Het gelijk van de zwemsteiger

Het water van Nederland scoort het slechtst van Europa, aldus de nieuwste Europese ranglijst. Alles wordt minder, Moeder Aarde weent. Is het heus? Welnee, ons water is schoner dan het lang is geweest.

Wie destijds onze toenmalige kroonprinses Máxima voor het goede doel een baantje in een Amsterdamse gracht zag trekken en nu de krant opensloeg, moet even de wenkbrauwen hebben opgetrokken. Huh? Steeds meer stadse zwemplekken en toch vies water? 

Dat kan niet en het is ook niet zo. Na eerder klakkeloos alarmerende berichten van Natuur & Milieu te hebben overgenomen, dringt in de kranten nu het hele verhaal door. 

We hebben ons met groene verf in een hoek gekwast waar stikstof-achtige lockdowns dreigen

Als altijd heeft gidsland Nederland aangedrongen op een strenge Europese Richtlijn ( Kaderrichtlijn Water) en zelf voor een heel precieze vertaling in Nederlandse regelgeving gekozen. Aldus hebben we ons met groene verf in een hoek gekwast waar stikstof-achtige lockdowns dreigen.

Natuurlijk is er nog het nodige aan te merken op de kwaliteit van het water in onze rivieren, plassen, grachten en sloten. Er watert nog steeds DDT van vroeger uit naar grond- en oppervlaktewater, er is residu van kunst- en koemest en de boeren houden de waterstand te laag, waardoor de viezigheid in het grondwater komt. Bovendien hebben onze waterlopen maar zelden natuurlijke beddingen en oevers. Ook dat laatste telt, hoewel het weinig met waterkwaliteit en alles met landinrichting te maken heeft.

Voor een land met een groeiende bevolking en een intensief ruimtegebruik is het eerder opmerkelijk dat de waterkwaliteit vooruitgaat

Maar voor een land met een groeiende bevolking en een intensief ruimtegebruik is het eerder opmerkelijk dat de waterkwaliteit vooruitgaat dan dat die kwaliteit nog niet optimaal is. Landen die er nooit in geslaagd zijn een deel van het territorium in cultuur te brengen dat maar in de buurt komt van Nederland, scoren het best in de Europese ranglijst. Dat is geen verdienste van die landen, dat is armoede of een teveel aan natuur.
Het zal onze belangenbehartigers van het milieu er niet van weerhouden om hun cultuurkritiek (groeidenken, consumentisme) en het frame waarin de groene waarden altijd aan het kortste eind trekken, bij de rechter in te zetten om over de Europese band een gelijk te halen dat niet strookt met de werkelijkheid die aan iedere Hollandse zwemsteiger te ervaren is.

Deze column verscheen op 10 juni 2022 bij ROMagazine.nl

crisis als kans

De oliecrisis van 1973 had niks te maken met oprakende olievoorraden, maar alles met de steun van Nederland aan Israël tijdens de Jom Kipoeroorlog. Toch slaagde minister-president Joop den Uyl erin de boycot te framen als een wake-up call voor aantasting van het milieu, ons consumentisme en de eindigheid van fossiele brandstoffen. Mede dankzij onze calvinistische inborst en het Rapport van de Club van Rome van een jaar eerder kregen we autoloze zondagen. Het zou nooit meer worden zoals het was geweest en daar hoefden we niet ongelukkiger van te worden. Integendeel zelfs. Die boodschap krijgen we nu ook weer.

Als een gestrande walvis


De oliecrisis was – voor zover ik weet – de eerste keer na de geleide loonpolitiek van de jaren vijftig dat we ons lieten afknijpen met een verhaal over hooggestemde collectieve doelen. Het moest allemaal anders, vooral minder en dit was het moment. Na enkele maanden onderhandelen ging de oliekraan weer open en sloot het ‘Window of Opportunity’ voor de betere wereld geruisloos.

Ik sla een paar crises over om uit te komen bij de coronacrisis die nu precies twee jaar geleden uitbrak. De klimaatcrisis werd min of meer geparkeerd, want in ons hoofd is geen ruimte voor twee crises tegelijk. Ook de coronacrisis bleek een kans voor transitiebepleiters. Was corona immers niet de straf voor de ongebreidelde mondialisering, het gesleep met spullen over de wereld en het schaamteloos goedkope vliegen? Was er niet veel te winnen met korte ketens en knollen uit eigen tuin? Voor de volksgezondheid, onze natuur, nationale verbondenheid en vooruit: het klimaat?

Als de gestrande walvis die in oude tijden gold als voorteken van rampspoed, liep het mammoet containerschip Ever Given vast in het Suezkanaal. Als om te laten beseffen hoezeer we ons afhankelijk hadden gemaakt van de Chinese maakindustrie en de internationale handel in het algemeen. En nu werden we nog ziek ook van al die internationale contacten. Sterker: we gingen eraan dood. Mede dankzij internationale samenwerking in onderzoek en razendsnelle digitale uitwisseling van gegevens, werden in recordtempo vaccins ontwikkeld en kregen we de pandemie in twee jaar onder controle.

Roaring Twenties (maar dan anders)


Al bij de eerste verlichtingen van de lockdowns waren de files terug. De rechterbaan zat weer vol vrachtwagens en de linker met witte bestelbusjes. Dit kon geen crisis zijn en dat bleek ook wel. Economisch gezien viel het allemaal reuze mee, niet voor iedereen maar toch voor de meesten. De rest werd opgevangen met het ‘gratis’ geld waarover de overheid bleek te kunnen beschikken.

Terwijl we ons in de handen wreven in het vooruitzicht van onze eigen ‘Roaring Twenties’, liep het in het Oosten gierend uit de klauwen. Beschaamde verwachtingen over al dan niet uitbreiding van de NAVO in combinatie met een paranoïde Putin leidden tot een hete oorlog die er eigenlijk al was, maar die we een beetje hadden genegeerd. Roaring Twenties, indeed, maar dan anders.

En ook nu zien sommigen in de crisis weer een kans. Wilden we niet toch al van het (Russische) gas af en is dit geen geweldige stimulans voor zon, wind, waterstof, Hollandsche waar en matiging van ons energieverbruik? Met de campagne ‘Draai de knop om!’ worden we door minister Jetten geheel vrijblijvend uitgenodigd ons particuliere steentje bij te dragen. Voor de ambtenaren op kantoor ligt dat anders. Daar mengt de minister zich eigenhandig in de arbeidsomstandigheden door de thermostaat lager te draaien. Je vraagt je af of die medewerkers geen ambtelijke baas hebben die ze tegen dit soort politiek gedreven ingrepen beschermt.

Een warme solidaire trui


Belangrijker dan de kantoortemperatuur is het feit dat met deze salamitactiek van klimaat- en geopolitiek het leerstuk van de Liberale Vrede zonder veel discussie overboord gaat. Het idee dus dat internationale handel de politieke stabiliteit bevordert en helpt om oorlog te voorkomen. Is het niet veelzeggend dat ondanks de gruwelijke inval in Oekraïne het gas nog steeds onze kant op stroomt en we niet al in een hete oorlog tussen Rusland en de NAVO zitten? Moet Rob Jetten niet eerlijk zeggen dat zijn pleidooien voor duurzame energie en energiebesparing geen alternatief zijn in de acute crisis van nu, maar hooguit een beetje voor later?

Het klinkt kil naar de Oekraïners (blijf ze vooral anti-tank raketten sturen) maar misschien moet die gaskraan toch openblijven. Ook Putin verdwijnt ooit van het toneel. Dan kunnen we het gas gebruiken als ‘transitiebrandstof’ tot we met kernenergie en andere duurzame energiebronnen de klimaatcrisis (Oh ja, de klimaatcrisis) echt te lijf kunnen. Want het is hoog tijd om geen energie meer te steken in de knop van de thermostaat en een warme solidaire trui.

Deze column is sinds 15 april 2022 ook te lezen op romagazine.nl

Van de Duvel en de Grote Hoop

Ik tik in het donker een stukje op mijn telefoon. Gelukkig gaat het nog maar om een solidariteitsactie voor Oekraïne. Ik moet er niet aan denken dat de stroom en het gas er straks echt uitliggen. Toch moeten we bereid zijn om dat soort ‘offers te brengen’, horen we van verschillende kanten. Voor de slachtoffers, de mensenrechten en de democratie in Oekraïne. En uiteindelijk voor de vrijheid hier. Wie daar kanttekeningen bij durft te plaatsen, die kan niet deugen.

De driedubbelbeglaasden verklaren zich met gesubsidieerde zonnepanelen energieneutraal


Ondertussen weet iedereen dat de lasten van onze grootmoedigheid opnieuw gedragen zullen worden door de kwetsbaarste mensen in de lastigste wijken. Dat is geen complot van de meer geprivilegieerden, hoewel het goed uitkomt, maar meer een kwestie van, zoals mijn vader zei: ‘de duvel die altijd op de grote hoop schijt’.

De mensen met de lage inkomens in tochtige woningen stoken zich arm aan het dure gas, terwijl de driedubbelbeglaasden zich met gesubsidieerde zonnepanelen energieneutraal verklaren. Migranten en vluchtelingen komen steevast niet in de betere buurten terecht. Ook dat is geen vooropgezet plan, maar het gevolg van de beschikbaarheid van leegstaand maatschappelijk vastgoed en woningen in het sociale segment. Die staan niet aan de lommerrijke dreven, maar weer net in de buurten waar men toch al gemiddeld een paar jaar minder oud wordt dan aan ‘de goede kant van het spoor’.

Maar nu komt er dan toch een kans om de boel een beetje recht te trekken. De voormalige bejaardenhuizen zijn allang herbestemd en de rek in de sociale voorraad is er ook al tijden uit. Met de humanitaire crisis van nu, heeft de regering daarom onorthodoxe maatregelen op stapel staan. Belemmeringen om vluchtelingen op te nemen in tweede huizen en beschikbare kamers in particuliere woningen zullen worden weggenomen. Ik ben benieuwd waar dat toe gaat leiden. Ook benieuwd trouwens naar de uitkomst van de discussie die dit vast gaat geven op mijn volkstuinvereniging waar iedere tuin een huisje heeft. Wij spreken al jaren liefkozend van onze datsja. Gaat het ervan komen?

Bas van Horn

Deze column verscheen op 11 maart bij romagazine.nl

Duurzame of deugdzame stadsdistributie?

Al zo’n vijftig jaar lang zoeken onze grote steden naar fijnmazige, duurzame en schone vormen van verkeer en vervoer om de stad leefbaar te houden en het milieu te sparen. De elektrische witkar van provo Luud Schimmelpennink bood de Amsterdammer in de jaren zeventig van de vorige eeuw met diverse afhaal- en oplaadstations in de binnenstad een alternatief voor de eigen auto. Geen overbodige luxe, want het particuliere blik verstopte de stad, de openbare ruimte stond volgeparkeerd en de katalysator moest nog uitgevonden worden.

Veel kant-en-bijna-klaar

Overslagpunten aan de stadsrand zouden de vrachtwagens voor de winkelbevoorrading voortaan uit de stad houden. Kleinere, schonere busjes en boten gingen de spullen naar de winkels brengen. Waarom de witkar mislukte is nog steeds onduidelijk, maar dat geldt ook voor de vele experimenten met vuilnis-, pakjes- en bierboten, terwijl de overslag op bestelbusjes het verkeersinfarct vooral wat dieper in het stadshart bracht. Echt vaart kreeg de transitie pas met de introductie van elektrische voertuigen en in het bijzonder de schone en wendbare elektrische bak- en pakjesfietsen.

Met de komst van de flitsbezorgingsdiensten als Gorillas, Flink, Zapp, Getir en anderen, wordt nu de omwenteling voltooid. De gemaksgeorïenteerde stedeling werd door de grootgrutters de afgelopen jaren al bediend met kleinere winkels in de eigen buurt. Veel kant-en-bijna-klaar-producten voor kleine huishoudens, maar je moest er toch nog steeds de deur voor uit.

Tafeltje dekje, Uitgekookt en aanverwante initiatieven brachten al aan huis, maar hun service stond te zeer in de traditie van charitas en ‘een pannetje soep’ om echt groot te worden. Maaltijdbezorgers als JustEat en Hello Fresh knokten zich met veel geld van grote investeerders wel naar de voordeur van de jonge tweeverdieners.

Toppunt van individualisering

Nu staat binnen tien minuten een fietskoerier aan de deur met een rolletje drop tegen een concurrerende prijs. Ook weer dankzij investeerders die lang hun verlies nemen zolang het marktaandeel maar voldoende groeit en de database met adressen steeds meer waarde vertegenwoordigt. Fijnmaziger, klantvriendelijker en tegelijkertijd milieuvriendelijker gaat stadsdistributie ondertussen niet worden. Het is klaar.

Fijnmaziger, klantvriendelijker en tegelijkertijd milieuvriendelijker gaat stadsdistributie ondertussen niet worden


Zijn we nu dus duurzaam en tevreden? Nee, zeker niet. Overal wordt geklaagd over overlast, ondermijning van de sociale cohesie, oneerlijke concurrentie en afgeplakte winkelpuien. De dark stores van de flitsbedrijven terroriseren woonwijken met overlast van bevoorrading en voor de deur rondhangende flitsbezorgers, terwijl de gesloten gevels ‘no comment’ communiceren.

Ook wordt in het fenomeen het toppunt van individualisering gezien, waardoor zelfs de vluchtige ontmoeting in de winkel al niet meer plaats heeft en de laatste restjes buurtbinding teloorgaan. En ten slotte zijn nogal wat hippe stadsmensen tegen omdat de grote financiers achter de flitsfietsbezorgers met hun lange adem alle concurrentie uitschakelen en het winkelaanbod daardoor verschraalt.

Paal en perk

Het Amsterdamse stadsbestuur stelt als eerste stad paal en perk. Met een speciaal bestemmingsplan moeten nieuwe vestigingen in de toekomst geweerd worden en voor nu wil men in ieder geval een jaar lang geen dark stores erbij. Of dat allemaal nodig is, staat te bezien. Als we de bezwaren al serieus nemen, dan zijn ze in ieder geval prima te ondervangen. Overlast van bevoorrading was en is er natuurlijk ook van de gekoesterde buurtwinkels, maar dat wordt met venstertijden en aanvullende maatregelen tegen onnodig lawaai ondervangen. Het valt moeilijk in te zien waarom dat met de dark stores niet zou kunnen.

Dat geldt ook voor de ‘overlast’ van de bezorgers die voor de deur hangen omdat ze in hun eigen bedrijf niet of nauwelijks worden toegelaten. Lijkt me trouwens eerder een zaak van onwaardige arbeidsomstandigheden dan van overlast voor de buurt. Zet je als buurt in voor een hangplek bij het bedrijf binnen en je slaat twee vliegen in een klap.

Solidariteit ter waarde van een pak toiletpapier

Over gesloten gevels heb ik nooit iemand gehoord toen de nu populaire buurten nog overal in souterrains en onderstukken bergingen, opslagruimten en stallingen hadden. Onder het kopje gewenste functiemenging kun je de nieuwe bedrijven ook toejuichen, maar goed als je wilt klagen kun je bedingen dat de gevels zicht bieden op wat binnen gebeurt of anderszins worden opgeleukt.

De flitsbezorgbedrijven staan in de ogen van het stedelijk establishment voor de verwording van de consumptiemaatschappij


Het argument van de teloorgang der sociale cohesie en de oneerlijke concurrentie ten slotte lijkt me vooral een vage echo van het pleidooi voor de kleine buurtwinkel. Een vroom voornemen, terwijl men alleen nog bij de gedienstige middenstander kwam voor een bij de supermarkt vergeten boodschapje. Solidariteit ter waarde van een onsje ham of een pak toiletpapier. The times they are a changin en de stad verandert mee.

Het gaat niet om overlast, sociale cohesie of eerlijke concurrentie het gaat om morele verontwaardiging. De flitsbezorgbedrijven – die dankzij het internet, de financiers, de rechteloosheid van bezorgers en de elektrische fiets furore maken – staan in de ogen van het stedelijk establishment voor de verwording van de consumptiemaatschappij waarin de uitgestelde behoefte niet langer als deugd geldt en egoïstische individualisten voortaan de dienst uitmaken. Als je het fenomeen gewoon als een uitbreiding van het grootstedelijk dienstenpakket ziet, dan doe je iets aan de uitwassen en ga je over tot de orde van de dag.

Bas van Horn

Deze column werd op 4 februari 2022 geplaatst bij romagazine.nl

Van het Maankwartier en oude grandeur

Cultuurcentrum Schunck in het ‘glaspaleis’ van Heerlen doet precies wat een dergelijk cultuurgebouw – naast het verheffen van de eigen bevolking – moet doen. Mensen van buiten trekken die vervolgens blijven hangen om hun geld uit te geven aan de lokale middenstand. Tenminste, dat doet het in mijn geval.

Naar aanleiding van de Dag van de Stad in Heerlen afgelopen maandag en een speciale ROm-editie over IBA Parkstad, de Stadsregio Parkstad Limburg en het stedelijk vernieuwingsbeleid, moet ik terugdenken aan een bezoek van een paar jaar terug.

Schunck, genoemd naar het voormalig warenhuis, toont in 2019 de rondreizende tentoonstelling Basquiat, the Artist and his New York Scene. Heerlen is de meest bereikbare plek voor een Randstedeling om het werk van de legendarische graffiti-artiest en schilder te gaan zien. Cultuurhuis Schunck biedt veel interessants over de kunstenaar en hoe het zo gekomen is, maar betrekkelijk weinig van de schilderijen waarvoor ik gekomen ben. Enfin.

Hoe lang je een bezoek aan zo’n tentoonstelling ook rekt, op een bepaald moment sta je weer buiten. Je hebt niet zo lang in de auto gezeten om meteen weer terug te gaan, dus de stad in. Als een witte burcht op een rots lokt in de verte het Maankwartier. Een verbijsterende monoliet die al ver voor De Grote Kleine Treinen Competitie aan een modelspoorberg met tunnel doet denken.

Na beklimming van een steil pad in aanleg tref ik een gezelschap op excursie onder leiding van een excentrieke kunstenaar. Hij claimt de hele berg bedacht en tot in detail getekend te hebben. Van de woningen in de citadel tot de winkels eronder. Van de vele pleinen, nissen en niveaus tot de huisnummerplaatjes.

This town ain’t big enough


Van de steile trappen naar het ongunstige deel van de stad verwacht de artiest voldoende afschrikwekkende werking om de bewoners van Noord aan hun kant van het spoor te houden. Van de afdaling naar de binnenstad aan de zuidzijde zal de heilzame werking van het Maankwartier naar de oude binnenstad glijden. Als iemand het waagt iets te opperen over de weinig bescheiden opzet van het project, wordt hij verontwaardigd gecorrigeerd. Alsof Heerlen zijn kans niet zou mogen grijpen om verloren grandeur terug te winnen!

Wie vanaf Schunck is komen lopen heeft dan al gezien dat de oude grandeur op tal van plaatsen leeg staat, net als veel doorsnee winkelpanden. Winderige gaten markeren de plekken waar inmiddels tot sloop is overgegaan. Het is wel duidelijk dat de vele nieuwe winkelmeters in het Maankwartier de laatste kansrijke plekken van de binnenstad om zeep zullen helpen. Of de winkels op de maanberg blijven leeg omdat innovatieve ondernemers meer zien in oud leegstaand vastgoed met stijl en allure, nu nog verborgen onder het stof. This town ain’t big enough for both.

Kunstenaar, uitvinder, bouwmeester


De kunstenaar blijkt ondertussen Michiel Huisman. Een lokale artiest en uitvinder die ook echt de bouwmeester van het geheel is. Hij topt zijn gevels met sterren en planeten en heeft een soort klokkentoren met een zonnespiegel laten installeren om het licht te brengen waar het normaal niet komen kan. Een eerste bewoner is enthousiast over zijn woning en het uitzicht, de dame van het hip bedoelde koffietentje houdt zich behoedzaam op de vlakte. Ik drink een lokaal biertje in een oude kroeg tegenover Schunck. Aardige mensen aan de bar.

Inmiddels procedeert een vastgoedbaas met de gemeente over de winkelleegstand en is het plan voor een hotel in de burcht mislukt. De karavaan trekt verder en de burgemeester en de wethouder jubelen in ROm 11 van deze maand, helemaal gewijd aan IBA-Parkstad en de aanpak van urgente opgaven in de oude mijnstreek.

Deze column werd op 4 november 2021 geplaatst bij Romagazine.nl

Maak Marcel minister

Marcel Levi is nu een half jaar voorzitter van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Als het hem wordt gevraagd, meldt hij graag minister te willen worden in een volgend kabinet. Minister van onderwijs en wetenschap waarschijnlijk, maar wel een die vindt dat je best een mening mag hebben op terreinen waar je niet per se over gaat. Volksgezondheid en pandemiebestrijding bijvoorbeeld of klimaatbeleid. Als Martin van Rijn zonder problemen kon invallen bij Rutte III dan kunnen ze Marcel Levi in de nieuwe ploeg toch wel voor vast aannemen, ook al is hij belijdend lid van de PvdA?

Tegen het cv en de branie van Levi kan niemand op. Hij is gevierd internist en voormalig AMC-bestuurder. Hij was manager van een hele reeks Londense ziekenhuizen in de hectiek van de pandemie en sprong zelf bij op de IC. Nu is hij NWO-voorzitter die zich met zijn notoire ongeduld heel snel zal gaan vervelen. Hij slaapt maar een uurtje of vier, vijf per nacht. Zodra zijn verkering zegt dat ze hem te weinig ziet, is het uit, zegt hij in een interview in Volkskrant Magazine. Hij is meestal single en vindt dat prima. Ideaal profiel voor een minister.

Zijn welhaast ouderwetse wetenschapsoptimisme en hang naar ingenieursnuchterheid zijn een verademing


Wat ook erg voor Levi pleit is zijn resultaatgerichtheid. Dat je je best gedaan hebt, is in zijn ogen geen reden tot complimentjes en geen excuus voor falen. Een instelling waar hij zich niet populair mee maakt in woke en gevoelige universiteitskringen. Zijn welhaast ouderwetse wetenschapsoptimisme en hang naar ingenieursnuchterheid zijn een verademing. ‘Een frisse wind’, meent wetenschapsjournalist Marcel Hulspas op twitter.

Dat lijkt mij nu ook. Hij snapt best dat olivijn en basalt vergruizen en uitstrooien in de oceaan niet morgen het klimaatprobleem heeft opgelost, maar hij vindt het wel een originele en vruchtbare denkrichting. Beter dan de verbeten inzet op wereldwijde gedragsverandering en gescheiden inzameling van afval die er toch niet van gaan komen. Het is wetenschappelijk, nuchter en uitvoerbaar. Kom daar nog eens om.

Het is hoog tijd dat iemand weer eens uitlegt hoe het ook alweer zat. Met empirische wetenschap die bij herhaling van onderzoek en in echte review overeind blijft. Met het resoluut rechttrekken van rivieren om ze bevaarbaar te maken en het water af te voeren naar zee, met gezondheid dankzij schoon water, volkshuisvesting, hygiëne en penicilline. Met de voedselrevolutie dankzij ruilverkaveling, kunstmest, standaardisatie, mechanisatie en gewasveredeling. Met alles dat de Verlichting ons gebracht heeft en nog kan brengen. Het overleven van de klimaatcrisis en de wereldbevolkingspiek voor ze weer gaat dalen bijvoorbeeld.

Het is hoog tijd dat iemand weer eens uitlegt hoe het ook alweer zat


Nou ja, dat is misschien een beetje veel voor één minister, zelfs als hij Marcel Levi heet. Maar een minister die met enig gezag tegengas geeft aan het cultuurpessimisme, de eco-nostalgie en het politiek opportunisme, is meer dan welkom. Iemand die met wapperende jaspanden op een nieuw sluizencomplex of dijklichaam in de verte kan wijzen. Maak Marcel minister!

Deze column werd op 30 september geplaatst bij Romagazine.nl

Wie wordt blij van blije plekken?

Groen is gezond, want mensen in een groene omgeving zijn fitter en gezonder. Een no-brainer voor hedendaagse architecten en stedenbouwers. Daar komen nu de blije plekken (Happy Places) bij, want: “de invloed van de gebouwde omgeving op de mentale gezondheid is veel groter dan gedacht”, aldus de kop van een artikel op www.gebiedsontwikkeling.nu van de TU Delft. Zo geeft gebiedsontwikkeling zichzelf een prominente rol in de bevordering van gezondheid en geluk. Er zit vast wat in (ik wil geen wetenschapsontkenner zijn) maar er valt ook wel op af te dingen.

Er is veel onderzoek dat aantoont dat mensen in een groene wijk beter gedijen dan in een versteende omgeving. Ze bewegen meer, voelen zich fitter en hebben minder gezondheidsklachten. Of daarmee oorzaak en gevolg gegeven zijn, staat nog te bezien. Het voorbeeld van een grote stadsuitbreiding als de Amsterdamse Bijlmermeer heeft in het laatste kwart van de vorige eeuw al laten zien dat ook over een no-brainer beter nog eens nagedacht kan worden. In het megaproject bezuiden de stad Amsterdam werd een Le Corbusier-achtig stadsdeel gebouwd voor de Amsterdamse middenklasse. Honingraatflats combineerden een hoge bevolkingsdichtheid met een geraffineerd spel van zichtlijnen over groen en waterpartijen. Het verkeer was verbannen naar doorgaande hoge dreven en de groene tussenruimte bood volop veilige gelegenheid aan fietsers en wandelaars.

‘Er is veel onderzoek dat aantoont dat mensen in een groene wijk beter gedijen dan in een versteende omgeving’


Vervolgens werd Suriname onafhankelijk en de rest is geschiedenis. Of iets minder kort door de bocht: de migratie moest worden opgevangen en op wat autochtone ‘Bijlmer-believers’ na, gaf de Amsterdammer uit de verloederde wijken vervolgens de voorkeur aan de nieuwbouw in Almere, Purmerend en Hoorn. In de Bijlmer ging uiteindelijk een groot deel van de honingraatflats tegen de vlakte ten gunste van traditionele eengezinswoningen met de auto voor de deur.

Sporten omdat je gezond bent

Er valt te twisten over de vraag of de Bijlmer is mislukt door een ongelukkige samenloop van historische omstandigheden of ten onder ging aan een maakbaarheidsidee dat niet opgewassen bleek tegen de werkelijkheid. Aan het groen in de wijk of de stimulans tot bewegen van de parkachtige omgeving heeft het niet gelegen. De Bijlmer liet zien dat stedenbouwers, landschapsontwikkelaars en verkeerskundigen het afleggen tegen sociaaleconomische en -culturele gegevenheden met alle gevolgen voor gezondheid en geluk van dien.

Nu is de Bijlmer maar een casus en van casuïstiek moeten we het uiteindelijk niet hebben. Nee, er zijn heel wat groene stadswijken te noemen waar je prettig leeft, beweegt en gemiddeld een stuk gezonder af bent dan elders. Maar zijn dat niet net de wijken die toch al aantrekkelijker waren en dus hoger opgeleide mensen trekken die gemiddeld significant gezonder zijn? En zelfbewuste, gezonde mensen doen aan sport en bewegen. Want voor wie gezond is en ‘prettig in zijn vel zit’ zijn sport en bewegen plezierig met als bonus het gevoel dat het allemaal eigen verdienste is.

Voor minder gezonde mensen in die andere wijken voelen sport en beweging onveilig en helemaal niet prettig. Het is veeleer een zoveelste confrontatie met eigen onvermogen bovenop die van de dagelijkse ervaring zonder sport. Kortom: sporten doe je omdat je gezond bent, niet omdat je er gezond van wordt.

Mentale gezondheid en gebiedsontwikkeling

Hiervoor ging het nog vooral over het fysiek welbevinden in relatie tot de gebouwde omgeving. In de Amerikaans onderzoeken – waarover Jasper Monster het heeft op gebiedsontwikkeling.nu – gaat het met name om de mentale gezondheid. Ook in Nederland ontdekken onderzoekers het thema inmiddels voor afstudeerscripties. Verschillende Amerikaanse onderzoeken trekken, volgens Monster, dezelfde conclusie: de invloed van gebiedsontwikkeling op de mentale gezondheid van gebruikers van die omgeving is veel groter dan altijd gedacht. De cijfers voor depressie en angststoornissen liggen voor bewoners van dichtbevolkte steden veel hoger dan voor mensen daarbuiten.

‘De invloed van gebiedsontwikkeling op de mentale gezondheid van gebruikers is óók groter dan gedacht’


Het is jammer dat Monster niet aangeeft waarmee die dichtbevolkte steden dan wel zijn vergeleken, want juist de grote Amerikaanse opiatencrisis – massale verslaving aan pijnstillers en kalmeringsmiddelen – begon bij de witte inwoners van het verarmde platteland om pas daarna uit te breiden naar met name de zwarte binnenstedelijke bevolking.

Hoe dan ook, er is sprake van groot geestelijk lijden en een mooie opdracht voor gebiedsontwikkelaars, stedenbouwers en architecten. Wat in de gebouwde omgeving zorgt dan, volgens de onderzoekers, voor die grootstedelijke mentale stress? Om te beginnen het gebrek aan groen waaraan wij als gevolg van onze biologische afstamming behoefte zouden hebben. En dan natuurlijk drukte, geluidsoverlast en luchtvervuiling.

Safe Spaces Happy Places?

Daarnaast speelt het gebrek aan een ‘verhaal’ dat ons helpt de omgeving te lezen en door de ruimte te navigeren. Zo zou klassieke laagbouw beter passen bij onze ‘menselijke maat’, geeft een afwisselend straatbeeld houvast en past klassieke symmetrie beter bij de herkenningsfuncties van ons brein.

De grote spiegelende vlakken van de grootstedelijke hoogbouw bieden niet die menselijke maat, dat houvast en die herkenning. Hierdoor gaan de ogen en het brein dwalen en verzwakt de sociale interactie in het publiek domein. En dat is weer slecht voor de buurtbinding en de kansen op het welslagen van buurttuintjes en andere bewonersinitiatieven. Omgevingen waar dit soort stressfactoren en distracties doelbewust zijn uitgebannen, worden in Amerika ondertussen Happy Places genoemd.

De actieagenda voor de Happy Places komt natuurlijk erg bekend voor. Het is de agenda van de hippiemoeder aller progressieve stedenbouwers: Jane Jacobs. Het ideaal van het inmiddels ruimschoots gegentrificeerde Williamsburg en andere plekken waar jonge progressieven neerstreken te midden van de crisis en afbraak in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Om er kunst te maken in leegstaande werkplaatsen, groente te verbouwen op braakliggend terrein en te wonen in de oude symmetrische huizen met een stoep ervoor.

Die beweging heeft veel goeds gebracht, maar is nu nauwelijks nog een toekomstgerichte agenda te noemen. In de gedaante van de Happy Places gaat ze zelfs een beetje zeuren en claimen. Alsof er een recht op een stressvrije stad bestaat. Daarin zijn de Happy Places het zusje van de Safe Spaces waarin alles verboden is wat een ander maar zou kunnen kwetsen. Begin zo’n Happy Place maar op de hei en laat de stad een arena blijven waar kwetsbare belangen en meningen een plek hebben, maar ook vrijelijk strijden met andere partijen en inzichten.

Bas van Horn

Deze column verscheen bij romagazine.nl op 22 juli 2021

Windturbines of de Apocalyps

Een flink deel van de dertig energieregio’s heeft grote moeite met het vinden van draagvlak voor de uitrol van de Regionale Energie Strategie (RES). De Volkskrant beschreef laatst al eens hoe in de verschillende regionale enquêtes en participatietrajecten naar gewenste uitkomsten is toegewerkt. Met suggestieve vraagstellingen, bagatelliserend taalgebruik en een sturend aanbod aan keuzemogelijkheden. Hoe urgent de doelstellingen ook zijn, een aanpak waarbij de uitkomsten tevoren vaststaan mag niet de bedoeling zijn.

Ook Amsterdam worstelt met wind, weerstand en participatie. Het besluit tot zeventien extra megawindturbines in het Westelijk havengebied, Noord en Zuidoost is genomen, maar onder druk van de tegenstand en groeiende twijfel buiten en binnen het college is nu een ‘reflectiefase’ van een half jaar ingegaan. Menigeen heeft al gewezen op de wonderlijke figuur van reflectie na het besluit in plaats van ervoor, maar het geeft aan hoe gevoelig de zaak inmiddels ligt.

Het klimaatbeleid is een niet te stoppen rijdende trein

Het college wordt niet moe te betogen waarom we op de ingeslagen weg voort moeten, want: klimaatverandering, Akkoord van Parijs, Vijf voor Twaalf, als we nu niets doen dan. Het klimaatbeleid is een niet te stoppen rijdende trein. Internationaal gemaakte afspraken met in beton gegoten doelen en trajecten, nationaal vertaald in afspraken met de koepels van de nieuwe verzuiling, op het bord gelegd van de regio’s voor de uitvoering. En daar raakt het regionaal en lokaal bestuur klem tussen hooggestemde doelen en de grieven van omwonenden in de ‘zoekgebieden’ voor windturbinelocaties.

Wat opvalt is de activistische manier van redeneren in bestuurlijke kring en met name in Amsterdam als het om de klimaataanpak gaat. De bezwaren van bewoners zijn altijd klein bier vergeleken bij de gevolgen van klimaatverandering. Wat stelt een bromtoon voor vergeleken bij smeltende ijskappen? Hoe belangrijk kunnen slagschaduw en uitzicht zijn als je weet dat onze wereld overstroomd gaat worden met klimaatvluchtelingen? Wie maakt zich druk om de waarde van zijn huis als het straks verzengend heet of kletsnat is geworden?

De logica van het fanatisme

Het is de logica van het fanatisme die bestuur en beleid over zichzelf hebben afgeroepen door intern scepsis over klimaatbeleid verdacht te maken alsof het eigenlijk om klimaatscepsis zou gaan. En dat is nog eens versterkt met de inhuur van expertise, advies en communicatie die zichzelf uit de markt zou prijzen met iets anders dan volledige toewijding aan de strijd die vele middelen rechtvaardigt.

Het is te hopen dat het Amsterdamse stadsbestuur de zelf afgekondigde reflectiefase zal benutten om tot het inzicht te komen dat het beleid altijd bevraagbaar en afweegbaar moet blijven. Dat een statement over de ernst van het klimaatvraagstuk in de vorm van windturbines niet zomaar belangen en bezwaren van omwonenden mag overrulen. Zeker een links stadsbestuur zou de woon- en leefomgeving van juist twee zwakkere stadsdelen niet mogen opofferen aan hooggestemde idealen.

Deze column verscheen op 16 juni 2021 bij romagazine.nl

Rechten voor de natuur

We leven in het Antropoceen. Dat is doorgaans geen constatering, maar een aanklacht. Het leven op aarde wordt niet langer bepaald door geologische processen, maar door de mens. En dat is geen goed nieuws voor de levende en dode natuur op aarde. Ook niet voor de mens zelf trouwens, maar dat is weer zo antropocentrisch gedacht. Dat denken waarin de mens centraal staat en zichzelf boven de natuur stelt. Hoog tijd om de natuur eigen rechten te geven zoals regelmatig wordt bepleit? Welnee, dat idee is niet meer dan een strategie van natuur- en milieuactivisten.

Al sinds de beginjaren van de natuur- en milieubeweging verzetten aanhangers daarvan zich tegen het christelijke- en verlichtingsdenken dat de mens ziet als heerser over de natuur met een zekere verantwoordelijkheid als beheerder van de voorraadkast (rentmeesterschap). Vanuit romantische, antroposofische en andere holistische ideeën dicht men de natuur een ‘intrinsieke waarde’ toe. Een eigenstandige waarde los van de waardering door de mens. Een even sympathiek als lastig concept, want wie kent die waarde dan toe? De mens zelf.

Bij het huidige verzet tegen het antropocentrische denken speelt hetzelfde. Juist in dit verzet stelt de mens zich boven de natuur waarvan ze zo nadrukkelijk een gelijkwaardig onderdeel wil zijn. Dat blijkt ook wel, want als het gaat om het toekennen van rechten aan dieren, planten of hele ecosystemen, is het niet de bedoeling schapen dodende wolven voor het gerecht te brengen zoals in de middeleeuwen. Men wil zelfbenoemde zaakwaarnemers van de natuur in stelling brengen om als ‘voogd van de natuur’ op te treden. Ook weer mensen dus!

Men wil zelfbenoemde zaakwaarnemers van de natuur in stelling brengen om als ‘voogd van de natuur’ op te treden

Voogd en juridisch belangenbehartiger van de natuur zijn, is een aantrekkelijker positie dan vertegenwoordiger zijn van een reguliere natuurorganisatie. Je hebt geen last van een tegensputterende achterban, geen programma te verdedigen in concurrentie met andere kandidaten voor het voogdijschap en je kunt helemaal zelf bepalen wat het belang van de natuur is en hoe je dat het beste kunt verdedigen. Zo bezien is het toekennen van rechten aan de natuur vooral iets voor dieren-, planten- en stenenfluisteraars die voor zichzelf een rol zonder tegenspraak zien als tolk en advocaat van de wereld die geen stem heeft.

Dat neemt niet weg dat we het fenomeen serieus moeten nemen, al was het maar omdat het internationaal opgang maakt. Colombia, Bangladesh en Oeganda hebben volgens een recent artikel in de Volkskrant allemaal al op enige wijze natuurrechten erkend. Nieuw-Zeeland levert het lichtende voorbeeld met een juridische status voor de rivier Whanganui die bij juridische kwesties wordt vertegenwoordigd door een orgaan waarin oorspronkelijke Maori’s en ambtenaren zitting hebben.

Het ‘rechten-voor-de-natuur-denken’ maakt ondertussen ook bij ons school

De romantisering van ‘natuurvolkeren’ en goedbedoeld racisme spatten je tegemoet. De Maori staat hier voor de mens die in harmonie met de natuur leeft en dus eigenlijk een beetje de natuur is die beschermd moet worden door overheidsdienaren die kennelijk geen Maori zijn, maar wel hebben doorgeleerd in de milieukunde. Het is een bedenkelijk kantje aan de rechten-voor-de-natuur-beweging dat gedekt wordt door het beleid voor inheemse volkeren van de VN.

Het ‘rechten-voor-de-natuur-denken’ maakt ondertussen ook bij ons school, lees ik in de krant. De 25-jarige milieujuriste Jessica den Outer wil met het project ‘Maas in de Wet’, net zoiets voor de Maas als eerder gelukt is bij de Whanganui-rivier: recht op vrij stromen, vrij van verontreiniging. Ze is blijkbaar een rijzende ster in haar kringen, maar laten wij ons niets wijsmaken. Haar inzet is niks anders dan een nieuw front voor het groene actiewezen en een bijdrage aan de verdere juridisering van de samenleving.

Door Bas van Horn, adviseur fysieke leefruimte en publicist

Deze column verscheen bij romagazine.nl op 11 mei 2021

participeren met een eigen agenda

Het worstcasescenario was een zonnig Pasen met hoge temperaturen. Alle ogen zouden zich richten op de drukte in Scheveningen en de overlast op en rond de paar honderd meter boulevard voor het Kurhaus. Hier botst het belang van horeca en middenstand al jaren op dat van de bewoners die best wat kunnen hebben, maar geen excessen accepteren. De media lagen traditiegetrouw vanaf begin maart in de bosjes om verslag te doen van mogelijke incidenten en om vervolgens een quote te halen bij een verontwaardigde bewoner.

Dit jaar zou het anders gaan, hoewel niemand een rimpelloos badseizoen had beloofd. Er was een Actieplan Scheveningen gemaakt waarin gemeente, politie en handhaving eendrachtig samenwerkten. Een plan waarin foutparkeerders werden weggesleept, staatracers aangepakt en intimidatie van vrouwen bekeurd. Primeur: ‘natte BOA’s’ gingen optreden tegen zeekiezende luchtbedkapiteins.

Het was een plan dat gepaard ging met participatie van ondernemers en bewoners. En toch stonden een paar van die bewoners bij het eerste vermoeden van voorjaar alweer in de krant met hun kant van het verhaal. Heel teleurstellend voor de participatiebegeleiders die nu juist gehoopt hadden ‘samen op te kunnen trekken.’ Het scheelde niet veel of uit frustratie was de bewoners gevraagd terughoudend te zijn in de pers, maar gelukkig kwam het zover niet. Zo gaat het dus vaker en zeker niet alleen in Scheveningen.

Een paar jaar geleden schreef ik samen met de directie Participatie van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het essay Participatie met hindernissen. Hierin staat dit fenomeen beschreven van participanten met een eigen agenda.

‘Burgers participeren niet om het probleem van de overheid te helpen oplossen’

Bij de gesprekken over de toekomst van de luchtvaart werd bijvoorbeeld duidelijk dat deelnemers soms niet wilden ingaan op en ook niet wilden kiezen bij stellingen of dilemma’s die vanuit de participatiebegeleiding waren neergelegd. Uit angst dat dit later in het politieke debat door het ministerie zou worden uitgelegd als acceptatie van de gekozen kaders en daarmee tegen hen gebruikt zou kunnen worden.

Voor sommige cynische bestuurders is participatie misschien niet meer dan een vinkje dat gezet moet worden, de meeste participatiebegeleiders proberen de omgeving oprecht en transparant ‘mee te nemen’ in besluitvormings- en uitvoeringsprocessen. Tegelijkertijd accepteren zij als loyale ambtenaren of inhuurkrachten de vooraf vastgestelde kaders van de opgaven. En daarin verschillen ze van sommige participanten.

Die participeren om het eigen belang naar voren te brengen. Niet om de dilemma’s van de overheid te helpen oplossen. Voor deze participanten is het participatietraject slechts één van de arena’s waarin hun belang verdedigd kan worden. Als de media het interessant vinden om het verhaal van de gekwelde inwoners van een badplaats voor het voetlicht te brengen, dan zullen ze dat verhaal doen. Dat is niet wat de overheid met participatie beoogt, maar het is wel een legitieme keuze.

Gelukkig werd het geen Pasen van zon en verhitte gemoederen. Het was guur en stil op de boulevard. Het ging zelfs nog sneeuwen. Ik ben benieuwd naar het weer in de meivakantie en de journalistieke verslagen van de eerste warme stranddagen.

Bas van Horn, speech- en tekstschrijver publicist

Deze column verscheen eerder op 16 april 2021 bij Romagazine.nl