Een groot en doelmatig nutsbedrijf

Wat gebeurt er als openbaar vervoer niet wordt gezien als markt, maar als nutsvoorziening? Een kleine observatie op metrostation Gein laat zien hoe hardnekkig oude patronen zijn bij het GVB – en waarom een terugkeer naar een trotse, doelmatige nutslogica misschien wel de meest radicale vernieuwing is.

De twee met de Cordaan-hesjes in het achterste treinstel kunnen er niet over uit. ‘Metro 54 vertrok zomaar opeens vanaf het verkeerde perron op eindstation Gein!’ Het zijn mannen met ‘afstand tot de arbeidsmarkt’ en erg gesteld op orde en voorspelbaarheid. Hun werkbegeleider, de enige zonder zwerfvuilknijper en vuilniszak, is minder onder de indruk. ‘Dat gaat al jaren zo’, mompelt hij. Dat klopt, zou ik hem bij willen vallen: al zeker bijna dertig jaar. Misschien dat Jaap Bierman er ooit verbetering in kan brengen.

Reizigers in het ongewisse

Marktwerking is al meer dan dertig jaar populair bij het uitvoeren van publieke taken. Toch is het GVB altijd het Amsterdamse openbaar vervoer blijven verzorgen al wordt er – net als elders in de G4 met uitzondering van Utrecht – winkeltje gespeeld via inbesteding.

Al zo lang wij nabij de eindhalte Gein van de Amsterdamse Oostlijn van de metro wonen – ongeveer achtentwintig jaar – geven de vertrekborden regelmatig verkeerde informatie, worden de geluidsbandjes die de haltes opsommen verkeerd ingestart of blijven reizigers bij verstoringen volledig in het ongewisse.

Toch is er veel verbeterd bij het bedrijf. Er is bijvoorbeeld een einde gemaakt aan bedrijfsonderdelen die als  ‘koninkrijkjes’ werden geleid en aan het oneigenlijk gebruik van werkplaatsen voor privéklussen en eigen bedrijfjes.

Een trots nutsbedrijf

De bedrijfscultuur waarin het GVB er in de eerste plaats is voor de GVB’ers zou op veel plekken al stevig zijn aangepakt. Toch is er nog steeds niemand die de metrobestuurder er op het eindpunt in Gein toe kan brengen naar zijn cabine te gaan als zijn koffie nog niet op is. De binnenkomende metro wacht ondertussen voor het station tot het spoor vrij is.

Je hoeft van het OV geen commerciële markt te maken om een goed functionerend nutsbedrijf te bouwen 

Een commerciële partij die het Amsterdamse OV lean, mean en klantvriendelijk zou maken, leek mij lang de enige manier om de metro op een voorspelbare en klantvriendelijke manier te laten functioneren, maar sinds het interview met Jaap Bierman in NRC van 7 januari zie ik dat het misschien ook anders kan.

Bierman is algemeen directeur van de Haagse HTM sinds 2014 en zal vanaf maart CEO zijn van staatsbedrijf Energie Beheer Nederland (EBN). In de krant blikt hij terug op zijn tijd bij HTM. Hij maakte een einde aan alle commerciële fratsen en bracht het bedrijf terug bij de kern: een nutsbedrijf in de ouderwetse, trotse zin van het woord. Een klantvriendelijk bedrijf dat mensen in Den Haag en omstreken van A naar B brengt. Niks meer en niks minder.

Meer woningen, meer OV

Wie snapt dat Nederland een stedelijk netwerk is met meer en minder dichte structuren van wonen, werken, recreëren en verblijven, weet ook dat je het OV in samenhang moet organiseren. Zeker als er een miljoen woningen bij moeten die grotendeels in de Randstad, Midden-Nederland en Noord-Brabant zullen komen.

Daarom heeft Bierman zich – met anderen – niet alleen met HTM beziggehouden, maar ook het landelijke betaalsysteem voor vervoersbewijzen en het bedrijf daarachter verbeterd. Daarnaast werd een functionerende branchevereniging voor alle aanbieders opgericht. Voor onderlinge samenwerking en afstemming, maar ook als sterke lobby naar de provincies die over het regiovervoer gaan en Den Haag dat over het nationaal niveau en het geld gaat.

Goed OV voor klanten en personeel

Bierman heeft laten zien dat je van het OV geen commerciële markt hoeft te maken om een goed functionerend nutsbedrijf te bouwen. Hij weet ook dat je – zeker in de Randstad – moet samenwerken om het OV voor klanten en personeel goed te laten functioneren. En dan ligt het voor de hand dat je HTM, RET en GVB op termijn laat fuseren.

Daar gaat nog veel aan vooraf, maar als toekomstbeeld lijkt Bierman er wel oren naar te hebben. Het scheelt in de kosten, geeft ruimte voor innovatie (heeft hij bij HTM laten zien) en rekent misschien eindelijk echt af met bedrijfsculturen die een goede dienstverlening nu soms nog in de weg staan. En wie weet geven de vertrektijdenborden op metrostation Gein dan wel de juiste informatie en zit de bestuurder (zolang die nog verplicht is) op tijd in zijn cabine.

Deze column verscheen op 12 januari 2026 op ROmagazine.nl

Weerkrachtig, ben jij het al?

Nieuwe overheidsfolders over noodsituaties roepen vooral hoongelach op, maar achter dat fluiten in het donker schuilt een serieus vraagstuk: wie kan zich daadwerkelijk voorbereiden, en wie valt buiten beeld?

Sinds de eerste geruchten over de campagne Denk Vooruit en de folder Bereid je voor op een noodsituatie van de NCTV regent het reacties die de boodschap ridiculiseren en weglachen. Er zijn verwijzingen naar de folder Wenken voor de bescherming van uw gezin en uzelf uit 1961 van de organisatie Bescherming Bevolking (BB). En natuurlijk naar de reactie van de eertijds beroemde schrijver Harry Mulisch: ‘Wenken voor de jongste dag’. Onder tafel kruipen tegen de atoombom: dat is lachen. Veel van dit soort reacties op weerbaarheidscommunicatie hebben een hoog ‘fluiten in het donker’-gehalte, maar sommige uitingen maken het er ook wel naar.

Het universum van Hoogheemraadschap van Delfland wordt blijkbaar vooral bevolkt door eigenaren van vrijstaande huizen met tuin 

De NCTV houdt het breed en wil dat we ons voorbereiden op noodsituaties in het algemeen, maar het is duidelijk dat ze oorlog bedoelen. We zijn immers niet in oorlog, maar het is ook geen vrede meer. Het Hoogheemraadschap van Delfland houdt zich bij de eigen leest en bracht als onderdeel van de campagne Klimaatkrachtig een folder uit met de titel Weerkrachtig, ben jij het al?

Delfland gaat over het water in een groot deel van de Zuidelijke Randstad: van Delft, Den Haag en Rijswijk tot Rotterdam; van Maassluis tot Vlaardingen; en van Pijnacker-Nootdorp tot Westland. Een dichtbevolkte agglomeratie met oude kernen, veel Vinex-wijken en stedelijke hoogbouw. Toch lijkt het universum van het hoogheemraadschap vooral bevolkt door eigenaren van vrijstaande huizen met tuin. Of meent men dat er in de flats geen probleem is als het water stijgt?

Een advies dat eigenlijk alleen de eigenaar-bewoners van benedenhuizen raakt 

Bewoners krijgen onder meer een tip die alleen de nautisch onderlegden iets zal zeggen: ‘Voorkom dat rioolwater je huis binnenstroomt door terugslagkleppen of een pomp te installeren.’ Iets dichter bij de belevingswereld van de meesten is het advies om ‘waterkerende schotten of zandzakken te kopen om je huis te beschermen tegen binnenkomend water’. Ook dit is een advies dat vooral eigenaar-bewoners van benedenwoningen raakt.

Voor diezelfde categorie zijn er ook tuintips: graaf ‘grindkoffers’ voor tijdelijke opslag van water, koppel de regenpijp af en leid het water naar een regenton voor gratis water en minder belasting van het riool. En voor de iets ruimer behuisden en de landgoedeigenaren: leg een wadi aan voor de opvang van overtollig water.

Een belangrijk advies dat alle categorieën bewoners treft, is dan juist weer erg aspecifiek: ‘Zorg dat je altijd snel en veilig je huis kunt verlaten en meerdere manieren weet om naar buiten te komen.’ Hier had iets kunnen volgen over het niet gebruiken van liften in flats en evacuatie via trappenhuizen en portieken. Over medebewoners die slecht ter been zijn en geholpen moeten worden, maar de evacuatie niet mogen belemmeren. Over burencontact dat essentieel is om samen door een moeilijke tijd te komen.

Nou ja, daar moet men in de Delflanden dan maar de folder van de NCTV op naslaan.

Deze column verscheen op 8 december 2025 bij ROMagazine.nl

Meer diversiteit meer frictie

We koesteren het beeld dat een diverse werkvloer of wijk vanzelf tot inclusie leidt. Maar onderzoek van het SCP laat iets anders zien: waar verschillen samenkomen, lopen spanningen op. Inclusie blijkt minder kumbaya en meer emancipatie.

Dat is de conclusie die het Sociaal en Cultureel Planbureau onlangs trok in een studie over diversiteit op de werkvloer. Mensen met een migratieachtergrond ervaren hun meer diverse werkomgeving helemaal niet als meer inclusief: integendeel. De spanningen nemen juist toe. Een contra-intuïtieve uitkomst, maar ook niet helemaal onverwacht. Hadden we iets dergelijks niet ook al vastgesteld bij gemengd wonen?

Verschillen in macht, cultuur en welstand 

De Heilige Graal van wijkkracht en sociale cohesie werd (en wordt) vaak gezocht in gemengde wijken. Soms moeten er welstandiger bewoners komen om een breder en diverser voorzieningenniveau mogelijk te maken of anders is het de smoes voor een dubieus verheffingsideaal waarbij de nieuwe buren het voorbeeld voor de buurt zijn. En los daarvan wordt een wijk als een afspiegeling van de samenleving als wenselijker gezien dan een buurt als een arme of rijke bubbel.

Maar net als op de gemengde werkvloer lopen de spanningen in de inclusieve buurt juist op. De dagelijkse confrontatie met verschillen in macht, cultuur en welstand blijkt tegenstellingen te versterken. Voor de werkvloer kan het SCP de leidinggevenden nog een belangrijke rol geven in het bespreekbaar maken en normeren van een cultuurverandering, maar in de wijk ligt dat ingewikkelder. Daar ontbreekt nu juist die normerende instantie, en dat is maar goed ook.

Kumbaya of: ‘ Wen er maar aan.’ 

Inclusie is immers geen zaak van goede bedoelingen maar van emancipatie. Dat geldt op de werkvloer en in de wijk. Een evenwichtiger samenstelling van teams en buurten leidt niet vanzelf tot meer wederzijds begrip en samenwerking, maar juist tot een zelfbewuster en assertiever opstelling van de ‘nieuwkomers’ en dus tot meer klachten en confrontaties.

Het SCP hoopt dat een goed geleid proces van cultuurverandering toch meer harmonieuze verhoudingen op kantoor en in de werkplaats zal brengen en dat de toegenomen frictie tijdelijk zal zijn. Dat eerste lijkt me ijdele hoop, maar dat laatste zou best eens kunnen. Geen ‘Kumbaya’ (zoekt u die maar op) dankzij goede bedoelingen van de leiding, maar ‘wij zijn hier, wij zijn zo: wen er maar aan’. Dat is emancipatie zoals het bij de baas en in de wijk werkt. En wat mij betreft is dat beter dan opgelegde inclusie.

Deze column verscheen op 17 november 2025 bij ROMagazine.nl

Geëngageerde rotondekunst

Rotondes zijn de theaters van de openbare ruimte: iedereen rijdt erlangs, niemand vraagt erom, maar ze krijgen allemaal een decorstuk cadeau. Soms een koe, soms een klomp cortenstaal, en heel soms — zoals in Amsterdam — een geëngageerd scheepswrak dat ons wijst op “de geopolitieke situatie”. Het is maar dat u het weet.

Kunst in de buitenruimte is regelmatig aanleiding tot discussie en controverse. Dit doorgaans tot tevredenheid van de kunstenaar en de selectiecommissie. De controverse geeft aan dat het ‘iets met ons doet’. Het ontregelt, stemt tot nadenken of plaatst ons zelfs buiten onze comfortzone. En dat is goed, is de gedachte. Maar het kan altijd erger. Daarover verderop in dit stukje.

Bij kunst in de buitenruimte kan de discussie gaan over heel verschillende dingen. Om te beginnen natuurlijk over het nut van kunst. Juist waar buitenkunst uitnodigt tot monumentaliteit wordt al snel de vraag opgeworpen of dat geld niet beter besteed had kunnen worden. Daarna is er de aard van de kunst. De een ziet een onbegrijpelijk roestig mikado in een sfeervol geoxideerde cortenstaalconstructie, de ander ergert zich wezenloos aan knullig geboetseerde lokale beroemdheden in brons.

Niet zozeer een subgenre, maar zeker een subcategorie wordt gevormd door de rotondekunst. Volgens wikipedia opgekomen met de randwegen rond steden en dorpen waar kruispunten werden vervangen door rotondes die het verkeer veiliger distribueerden over de verschillende lokale bestemmingen. Een fenomeen waarover het Rotondologisch Genootschap vaker en uitputtender publiceerde.

Waar de auto vertraagt, slaat de kunst toe 

Ruimtelijk ontstonden met de rotondes als vanzelf podia voor buitenkunst aan de entree van onze gemeenschappen. Podia voor de verbeelding van de lokale identiteit (koeien, visnetten, korenaren). Decoratieve rots- en groenpartijen met als nevendoel het tegengaan van onbedoeld rechtdoorgaand verkeer. Ten slotte bescheidener ingezaaide bloembedden die niet zelden een Wim T. Schippers-achtige uitstraling kregen met een spoor getrokken door een beschonken automobilist in de late zaterdagnacht.

Naast al deze verschijningsvormen is er ook de geëngageerde rotondekunst. Meest recente voorbeeld in deze categorie is het scheepswrak op een rotspartij, verrijkt met keramieken sculpturen, glazen lantaarns en gerecyclede objecten. Het staat of wordt geplaatst op de rotonde in de Seineweg te Amsterdam en symboliseert, aldus dagblad Het Parool, verleden en toekomst van het Amsterdams Westelijk Havengebied. ‘Het beeld verwijst naar maritieme beeldspraak, de huidige samenleving en de geopolitieke situatie’, zegt kunstenaar Hans van Bentem over zijn creatie in het persbericht. Wat leren we hieruit over kunst in de buitenruimte, in het bijzonder de rotonde? Hoedt U voor geëngageerde kunstenaars.

Bas van Horn

Deze column verscheen op 19 oktober 2025 bij ROmagazine.nl

De literaire woestijn

Boekhandels verdwijnen uit het straatbeeld, zeker buiten het centrum. De sluiting van de laatste literaire winkel in Amsterdam Nieuw-West roept nostalgie en cultuurpessimisme op. Maar hoe terecht is dat sentiment, en wat zegt het over lezen in de stad van nu?

Ze zijn er nog, de boekenliefhebbers die zweren bij de fysieke boekwinkel. Ontwikkelde lieden die graag eindeloos lang tussen de boekenkasten dwalen, her en der iets ter hand nemen, aan het verse drukwerk snuffelen en de boekverkoper om advies vragen of deze attenderen op een titel die een prominenter plaatsje in de winkel verdient. Sterker nog: ik heb ze onder mijn beste vrienden.

Soms, als niemand kijkt, gaan ze stiekem vreemd met Bol.com of Amazon of ze kiezen voor een luisterboek in Kobo Plus. Maar het liefst gaan ze naar de literaire boekwinkel. Ze zien in de boekwinkel niet zelden een steunpunt van beschaving in een ontlezende en verloederende wereld. Waarom ze advies vragen bij de winkelbediende – die onmogelijk veel gelezen kan hebben van wat er in de zaak staat – is een raadsel, behalve dan als blijk van solidariteit met de doorgaans zieltogende onderneming.

De aangekondigde sluiting van de laatste boekhandel in Amsterdam Nieuw-West, geldt dan al snel als de bevestiging van de aanstaande ondergang van het Avondland. De wijken van de voormalige stadsdelen Geuzenveld-Slotermeer, Osdorp en Slotervaart stammen uit de zestiger jaren en waren destijds de concretisering van het wonen met licht, lucht en ruimte voor de arbeidersklasse uit de oude binnenstad. Een plek van verheffing en ontwikkeling.

De aangekondigde sluiting van de laatste boekhandel in Amsterdam Nieuw-West geldt als de bevestiging van de aanstaande ondergang van het Avondland 

Nu is het een gebied met 166.000 inwoners, de omvang van een stad als Haarlem of Den Bosch en een sterk veranderde bevolkingssamenstelling. Inmiddels heeft 72 procent een migratieachtergrond. Voor de cultuurpessimist is een plus een dan al snel twee, maar een genuanceerd artikel in NRC legt toch wat andere accenten.

Om te beginnen moest de boekhandel het toch al nooit van de literatuur hebben, maar van praktische boeken als reisgidsen, almanakken en woordenboeken. Allemaal papier dat niemand meer in huis haalt als het al gedrukt wordt.

En als het gaat om de veranderde bevolkingssamenstelling dan weet de boekhandelaar uit het artikel dat Marokkaanse meiden graag lezen, maar dan wel Engels. Uitgaven die zich onttrekken aan het wonderlijke Hollandse fenomeen van de vaste boekenprijs en waar dus voor de boekwinkel niets te verdienen valt.

Grootste aandeel in de malaise heeft natuurlijk het internet. Waar de trouwe papierlezers nog niet uitgestorven waren, werden de lettertjes voor velen definitief te klein. En toen de winkel dicht was tijdens corona ontdekte het resterende publiek alsnog het gemak van het webwinkelen.

Daar kunnen geen steunacties, crowdfundingoperaties en vrijwillige winkelcollectieven van ware liefhebbers tegenop. Een gebaar als dat van de bekende Atheneum boekhandel aan het Spui in Amsterdam heeft zelfs iets aanmatigends. Atheneum (Griekse godin van de wijsheid en krijgskunde) begon een dependance in winkelcentrum Amsterdamse Poort in de Bijlmer. Cultuurbrengers in de buitengebieden.

Alleen voor wat niche-zaken of groente- en vleesjuweliers in betere buurten is er nog toekomst achter de toonbank 

Het is een beetje als het gedweep met de buurtwinkel. Iedereen is er fan van, maar niemand koopt er meer wat tenzij we opeens zonder koffie of toiletpapier zitten. Sinds de zelfbedieningswinkel uit de VS kwam overwaaien, doen we allemaal onze boodschappen bij de supermarkt en daar is eigenlijk niks mis mee.

Alleen voor wat niche-zaken of groente- en vleesjuweliers in betere buurten is er nog toekomst achter de toonbank. De rest is nostalgie. Zelfde verhaal in de horeca. Je kunt nog zo’n sympathieke zaak hebben, maar als je de kok en de kelner niet meer normaal kunt betalen, is er kennelijk geen businesscase.

Een boekwinkel is een winkel, een onderneming in bedrukt papier. Je kunt proberen daar een community omheen te bouwen met voordrachten en een leesclub, maar uiteindelijk is het kleine middenstand dat er gewoon mee op moet houden als het niet meer rendeert. Dat is ook helemaal niet erg, want (digitale) oases zijn er zat in de literaire woestijn. Of het nu gaat om online boekwinkels, podcasts, vlogs, blogs of substacks, er is voor ieder wat wils. Behalve dan voor de boekensnob die zijn boekhandelaar nog graag eens een tip geeft over een meesterwerk dat een prominenter plaatsje in de etalage verdient.

Deze column verscheen bij romagazine.nl op 18 augustus 2025

Liefde voor de natuur

Als ik dit schrijf heb ik net een tas ingepakt voor een lang weekend Oerol. Het locatiekunstenfestival dat al sinds 1981 ieder jaar half juni op Terschelling wordt gehouden, is het grootste in heel Europa. Het festival viert de locatie als onderdeel van de theater-, dans en andere voorstellingen overal (Oerol) op het eiland. Op festivalterreinen, aan de haven, in boerenschuren, maar vooral in het duin, in het bos en aan het strand. Geen wonder dat veel voorstellingen gaan over de relatie mens en natuur. De makers hebben daar doorgaans geen al te zonnige kijk op. De mens is de boosdoener, de natuur het slachtoffer. Maar er bestaat ook een ander soort liefde voor de natuur. Het wordt tijd dat het festival daar eens iets mee doet.

In veel voorstellingen, performances en installaties op Oerol gaat het over de teloorgang van de natuur, de mens en de aarde. Dat hoeft niet altijd een treurigstemmende aangelegenheid te zijn. Het kan ook mooi, indrukwekkend, ironisch of hilarisch uitpakken. Zo heb ik enkele jaren geleden eens meegelopen in een begrafenisstoet voor het laatste Gentiaanblauwtje. Een zeldzaam vlindertje dat de pijp aan Maarten gaf.

De natuur is hier steeds ‘de zwakste van de samenleving’. Een kwetsbaar belang dat altijd het onderspit delft tegen het grote geld of de hebzucht van de mens. In dit universum houden korenwolven, rugstreeppadden en vleermuizen geen huizen of wegen tegen. Flora en fauna vinden hun bescherming slechts bij de zachte krachten die hun stinkende best doen om te behouden wat ze kunnen.

Er zijn ook mensen die op een andere manier van de natuur houden. Denk aan bergbeklimmers, mountainbikers, jagers, vissers en liefhebbers van terreinrijden met een 4×4. In hun wereld is de natuur niet de zwakste schakel, maar juist een indrukwekkende kracht om je mee te meten. Op de hoogste top, in het diepste woud of langs een bulderende branding.

Vooral in die laatste categorie staat Terschelling zijn mannetje. Het eiland kent de hoogste Landroverdichtheid van heel Nederland. En dan hebben we het nog niet over al die andere 4×4 wagens en voormalig defensiematerieel dat hier rondrijdt. Inmiddels is het gebruik strak gereguleerd, maar van oudsher heeft iedere zichzelf respecterende eilander een 4×4 om bij gierende storm het strand mee op te gaan. Om te jutten wat aanspoelt aan overboord geslagen lading, maar zeker ook om de kracht van de elementen te ervaren. Om te voelen hoe jouw jeep het stuivend duin trotseert en het zoeklicht het duister doorboort.

Ook dat is, met een beetje goede wil, liefde voor de natuur. Of beter: respect voor de kracht van de natuur die je wilt kunnen beheersen. Zo leest een jager het veld, kent de visser het water en wat erin zwemt en voelt de terreinrijder feilloos hoe het zand zich gedraagt onder zijn wielen. Het is een wat Bijbelse natuurliefde die uit de mode is geraakt, maar nog altijd veel mensen weet te bekoren. Zeker op Terschelling.

En omdat het Oerolfestival de inclusiviteit hoog in het vaandel heeft, lijkt het me een goed idee om ook deze liefde voor de natuur een plekje te geven in de programmering. We vragen Terschellinger eigenaren van terreinwagens om tijdens het festival tegen de schemer een paar keer met hun 4×4 naar het strand te komen. We kiezen een aansprekende opstelling en ontsteken als het donker is op een afgesproken teken alle lichten. Het publiek ziet vanaf de duintoppen een paar minuten een stil spektakel. Dan keert het duister terug.

Als er onder de lezers van deze fantasie programmeurs van het festival zijn – het lijkt me niet waarschijnlijk – dan mogen ze deze column best opvatten als een pitch voor een komende editie van Oerol.

Deze column verscheen op 13 juni 2025 bij romagazine.nl

Stadsrand onder hoogspanning

Zware schoenen met grote, gekartelde haken eraan. Die sloeg de monteur van het provinciaal elektriciteitsbedrijf om de houten elektriciteitspaal op de dijk om vervolgens voor onderhoud of reparatie omhoog te lopen naar de elektriciteitsdraden en de porseleinen isolatoren boven in de mast. Een spectaculaire aanblik, ik zie het nog zo voor me.

Nu hebben we nergens meer van die palen om huishoudens van stroom te voorzien. Alles ligt tegenwoordig ondergronds. Dat geldt niet voor de hoogspanning, die wordt nog altijd bovengronds via ijzeren torens gedistribueerd. En van die Gustave Eiffel-achtige constructies komen er steeds meer omdat we de samenleving verregaand willen elektrificeren. Heel soms gaan ze ondergronds. Kan dat niet vaker en uiteindelijk altijd?

Landelijk elektriciteitsnetwerkbeheerder Tennet heeft langs de zuidoostrand van Amsterdam vier zoekgebieden aangewezen waar rond 2034 een nieuw hoogspanningsstation van 25 hectare moet komen, lees ik in Het Parool. In het groen tussen Diemen en Weesp roept het begrip zoekgebied geen fijne associaties op. We zijn hier al ruim voorzien van kansrijke zoekgebieden voor windturbines en nu komt daar het zoeken naar een plekje voor een hoogspanningsstation van 400 bij 500 meter (vijf voetbalvelden) bij. Het is de bedoeling een open hoogspanningsstation te bouwen. Overdekt kan ook, maar dat is lastiger in het onderhoud en duurder.

In de buitengebieden van de stad zijn we steeds de klos 

Bij het te bouwen hoogspanningsstation hoort ook een rij hoogspanningsmasten van zo’n vijftig meter hoog om verbinding te leggen met de hoogspanningsleiding die nu al door het Diemerbos loopt. Alles voor de energietransitie en daar zijn we natuurlijk voor. Zeker nu er door netcongestie op sommige plekken al geen nieuwe woningen meer op het net aangesloten kunnen worden en we waarschuwingen krijgen voor mogelijke black-outs. Jammer alleen dat wij in de buitengebieden van de stad steeds de klos zijn. Want ook in Amsterdam-Noord en -West moet men rekening houden met dergelijke nieuwe hoogspanningsstations met bijbehorende masten op de plekken die ook al kansrijk zijn voor extra windturbines. Het zou me niet verbazen als hetzelfde verhaal opgaat voor de periferie van andere steden in ons land waar we allemaal heel veel meer stroom gaan gebruiken.

Nu zijn wij in de buitengebieden de beroerdsten niet en bovendien zeer begaan met de wereld en de stroom uit het stopcontact. Of laat ik voor mijzelf spreken: ik zie een deal. Doe ons dat hoogspanningsstation, maar dan wel in een dichte doos en ‘verkabel’ de hoogspanningsleidingen. Dat laatste is jargon voor het ondergronds brengen van de hoogspanningsleidingen in plaats van nieuwe masten in het landschap. Dat kan, het gebeurt ook al op een aantal plaatsen, maar het is technisch lastig en dus twee keer zo duur als leidingen in de traditionele masten. Dat kan de energietransitie er niet nog eens bij hebben, zou je kunnen denken maar dat lijkt me kortzichtig.

Meer druk om ondergronds te gaan zal innovatie stimuleren en de extra kosten omlaag brengen 

We gaan voor de tweede, grote elektrificatie – na die van einde negentiende eeuw – omdat we heel veel meer duurzaam opgewekte stroom gaan gebruiken en daarvoor een totaal vernieuwde infrastructuur nodig hebben. Het kan niet zo zijn dat we die gaan realiseren door de gebieden rond de stad te degraderen tot energielandschappen met masten uit de tijd dat de Eiffeltoren werd gebouwd en de steden hun elektrisch licht kregen.

Meer druk om ondergronds te gaan zal innovatie stimuleren en de extra kosten omlaag brengen. Dat ons land ooit heeft volgestaan met doorhangende stroomdraden tussen ijzeren torens kan snel een herinnering zijn. Net zoals die houten palen waarin een onderhoudsman van de provincie met klimijzers naar boven klom.

Deze column werd op 27 mei 2025 geplaatst bij romagazine.nl

Datsja, de tuin als toevluchtsoord

Voor de Russen is er altijd nog de datsja. Oorlog, hongersnood of bizar beleid; dat in de vorige eeuw niet nóg veel meer mensen omkwamen dan er zijn omgekomen, is te danken aan de datsja. Over een dergelijk sterk trackrecord beschikken onze volkstuinen niet, maar dat doet niets af aan het gevoel van veiligheid dat we er als tuinders in deze onzekere tijden aan ontlenen.

De Rus vertrouwt in laatste instantie op zijn landje buiten de stad en het (land)huis of huisje dat hij daar heeft. Hier verbouwt hij zijn uien, aardappelen, bieten en kool, hier kruipt hij bij de kachel en vergeet zijn zorgen. Volgens online bronnen houdt ongeveer 45 procent van de Russische stedelingen op deze manier contact met moeder aarde en gepaste afstand tot de overheid.

Onze volkstuinen zijn geen datsja’s en het gezamenlijk oppervlak van de akkers met opstal blijft in onze streken, voornamelijk dankzij woningbouw en verstedelijking, gestaag afnemen. Het jongste cijfer dat ik kan vinden is van 2017 en bedraagt een slinkende 3.608 hectare. Nogal wat tuinders op de meer dan 240.000 volkstuinen die ons land telt, projecteren hun overlevingsfantasieën in deze ongewisse tijden echter op hun tuin en tuinhuisje. Net als de Russen,

Op steenworp afstand van de stadse woning en de wereld, voelt de tuinder de essentie van het bestaan 

Als er thuis al geen voorzieningen zijn, dan staan er op de tuin in ieder geval een radiootje, een watertank en een houtkacheltje paraat. Sommigen koesteren een antiek petroleumstel, anderen zweren nu al bij de oude olielamp waarvoor zowaar nog een originele canvas pit verkrijgbaar bleek. Boeken die nog gelezen moeten worden, liggen op een plankje onder het balkenplafond en het vallen van de avond wordt niet voor de TV beleefd, maar op het bankje voor het huisje. Hier, op steenworp afstand van de stadse woning en de wereld, voelt de tuinder de essentie van het bestaan.

Ondertussen zijn de klassieke ‘zwarte aarde telers’ met een productietuin veruit in de minderheid en kweken de meeste recreatietuinders slechts wat exotica omdat de sla en sperziebonen in het seizoen ook voor een paar dubbeltjes in de supermarkt liggen.

Wie tuiniert met het oog op oogst, leert nederigheid. Bij vrijwel iedereen die wel eens iets heeft geprobeerd te verbouwen, groeit het respect voor de boer en zijn oogsten. Wij bakken er doorgaans maar weinig van. Deels door zelfopgelegde beperkingen van ecologische aard, deels door onkunde. Beide kunnen we ons permitteren zolang we niet van de opbrengst hoeven leven.

Wie tuiniert met het oog op oogst, leert nederigheid 

Dat weerhoudt ons er niet van te dromen dat ons op de tuin niks kan overkomen. Die illusie delen we met de Russen die misschien net iets meer reden hebben om te vertrouwen op hun tuin en buitenverblijf wanneer ze zich daar wegens onvoorziene omstandigheden terug zouden moeten trekken.

Deze column werd op 15 april 2025 gepubliceerd bij romagazine

De gewillige opschorting van de feiten

Meer dan veertig jaar geleden was ik lid van een leesclubje. We lazen Richard Sennett’s The Fall of Public Man. Een lofzang op de stedelijke publieke ruimte van de achttiende eeuw waar mensen (mannen) van alle rangen en standen met elkaar spraken en discussieerden op pleinen in theaters en koffiehuizen en hoe dat teloor was gegaan in onze moderne steden.

In The Performer, Sennett’s nieuwste boek – hij schrijft immers nog altijd – komt het allemaal weer langs. Het theater van het publieke domein is nu eenmaal zijn thema. In de kunst, de muziek en de politiek zijn we in zijn visie altijd acteurs en toeschouwers tegelijk en dat heeft een voor iedereen toegankelijk ‘theater’ nodig.

Vanzelfsprekend valt in dit verband de naam van Trump, maar dat lijkt bijzaak. Sennett’s kader is de vernieuwende muziekpraktijk en de experimentele dans van zijn jeugd die midden in de samenleving stond. Het boek wil handvatten geven hoe de ‘opgesloten’ cultuur van nu te bevrijden uit de entertainmenttempels en het denigrerende brengen van ‘moeilijke’ kunst naar de mensen. En dat dan vanuit de kunsten zelf, maar evenzeer vanuit architectuur en stedenbouw.

Sennett trakteert ons op zeer erudiete en intellectuele beschouwingen over de geschiedenis van de scheiding tussen straat en theater (en hoe dat mogelijk weer bij elkaar kan komen), maar ook op uiteenzettingen over de kwaadaardige kanten van de publieke ruimte als podium.

Hij staat onder meer stil bij het fenomeen van de willing suspension of disbelief, de gewillige opschorting van het ongeloof. Een verschijnsel, voor het eerst benoemd in de Romantiek toen het geloof onder druk leek te komen door de wetenschap. Een staat waarin groepen in staat blijken te geloven wat helemaal niet kan en veel radicaler of zelfs gewelddadiger optreden dan ze als individuen zouden doen. Vooral wanneer de werkelijkheid ongemakkelijk is en pijnlijker wordt naarmate men zich verder heeft laten meeslepen.

Veel Capitool-bestormers leken zichzelf te zien als acteurs in een toneelstuk, deelnemers aan een symbolische actie 

Sennett geeft voorbeelden uit bekende opera’s en toneelstukken, de Franse Revolutie en de bestorming van Het Capitool. Behalve de initiatiefnemers die planmatige voorbereidingen troffen, leken veel Capitool-bestormers zichzelf te zien als acteurs in een toneelstuk, deelnemers aan een symbolische actie. Pas bij de confrontatie met de aanklacht van serieuze strafbare feiten, werd de betovering verbroken en was er grote verongelijktheid, tot Donald Trump ze gratie verleende.

Alledaagser en gelukkig niet gewelddadig lijkt een Haags voorbeeld van opschorting van de feiten bij een ongemakkelijke waarheid. Het is het hardnekkige verhaal van de frauderende invaliden en hun parkeerplaatsen in de Schilderswijk. Toegegeven: het helpt niet dat corrupte ambtenaren een aantal jaren geleden werden gesnapt met een lucratieve handel in parkeervergunningen, maar in de jongste ophef rond de wildgroei aan blauwe parkeerborden in de Trooststraat en omgeving zijn vooral de invaliden zelf de verdachten. In de verhalen rijden kwiek lopende bestuurders van invalidenplaatsen weg en staan dure racewagens te shinen op de afgekruiste parkeerplekken. Bewoners eisen herkeuringen en een verdere begrenzing van de invalidenprivileges.

Het sentiment is dat uitgekookte strompelaars  in de Haagse Schilderswijk de naïeve gemeenteambtenaren om de tuin leiden 

En dat terwijl iedereen weet dat geen parkeerplaatsen worden verstrekt zonder Europese invalidenkaart waarvoor een medische keuring nodig is. Ook is best te snappen dat mantelzorgers chaufferen in plaats van hun schutterende zorgcliënten. Anders duurde het nog langer en stond de straat altijd vast met de busjes van het gehandicaptenvervoer.

Toch is het sentiment dat uitgekookte strompelaars de naïeve gemeenteambtenaren om de tuin leiden en er zo voor zorgen dat er voor de gewone buurtbewoner geen parkeerplekje overblijft. Hoe kan de buurt anders zo vol blauwe parkeerborden staan? Dat die borden vooral tonen dat de mensen hier niet alleen jaren korter leven dan elders in Den Haag maar bovendien aanzienlijk minder gezonde levensjaren tellen, is een te wrange constatering. Dan is het kennelijk prettiger te geloven dat men tussen sjoemelaars woont.

Deze column werd geplaatst bij Romagazine.nl op 17 maart 2025

Parallelle Universa

Op 1 februari 2025 presenteerde de Haagse wethouder Robert van Asten tijdens het eendaagse Festival van de Toekomst de concept omgevingsvisie Thuis in een groene metropool aan zee. Een integrale blik op de toekomst van de groeiende stad in 2050. Een groene en gezonde toekomst, met woningen, werk, onderwijs en voorzieningen. Een bereikbare stad, ondanks de groei, dankzij ruimte voor de fiets, de voetganger en het openbaar vervoer. De auto doet een stapje terug.

Die keuze voor een meer bescheiden plek voor de auto werd al in 2019 gemaakt. Het stond beschreven in de Hoofdlijnenbrief mobiliteitstransitie en werd bevestigd in de Strategie Mobiliteitstransitie 2022-2040.

Om die strategie te kunnen maken voerde de gemeente meer dan duizend gesprekken met bewoners, experts en ondernemers. Die gesprekken maakten duidelijk dat de mobiliteitswensen van wijk tot wijk verschillen, maar iedereen vond verkeersveiligheid belangrijk. Er moest meer ruimte zijn voor voetgangers, fietsers en toegankelijk en betaalbaar openbaar vervoer. Met de deelauto wisten de ondervraagden het zo net nog niet.

Met de Haagse Mixer de boer op over de toekomst van de stad 

De Strategie Mobiliteitstransitie werd een belangrijke onderlegger voor de concept omgevingsvisie. Ook voor deze visie werden bewoners, ondernemers, scholieren en bezoekers uitgebreid bevraagd. Verhalen en toekomstdromen van heel verschillende Hagenaars en Hagenezen werden verzameld in de bundel Haagse Mensen. Met het instrument ‘Haagse Mixer’ kregen verschillende doelgroepen de kans om de ambities van de Omgevingsvisie te prioriteren. Ambtenaren gingen de stad in met een schuifpaneel en vroegen ouderen, jongeren en andere doelgroepen welke ambities voor hen meer of minder belangrijk zijn.

De enquêteurs stonden op het Stadmakersfestival, het congres Den Haag Inspireert en de Dag van de Architectuur. Om ook de gewone Hagenaar te bereiken kwam de gemeente met het schuifpaneel naar de Haagse markt, het Zuiderpark en de Haagse Hogeschool. Al die enthousiaste participatie kreeg z’n beslag in de concept-omgevingsvisie die op 1 februari in de Fokkerterminal ten doop werd gehouden omlijst met tal van (omgevings-)thematische activiteiten voor jong en oud.

Wie aan de parkeerplaatsen voor de deur komt, krijgt de wind van voren 

Maar al die tijd bestond er ook een andere werkelijkheid in Den Haag. Die van de Hagenaars en Hagenezen die de Haagse groei naar 600.000 inwoners op de korte termijn en mogelijk 673.800 in 2050 helemaal niet willen accepteren. Mensen die nog niet dood gevonden willen worden in bus of tram, laat staan op een fiets. Inwoners voor wie mobiliteit het bedrijfsbusje of de luxewagen voor de deur is. Wat zeg ik? Wel drie, vier of meer, vergunde voertuigen per adres. En wie daar paal en perk aan wil stellen, kan de wind van voren krijgen. Zo is het ook steevast hommeles wanneer parkeerplaatsen dreigen te sneuvelen voor een fiets- en voetgangervriendelijker inrichting van straten. Waar pollers (zelfrijzende verkeerspalen) verschijnen voor verkeersveiligheid of schonere lucht zijn de vele ongelukken (horrorpoller!) een godsgeschenk voor de tegenstanders.

Om nog maar niet te spreken van de Zero Emissiezone die van de binnenstad naar de kust zou moeten oprukken om de lucht schoner te maken en de flora van de duinnatuur te beschermen. Onder het protest van Scheveningse ondernemers is de Scheveningse Haven al uitgezonderd van de uitgebreide Zero Emissie Zone, maar blijft het gebied wel Milieuzone. Een titel met een milder regime. Als het college de besluitvorming over deze kwestie overleeft, dient het volgende zich aan.

Na gedoe over de benodigde ondersteuning en de erkenning dat een referendum over het parkeerbeleid referendabel is – komt er toch een raadgevend referendum over het parkeerbeleid. Niet over wel of niet uitbreiden van betaald parkeren, maar iets veel ingewikkelders. Iets met parkeerdruk en draagvlak die wel of niet zouden mogen meewegen bij de uitbreiding van betaald parkeren.

En, uiteindelijk is er een gemeenteraad die beslist 

Er is al gegrapt over het legendarische CDA-congres waar een kleurenblinde voorzitter hopeloos verstrikt raakte in de groene en rode stembriefjes. Groen voor de tegenstanders en rood voor de voorstanders. Met een glansrol voor Camiel Eurlings die in onverstaanbaar Limburgs zijn aanhankelijkheid aan de partij betuigde.

Hoe het ook zij, na alle mobiliserende participatie, het gechicaneer in de raad, op straat en in de media en na het referendum is er gewoon de gemeenteraad die beslist. Een beslissing die over meer zal gaan dan uitbreiding van het betaald parkeren in Den Haag.

Deze column verscheen op 11 februari 2025 bij ROmagazine.nl