Want draagvlak voor fysieke voorzieningen is draagvlak voor besmetting.

Naast aandacht voor nieuwe issues bij ruimtelijk ontwerpers, komen veel antwoorden van slimme technologie. Duurzame energieoplossingen vragen om constante monitoring van vraag en aanbod tot in de meterkast van de woning. Zo zijn er veel ‘slimme’ oplossingen die data uit de persoonlijke levenssfeer vragen. En daar komt straks slimme screening van de gezondheid bij.

Bij ons groeit ondertussen de waardering voor de effectiviteit van moderne autoritaire (stad)staten. Of het nu gaat om de economie, het klimaat en milieu of de bestrijding van een gezondheidscrisis zoals we die nu beleven. De toekomst is aan de verdichte stad en de concurrentie is mondiaal. Om mee te blijven doen, gaan we steeds een beetje meer meebuigen richting Zuid-Korea en Singapore. De jonge, hoger opgeleide kenniswerkers – links-liberaal en groen – zullen er het minste moeite mee hebben. Ze hebben ‘niets te verbergen’ en zijn gezond.

De lager opgeleiden, de ouderen en de plattelanders hebben niks te winnen bij een ‘slimme’ overheid die precies bijhoudt waar ze zijn en hoe het met ze is. Op het plattelandserf, maar ook in de laagbouwbuitenwijken bemoeit men zich met eigen zaken. Dat geeft ook geen problemen, want er is meer ruimte per persoon. Rechts zal van de weeromstuit met zijn kiezers meegaan van sterke overheid naar libertair en wantrouwend jegens de overheid. Eigenlijk zoals dat in Amerika nu al is.

Hamsteren als frame

Hamsteren heeft al heel lang een slechte naam. Voor de nu nog levende generaties gaat dat in ieder geval terug tot de Tweede Wereldoorlog. Hamsteren roept associaties op met oorlogswoeker en zwarte handel, met egoïsme en een gebrek aan verantwoordelijk burgerschap. In de huidige coronacrisis komen daar gekte en redeloosheid bij. De gekte van de run op uitgerekend het toiletpapier en redeloosheid omdat er van schaarste eigenlijk geen sprake is. Toch is er ook best wat te zeggen voor hamsteren.

Sinds enkele decennia kiezen achtereenvolgende kabinetten voor een terugtredende overheid. Uit bezuinigingsoverwegingen bij een ‘uit de hand gelopen’ verzorgingsstaat, maar ook uit zorg over een gepamperde bevolking die zou hospitaliseren door al onze prachtige welvaarts-arrangementen. Het zou goed zijn de verantwoordelijkheid voor het eigen leven weer meer terug te leggen bij de mensen zelf. Om de democratie te vitaliseren en om het bewustzijn op gang te brengen dat de overheid geen garanties biedt tegen alle tegenslagen in het leven.

Zo bezien is hamsteren vooral een negatief frame uit een oude context en zijn hamsteraars misschien wel voorbeeldige burgers die er alles aan doen om niet afhankelijk te worden en zichzelf en hun naasten zo goed mogelijk door de crisis te helpen. Lompheid en onbeschoft gedrag daargelaten, want die zijn altijd vervelend, ook als het geen crisis is.

In plaats van lof krijgen de hamsteraars ondertussen het verwijt anderen te benadelen door schaarste te creëren, terwijl hen tegelijkertijd wordt voorgehouden dat er helemaal geen schaarste is. Eigenlijk is er nu soms slechts sprake van frictie-schaarste, we kopen de schappen sneller leeg dan ze bijgevuld kunnen worden. Dat is naar voor de minder weerbare consumenten zoals ouderen en zuur voor de werkers in de vitale sectoren die na een lange dag misgrijpen in de supermarkt.

Voor beide groepen zijn inmiddels oplossingen gevonden. De ouderen krijgen een eigen uurtje in de winkel en zorgwerkers kunnen hun boodschappenlijstje inleveren waarmee ze een met voorrang gevuld mandje kunnen ophalen. Toch voelt het niet lekker. Het recht van de sterkste aangevuld met kunst- en vliegwerk voor de mensen met minder puntige ellebogen.

Ondertussen heeft een deel van de bevolking op deze manier wel een meer of minder doordacht voorraadje op zolder en wordt de hamsterwoede afgeremd door de steeds opnieuw gevulde winkels. Mocht de frictie-schaarste toch kantelen naar structurele schaarste, dan kan de overheid zich volledig richten op de zwakkeren en de mensen die altijd zijn blijven geloven in de overheid die voor de mensen zorgt.