Maak Marcel minister

Marcel Levi is nu een half jaar voorzitter van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Als het hem wordt gevraagd, meldt hij graag minister te willen worden in een volgend kabinet. Minister van onderwijs en wetenschap waarschijnlijk, maar wel een die vindt dat je best een mening mag hebben op terreinen waar je niet per se over gaat. Volksgezondheid en pandemiebestrijding bijvoorbeeld of klimaatbeleid. Als Martin van Rijn zonder problemen kon invallen bij Rutte III dan kunnen ze Marcel Levi in de nieuwe ploeg toch wel voor vast aannemen, ook al is hij belijdend lid van de PvdA?

Tegen het cv en de branie van Levi kan niemand op. Hij is gevierd internist en voormalig AMC-bestuurder. Hij was manager van een hele reeks Londense ziekenhuizen in de hectiek van de pandemie en sprong zelf bij op de IC. Nu is hij NWO-voorzitter die zich met zijn notoire ongeduld heel snel zal gaan vervelen. Hij slaapt maar een uurtje of vier, vijf per nacht. Zodra zijn verkering zegt dat ze hem te weinig ziet, is het uit, zegt hij in een interview in Volkskrant Magazine. Hij is meestal single en vindt dat prima. Ideaal profiel voor een minister.

Zijn welhaast ouderwetse wetenschapsoptimisme en hang naar ingenieursnuchterheid zijn een verademing


Wat ook erg voor Levi pleit is zijn resultaatgerichtheid. Dat je je best gedaan hebt, is in zijn ogen geen reden tot complimentjes en geen excuus voor falen. Een instelling waar hij zich niet populair mee maakt in woke en gevoelige universiteitskringen. Zijn welhaast ouderwetse wetenschapsoptimisme en hang naar ingenieursnuchterheid zijn een verademing. ‘Een frisse wind’, meent wetenschapsjournalist Marcel Hulspas op twitter.

Dat lijkt mij nu ook. Hij snapt best dat olivijn en basalt vergruizen en uitstrooien in de oceaan niet morgen het klimaatprobleem heeft opgelost, maar hij vindt het wel een originele en vruchtbare denkrichting. Beter dan de verbeten inzet op wereldwijde gedragsverandering en gescheiden inzameling van afval die er toch niet van gaan komen. Het is wetenschappelijk, nuchter en uitvoerbaar. Kom daar nog eens om.

Het is hoog tijd dat iemand weer eens uitlegt hoe het ook alweer zat. Met empirische wetenschap die bij herhaling van onderzoek en in echte review overeind blijft. Met het resoluut rechttrekken van rivieren om ze bevaarbaar te maken en het water af te voeren naar zee, met gezondheid dankzij schoon water, volkshuisvesting, hygiëne en penicilline. Met de voedselrevolutie dankzij ruilverkaveling, kunstmest, standaardisatie, mechanisatie en gewasveredeling. Met alles dat de Verlichting ons gebracht heeft en nog kan brengen. Het overleven van de klimaatcrisis en de wereldbevolkingspiek voor ze weer gaat dalen bijvoorbeeld.

Het is hoog tijd dat iemand weer eens uitlegt hoe het ook alweer zat


Nou ja, dat is misschien een beetje veel voor één minister, zelfs als hij Marcel Levi heet. Maar een minister die met enig gezag tegengas geeft aan het cultuurpessimisme, de eco-nostalgie en het politiek opportunisme, is meer dan welkom. Iemand die met wapperende jaspanden op een nieuw sluizencomplex of dijklichaam in de verte kan wijzen. Maak Marcel minister!

Wie wordt blij van blije plekken?

Groen is gezond, want mensen in een groene omgeving zijn fitter en gezonder. Een no-brainer voor hedendaagse architecten en stedenbouwers. Daar komen nu de blije plekken (Happy Places) bij, want: “de invloed van de gebouwde omgeving op de mentale gezondheid is veel groter dan gedacht”, aldus de kop van een artikel op www.gebiedsontwikkeling.nu van de TU Delft. Zo geeft gebiedsontwikkeling zichzelf een prominente rol in de bevordering van gezondheid en geluk. Er zit vast wat in (ik wil geen wetenschapsontkenner zijn) maar er valt ook wel op af te dingen.

Er is veel onderzoek dat aantoont dat mensen in een groene wijk beter gedijen dan in een versteende omgeving. Ze bewegen meer, voelen zich fitter en hebben minder gezondheidsklachten. Of daarmee oorzaak en gevolg gegeven zijn, staat nog te bezien. Het voorbeeld van een grote stadsuitbreiding als de Amsterdamse Bijlmermeer heeft in het laatste kwart van de vorige eeuw al laten zien dat ook over een no-brainer beter nog eens nagedacht kan worden. In het megaproject bezuiden de stad Amsterdam werd een Le Corbusier-achtig stadsdeel gebouwd voor de Amsterdamse middenklasse. Honingraatflats combineerden een hoge bevolkingsdichtheid met een geraffineerd spel van zichtlijnen over groen en waterpartijen. Het verkeer was verbannen naar doorgaande hoge dreven en de groene tussenruimte bood volop veilige gelegenheid aan fietsers en wandelaars.

‘Er is veel onderzoek dat aantoont dat mensen in een groene wijk beter gedijen dan in een versteende omgeving’


Vervolgens werd Suriname onafhankelijk en de rest is geschiedenis. Of iets minder kort door de bocht: de migratie moest worden opgevangen en op wat autochtone ‘Bijlmer-believers’ na, gaf de Amsterdammer uit de verloederde wijken vervolgens de voorkeur aan de nieuwbouw in Almere, Purmerend en Hoorn. In de Bijlmer ging uiteindelijk een groot deel van de honingraatflats tegen de vlakte ten gunste van traditionele eengezinswoningen met de auto voor de deur.

Sporten omdat je gezond bent

Er valt te twisten over de vraag of de Bijlmer is mislukt door een ongelukkige samenloop van historische omstandigheden of ten onder ging aan een maakbaarheidsidee dat niet opgewassen bleek tegen de werkelijkheid. Aan het groen in de wijk of de stimulans tot bewegen van de parkachtige omgeving heeft het niet gelegen. De Bijlmer liet zien dat stedenbouwers, landschapsontwikkelaars en verkeerskundigen het afleggen tegen sociaaleconomische en -culturele gegevenheden met alle gevolgen voor gezondheid en geluk van dien.

Nu is de Bijlmer maar een casus en van casuïstiek moeten we het uiteindelijk niet hebben. Nee, er zijn heel wat groene stadswijken te noemen waar je prettig leeft, beweegt en gemiddeld een stuk gezonder af bent dan elders. Maar zijn dat niet net de wijken die toch al aantrekkelijker waren en dus hoger opgeleide mensen trekken die gemiddeld significant gezonder zijn? En zelfbewuste, gezonde mensen doen aan sport en bewegen. Want voor wie gezond is en ‘prettig in zijn vel zit’ zijn sport en bewegen plezierig met als bonus het gevoel dat het allemaal eigen verdienste is.

Voor minder gezonde mensen in die andere wijken voelen sport en beweging onveilig en helemaal niet prettig. Het is veeleer een zoveelste confrontatie met eigen onvermogen bovenop die van de dagelijkse ervaring zonder sport. Kortom: sporten doe je omdat je gezond bent, niet omdat je er gezond van wordt.

Mentale gezondheid en gebiedsontwikkeling

Hiervoor ging het nog vooral over het fysiek welbevinden in relatie tot de gebouwde omgeving. In de Amerikaans onderzoeken – waarover Jasper Monster het heeft op gebiedsontwikkeling.nu – gaat het met name om de mentale gezondheid. Ook in Nederland ontdekken onderzoekers het thema inmiddels voor afstudeerscripties. Verschillende Amerikaanse onderzoeken trekken, volgens Monster, dezelfde conclusie: de invloed van gebiedsontwikkeling op de mentale gezondheid van gebruikers van die omgeving is veel groter dan altijd gedacht. De cijfers voor depressie en angststoornissen liggen voor bewoners van dichtbevolkte steden veel hoger dan voor mensen daarbuiten.

‘De invloed van gebiedsontwikkeling op de mentale gezondheid van gebruikers is óók groter dan gedacht’


Het is jammer dat Monster niet aangeeft waarmee die dichtbevolkte steden dan wel zijn vergeleken, want juist de grote Amerikaanse opiatencrisis – massale verslaving aan pijnstillers en kalmeringsmiddelen – begon bij de witte inwoners van het verarmde platteland om pas daarna uit te breiden naar met name de zwarte binnenstedelijke bevolking.

Hoe dan ook, er is sprake van groot geestelijk lijden en een mooie opdracht voor gebiedsontwikkelaars, stedenbouwers en architecten. Wat in de gebouwde omgeving zorgt dan, volgens de onderzoekers, voor die grootstedelijke mentale stress? Om te beginnen het gebrek aan groen waaraan wij als gevolg van onze biologische afstamming behoefte zouden hebben. En dan natuurlijk drukte, geluidsoverlast en luchtvervuiling.

Safe Spaces Happy Places?

Daarnaast speelt het gebrek aan een ‘verhaal’ dat ons helpt de omgeving te lezen en door de ruimte te navigeren. Zo zou klassieke laagbouw beter passen bij onze ‘menselijke maat’, geeft een afwisselend straatbeeld houvast en past klassieke symmetrie beter bij de herkenningsfuncties van ons brein.

De grote spiegelende vlakken van de grootstedelijke hoogbouw bieden niet die menselijke maat, dat houvast en die herkenning. Hierdoor gaan de ogen en het brein dwalen en verzwakt de sociale interactie in het publiek domein. En dat is weer slecht voor de buurtbinding en de kansen op het welslagen van buurttuintjes en andere bewonersinitiatieven. Omgevingen waar dit soort stressfactoren en distracties doelbewust zijn uitgebannen, worden in Amerika ondertussen Happy Places genoemd.

De actieagenda voor de Happy Places komt natuurlijk erg bekend voor. Het is de agenda van de hippiemoeder aller progressieve stedenbouwers: Jane Jacobs. Het ideaal van het inmiddels ruimschoots gegentrificeerde Williamsburg en andere plekken waar jonge progressieven neerstreken te midden van de crisis en afbraak in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Om er kunst te maken in leegstaande werkplaatsen, groente te verbouwen op braakliggend terrein en te wonen in de oude symmetrische huizen met een stoep ervoor.

Die beweging heeft veel goeds gebracht, maar is nu nauwelijks nog een toekomstgerichte agenda te noemen. In de gedaante van de Happy Places gaat ze zelfs een beetje zeuren en claimen. Alsof er een recht op een stressvrije stad bestaat. Daarin zijn de Happy Places het zusje van de Safe Spaces waarin alles verboden is wat een ander maar zou kunnen kwetsen. Begin zo’n Happy Place maar op de hei en laat de stad een arena blijven waar kwetsbare belangen en meningen een plek hebben, maar ook vrijelijk strijden met andere partijen en inzichten.

Bas van Horn

Deze column verscheen bij romagazine.nl op 22 juli 2021

Windturbines of de Apocalyps

Een flink deel van de dertig energieregio’s heeft grote moeite met het vinden van draagvlak voor de uitrol van de Regionale Energie Strategie (RES). De Volkskrant beschreef laatst al eens hoe in de verschillende regionale enquêtes en participatietrajecten naar gewenste uitkomsten is toegewerkt. Met suggestieve vraagstellingen, bagatelliserend taalgebruik en een sturend aanbod aan keuzemogelijkheden. Hoe urgent de doelstellingen ook zijn, een aanpak waarbij de uitkomsten tevoren vaststaan mag niet de bedoeling zijn.

Ook Amsterdam worstelt met wind, weerstand en participatie. Het besluit tot zeventien extra megawindturbines in het Westelijk havengebied, Noord en Zuidoost is genomen, maar onder druk van de tegenstand en groeiende twijfel buiten en binnen het college is nu een ‘reflectiefase’ van een half jaar ingegaan. Menigeen heeft al gewezen op de wonderlijke figuur van reflectie na het besluit in plaats van ervoor, maar het geeft aan hoe gevoelig de zaak inmiddels ligt.

Het klimaatbeleid is een niet te stoppen rijdende trein

Het college wordt niet moe te betogen waarom we op de ingeslagen weg voort moeten, want: klimaatverandering, Akkoord van Parijs, Vijf voor Twaalf, als we nu niets doen dan. Het klimaatbeleid is een niet te stoppen rijdende trein. Internationaal gemaakte afspraken met in beton gegoten doelen en trajecten, nationaal vertaald in afspraken met de koepels van de nieuwe verzuiling, op het bord gelegd van de regio’s voor de uitvoering. En daar raakt het regionaal en lokaal bestuur klem tussen hooggestemde doelen en de grieven van omwonenden in de ‘zoekgebieden’ voor windturbinelocaties.

Wat opvalt is de activistische manier van redeneren in bestuurlijke kring en met name in Amsterdam als het om de klimaataanpak gaat. De bezwaren van bewoners zijn altijd klein bier vergeleken bij de gevolgen van klimaatverandering. Wat stelt een bromtoon voor vergeleken bij smeltende ijskappen? Hoe belangrijk kunnen slagschaduw en uitzicht zijn als je weet dat onze wereld overstroomd gaat worden met klimaatvluchtelingen? Wie maakt zich druk om de waarde van zijn huis als het straks verzengend heet of kletsnat is geworden?

De logica van het fanatisme

Het is de logica van het fanatisme die bestuur en beleid over zichzelf hebben afgeroepen door intern scepsis over klimaatbeleid verdacht te maken alsof het eigenlijk om klimaatscepsis zou gaan. En dat is nog eens versterkt met de inhuur van expertise, advies en communicatie die zichzelf uit de markt zou prijzen met iets anders dan volledige toewijding aan de strijd die vele middelen rechtvaardigt.

Het is te hopen dat het Amsterdamse stadsbestuur de zelf afgekondigde reflectiefase zal benutten om tot het inzicht te komen dat het beleid altijd bevraagbaar en afweegbaar moet blijven. Dat een statement over de ernst van het klimaatvraagstuk in de vorm van windturbines niet zomaar belangen en bezwaren van omwonenden mag overrulen. Zeker een links stadsbestuur zou de woon- en leefomgeving van juist twee zwakkere stadsdelen niet mogen opofferen aan hooggestemde idealen.

Deze column verscheen op 16 juni 2021 bij romagazine.nl

Rechten voor de natuur

We leven in het Antropoceen. Dat is doorgaans geen constatering, maar een aanklacht. Het leven op aarde wordt niet langer bepaald door geologische processen, maar door de mens. En dat is geen goed nieuws voor de levende en dode natuur op aarde. Ook niet voor de mens zelf trouwens, maar dat is weer zo antropocentrisch gedacht. Dat denken waarin de mens centraal staat en zichzelf boven de natuur stelt. Hoog tijd om de natuur eigen rechten te geven zoals regelmatig wordt bepleit? Welnee, dat idee is niet meer dan een strategie van natuur- en milieuactivisten.

Al sinds de beginjaren van de natuur- en milieubeweging verzetten aanhangers daarvan zich tegen het christelijke- en verlichtingsdenken dat de mens ziet als heerser over de natuur met een zekere verantwoordelijkheid als beheerder van de voorraadkast (rentmeesterschap). Vanuit romantische, antroposofische en andere holistische ideeën dicht men de natuur een ‘intrinsieke waarde’ toe. Een eigenstandige waarde los van de waardering door de mens. Een even sympathiek als lastig concept, want wie kent die waarde dan toe? De mens zelf.

Bij het huidige verzet tegen het antropocentrische denken speelt hetzelfde. Juist in dit verzet stelt de mens zich boven de natuur waarvan ze zo nadrukkelijk een gelijkwaardig onderdeel wil zijn. Dat blijkt ook wel, want als het gaat om het toekennen van rechten aan dieren, planten of hele ecosystemen, is het niet de bedoeling schapen dodende wolven voor het gerecht te brengen zoals in de middeleeuwen. Men wil zelfbenoemde zaakwaarnemers van de natuur in stelling brengen om als ‘voogd van de natuur’ op te treden. Ook weer mensen dus!

Men wil zelfbenoemde zaakwaarnemers van de natuur in stelling brengen om als ‘voogd van de natuur’ op te treden

Voogd en juridisch belangenbehartiger van de natuur zijn, is een aantrekkelijker positie dan vertegenwoordiger zijn van een reguliere natuurorganisatie. Je hebt geen last van een tegensputterende achterban, geen programma te verdedigen in concurrentie met andere kandidaten voor het voogdijschap en je kunt helemaal zelf bepalen wat het belang van de natuur is en hoe je dat het beste kunt verdedigen. Zo bezien is het toekennen van rechten aan de natuur vooral iets voor dieren-, planten- en stenenfluisteraars die voor zichzelf een rol zonder tegenspraak zien als tolk en advocaat van de wereld die geen stem heeft.

Dat neemt niet weg dat we het fenomeen serieus moeten nemen, al was het maar omdat het internationaal opgang maakt. Colombia, Bangladesh en Oeganda hebben volgens een recent artikel in de Volkskrant allemaal al op enige wijze natuurrechten erkend. Nieuw-Zeeland levert het lichtende voorbeeld met een juridische status voor de rivier Whanganui die bij juridische kwesties wordt vertegenwoordigd door een orgaan waarin oorspronkelijke Maori’s en ambtenaren zitting hebben.

Het ‘rechten-voor-de-natuur-denken’ maakt ondertussen ook bij ons school

De romantisering van ‘natuurvolkeren’ en goedbedoeld racisme spatten je tegemoet. De Maori staat hier voor de mens die in harmonie met de natuur leeft en dus eigenlijk een beetje de natuur is die beschermd moet worden door overheidsdienaren die kennelijk geen Maori zijn, maar wel hebben doorgeleerd in de milieukunde. Het is een bedenkelijk kantje aan de rechten-voor-de-natuur-beweging dat gedekt wordt door het beleid voor inheemse volkeren van de VN.

Het ‘rechten-voor-de-natuur-denken’ maakt ondertussen ook bij ons school, lees ik in de krant. De 25-jarige milieujuriste Jessica den Outer wil met het project ‘Maas in de Wet’, net zoiets voor de Maas als eerder gelukt is bij de Whanganui-rivier: recht op vrij stromen, vrij van verontreiniging. Ze is blijkbaar een rijzende ster in haar kringen, maar laten wij ons niets wijsmaken. Haar inzet is niks anders dan een nieuw front voor het groene actiewezen en een bijdrage aan de verdere juridisering van de samenleving.

Door Bas van Horn, adviseur fysieke leefruimte en publicist

Deze column verscheen bij romagazine.nl op 11 mei 2021

participeren met een eigen agenda

Het worstcasescenario was een zonnig Pasen met hoge temperaturen. Alle ogen zouden zich richten op de drukte in Scheveningen en de overlast op en rond de paar honderd meter boulevard voor het Kurhaus. Hier botst het belang van horeca en middenstand al jaren op dat van de bewoners die best wat kunnen hebben, maar geen excessen accepteren. De media lagen traditiegetrouw vanaf begin maart in de bosjes om verslag te doen van mogelijke incidenten en om vervolgens een quote te halen bij een verontwaardigde bewoner.

Dit jaar zou het anders gaan, hoewel niemand een rimpelloos badseizoen had beloofd. Er was een Actieplan Scheveningen gemaakt waarin gemeente, politie en handhaving eendrachtig samenwerkten. Een plan waarin foutparkeerders werden weggesleept, staatracers aangepakt en intimidatie van vrouwen bekeurd. Primeur: ‘natte BOA’s’ gingen optreden tegen zeekiezende luchtbedkapiteins.

Het was een plan dat gepaard ging met participatie van ondernemers en bewoners. En toch stonden een paar van die bewoners bij het eerste vermoeden van voorjaar alweer in de krant met hun kant van het verhaal. Heel teleurstellend voor de participatiebegeleiders die nu juist gehoopt hadden ‘samen op te kunnen trekken.’ Het scheelde niet veel of uit frustratie was de bewoners gevraagd terughoudend te zijn in de pers, maar gelukkig kwam het zover niet. Zo gaat het dus vaker en zeker niet alleen in Scheveningen.

Een paar jaar geleden schreef ik samen met de directie Participatie van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het essay Participatie met hindernissen. Hierin staat dit fenomeen beschreven van participanten met een eigen agenda.

‘Burgers participeren niet om het probleem van de overheid te helpen oplossen’

Bij de gesprekken over de toekomst van de luchtvaart werd bijvoorbeeld duidelijk dat deelnemers soms niet wilden ingaan op en ook niet wilden kiezen bij stellingen of dilemma’s die vanuit de participatiebegeleiding waren neergelegd. Uit angst dat dit later in het politieke debat door het ministerie zou worden uitgelegd als acceptatie van de gekozen kaders en daarmee tegen hen gebruikt zou kunnen worden.

Voor sommige cynische bestuurders is participatie misschien niet meer dan een vinkje dat gezet moet worden, de meeste participatiebegeleiders proberen de omgeving oprecht en transparant ‘mee te nemen’ in besluitvormings- en uitvoeringsprocessen. Tegelijkertijd accepteren zij als loyale ambtenaren of inhuurkrachten de vooraf vastgestelde kaders van de opgaven. En daarin verschillen ze van sommige participanten.

Die participeren om het eigen belang naar voren te brengen. Niet om de dilemma’s van de overheid te helpen oplossen. Voor deze participanten is het participatietraject slechts één van de arena’s waarin hun belang verdedigd kan worden. Als de media het interessant vinden om het verhaal van de gekwelde inwoners van een badplaats voor het voetlicht te brengen, dan zullen ze dat verhaal doen. Dat is niet wat de overheid met participatie beoogt, maar het is wel een legitieme keuze.

Gelukkig werd het geen Pasen van zon en verhitte gemoederen. Het was guur en stil op de boulevard. Het ging zelfs nog sneeuwen. Ik ben benieuwd naar het weer in de meivakantie en de journalistieke verslagen van de eerste warme stranddagen.

Bas van Horn, speech- en tekstschrijver publicist

Deze column verscheen eerder op 16 april 2021 bij Romagazine.nl

Een redelijk normale zomer

De vaccinaties beginnen hun vruchten af te werpen. Betere behandelingen zorgen in veel gevallen voor een milder ziekteverloop en voor het overige is er groeiende acceptatie van Covid – in alle mogelijke varianten – als een fact of life tot je er dood aan gaat. Kort samengevat in de prognose van demissionair minister De Jonge: “We gaan een redelijk normale zomer tegemoet.” Wat betekent dat voor de publieke ruimte?

Om te beginnen een heel geleidelijke verlichting van de beperkende maatregelen ondanks ongunstige korte termijnvooruitzichten. Dit voorjaar mag immers niet de ‘Dolle Dinsdag’ van de strijd tegen Covid worden. Een lente van publieke lijfelijkheid zit er alleen al om die reden niet in. Maar het ventiel moet wel open. Voor de horeca en de mentale volksgezondheid, voor de openbare orde en het draagvlak in de samenleving.

‘De buitenruimte is het expansievat voor de behoefte aan ontmoeting’

Dat kan met meer maatregelen in de richting die eerder al werd ingeslagen. Ontlasten van binnensteden door spreiding van drukte. De buitenruimte is daarbij het expansievat voor de behoefte aan ontmoeting, want binnen kan er voorlopig nog niet veel. Dan denken we al snel aan terrassen waar het maar kan. Daarbij is het opmerkelijk dat er nu – in tegenstelling tot vorig jaar en afgezien van een protestactie – nog geen initiatieven zijn waarin horecaondernemers samen pleinen claimen voor compenserende terrasomzet.

Nieuw evenwicht

Veel sociaalgeografen beschouwden de pleinen door privatisering en commercialisering toch al als voor de publieke zaak verloren. Daar komt nu het extra witwassen van crimineel geld in de noodlijdende horeca nog eens bij. Daar hoef je als kroeg- of restaurantbezoeker niet veel van te merken, maar er ontstaat in horecagebieden wel een klimaat van ondermijning dat op veel vlakken tot uiting komt.

Dan de parken. Deze groene commons van de stad kenden tot voor kort een vreedzame co-existentie van groepen uit verschillende lagen van de bevolking in losjes afgebakende territoria. Demonstrerende vrijheidszoekers of anders wel gewoon massaal samenkomende jongeren hebben dit idyllische ecosysteem verstoord.

Een nieuw evenwicht, waarin althans een deel van de nieuwe gebruikers zal blijven, vraagt om een herschikking en vast ook om aanpassing van inrichting en voorzieningen in de parken. Denk aan routings voor grotere aantallen mensen, hufterproof groen, toiletvoorzieningen, extra afvalbakken en misschien, als het mag van de sociaalgeografen, een beetje meer horeca.

Wennen aan nabijheid

Iets soortgelijks speelt verder buiten de stad in de spanning tussen natuur en recreatie. Ook hier dringen nieuwe gebruikers de wereld van natuur en groene oudkomers binnen. Met als gevolg grotere druk op parkeergelegenheid, wandelpaden en andere voorzieningen. Daarbovenop komt nog eens de culturele spanning tussen natuurliefhebbers die zichzelf als ‘te gast in de natuur’ beschouwen en de recreanten die de natuur zien als een voorziening waaraan men als belastingbetaler eisen mag stellen.

‘Huidhonger is het afgelopen jaar als een soort oerbehoefte neergezet’

Op al deze plekken gaan we de komende maanden weer langzaam leren om in elkaars nabijheid te verkeren. En dat langzaamaan is maar goed ook, want anders konden de verwachtingen wel eens lelijk gaan botsen. Huidhonger, de term werd op precies het juiste moment gemunt door de schrijvers Gemma Boormans en Esther Cohen, is het afgelopen jaar als een soort oerbehoefte neergezet. Wij mensen zouden als het Resusaapje in het experiment van Harlow verpieteren zonder fysiek contact. Maar waar hebben we dan precies behoefte aan? In ieder geval niet aan een ongemakkelijk moment waarin je elkaar als gevaccineerde kennissen voor het eerst weer in de kroeg begroet en constateert dat je je dat heel anders had voorgesteld.

Bas van Horn, adviseur fysieke leefruimte en publicist

Deze column werd op 4 maart 2021 geplaatst op romagazine.nl

Doorbraak 2.0

“Laat de teugels vieren en gebruik de coronacrisis niet om je eigen agenda een zetje te geven: Waste This Crisis!” Zelfcitatie is niet chique en al helemaal niet om je stukje mee te openen. Toch moet het even, want die zin was het slot van mijn column op deze plek in augustus vorig jaar. Het ging mij erom dat aanscherping van de coronamaatregelen in combinatie met progressieve vergezichten voor het post-coronatijdperk de verhoudingen in onze samenleving onnodig op scherp zou zetten.

In december verscheen de vijftiende editie van de Top-200 van meest invloedrijke Nederlanders in de Volkskrant. Parallel daaraan presenteerde I&O Research een onderzoek naar de opvattingen onder vierhonderd leden van de bestuurlijke elite over beleid en bestuur na de pandemie. Die elite bleek in hoge mate het idee te delen dat het tijd is voor een maatschappelijke herstart, een ‘Great Reset’. Dat had men niet zelf verzonnen, maar dat kwam van Klaus Schwab, baas van het World Economic Forum (WEF) en de Britse prins Charles.

‘De Grote Reset. Iedereen schuift zijn stokpaardje onder deze paraplu’

De miljarden voor het coronaherstel moeten niet alleen de economie vlottrekken, maar deze tegelijkertijd klimaatbestendig, duurzaam, inclusief en eerlijk maken. Building Back Better, heet dat in de reclametaal van het World Economic Forum in Davos. President Biden, de Europese Unie – Frans Timmermans in het bijzonder – en Mark Rutte zeggen het na.

En iedereen schuift zijn eigen stokpaardje onder deze paraplu. Van holle praat over ‘ongebreidelde consumptiedrift’ door de voorzitter van de Hoge Raad van Adel tot Wim Pijbes van de Stichting Droom &Daad (!) die stelt: “Het polderen is niet geschikt voor de grote uitdagingen van onze tijd, waar we meer duidelijke en radicale keuzes moeten maken op het gebied van milieu en openbare ruimte”. Goddank gaat de stichting over kunst en de publieke ruimte, en is het geen politieke partij.

Het doet allemaal een beetje denken aan ‘Doorbraak’. De politieke beweging direct na de Tweede Wereldoorlog die meende dat alles voortaan anders moest, te beginnen met de vorming van één progressieve partij die de vooruitstrevende krachten van alle gezindten zou verbinden. Het was het begin van de Partij van de Arbeid, maar vervolgens kwam er al snel de klad in. Katholieken mochten van de paus in Rome niet lid worden van de PvdA en in 1959 was het wel zo’n beetje gedaan met de beweging. Niet lang daarna zou de politieke geschiedenis van ons land een heel andere loop nemen.

Maar goed, onze doorbraak heet dus Great Reset en Rutte somt alle trefwoorden uit het Davos-vocabulaire op in een videoboodschap naar aanleiding van de onlangs gehouden Climate Adaptation Top. “Wat zullen we nou krijgen?” reageert Thierry Baudet per tweet. “Ook Rutte ziet corona opeens als ‘unique opportunity’ om door te pakken met mondiale afspraken over klimaatbeleid en ‘inclusive recovery’. ‘Now is the time to Build Back Better’. Waar komt die slogan vandaan, waarom gebruiken ze die ineens allemaal!?”

Nou Thierry, daar is niks spannends aan. Dat komt dus van het World Economic Forum, van de Europese Green Deal en de krant van een maandje geleden. Daar stond ook in dat gewone mensen zich – net als de bestuurlijke elite- druk maken om klimaatverandering, maar verder gewoon willen dat we een volgende pandemie voorkomen, de woningnood bestrijden en dat we de criminaliteit aanpakken. Zelfde hoofdopgave, maar dan zonder die plotse, radicaal- progressieve bevlogenheid van de boven ons gestelden.

‘Voorkom de desillusie van de doorbraakgedachte’

Er is natuurlijk helemaal niks tegen coronaherstel dat klimaatvriendelijk, duurzaam en inclusief is, maar het hemelbestormende jargon van onze leidslieden erkent niet de breed levende behoefte aan restauratie. We willen terug naar pre-corona. Naar volle kroegen en concerten, naar dansen en zoenen. Naar de zaak, de collega’s en de koffiehoek.

Door die miskenning wordt de Great Reset een verdacht project. Iets waar Thierry Baudet suggestieve vragen bij kan stellen, terwijl hij de antwoorden best kent. Dat is contraproductief. Voorkom de desillusie van de doorbraakgedachte. Laat eerst de teugels vieren, geef tijd voor herstel van economie en vertrouwen. Luister niet naar de adviseurs die nu direct willen ‘doorpakken’ op klimaat, inclusie en de hele riedel.

Deze column verscheen op 4 februari 2021 bij romagazine.nl

Herbezinning

Er was natuurlijk veel leedvermaak over het groenlinkse yuppeneiland IJburg dat opeens niet meer zo enthousiast was over windturbines nu ze tweehonderdmeter hoog en vierhonderd meter van de voordeur in het Buiten-IJ dreigen te komen. “Snappen de stedelingen ook eens hoe de provincie het kind van de rekening wordt in de energietransitie”, twitterde Hidde Boersma, eco-modernist en pleitbezorger van de periferie. Nu de ruimtelijke rekening van duurzaamheidsambities dan eindelijk ook op de stoep van de fans ligt, wordt het misschien tijd voor een herbezinning.

Om ideologische redenen is zelfvoorziening de heilige graal in duurzaamheidskringen. Het linkse stadsbestuur wil realistisch zijn en zet in op tachtig procent van het hoofdstedelijk gebruik uit zelfopgewekte elektriciteit in 2030. Zolang de lat voor kernenergie – uit voorzorgsbeginsel – zo hoog ligt dat een centrale in het Westelijk Havengebied er niet zal komen, betekent dat heel veel zonneparken, daken vol panelen en windturbines. Tot in de achtertuin dus. Of niet, maar dan halen we het niet en komen de afspraken uit het Klimaatakkoord in het gedrang.

Dit soort discussies spelen in het hele land en bij de facilitators van participatie rond de Regionale Energie Strategieën beginnen ze een beetje moe te worden van de terugkerende discussies over de uitgangspunten en opgaven. Want het is niet of-of, maar en-en: de zee moet vol, het land moet vol en ook het Buiten-IJ en de weilanden bezuiden het pittoreske riviertje Het Gein moeten eraan geloven voor onze duurzame doelstellingen. En we moeten door, want het is de hoogste tijd om van zoekgebieden naar concrete locaties te komen.

‘Infrasoon geluid, het nieuwe argument tegen windturbines in de directe omgeving van woningen’

Naast de horizonvervuiling, de waardedaling van de woning, de slagschaduw en het geluid van de zoevende wieken is er een nieuw argument tegen windturbines in de directe omgeving van woningen. Het infrasoon geluid. Dat geeft, volgens audioloog Jan de Laat van het LUMC, een onhoorbare prikkeling van het middenoor die kan leiden tot zeeziekte, slapeloosheid, concentratieverlies en hoofdpijn. Vage klachten waar je nog jarenlang alle kanten mee uit kunt, tot aan de Hoge Raad toe.

Feit is dat de Duitsers als voorzorgsbeginsel anderhalve kilometer tot de woning aanhouden, terwijl bij ons vierhonderd meter genoeg moet zijn om geen last te hebben van het geluid. Logisch, want anders kun je die dingen in ons land nergens meer kwijt. Misschien ligt daar een aangrijpingspunt om te komen tot een herbezinning.

‘Er is te weinig ruimte voor alle ambities die we in ons enthousiasme hebben afgesproken’

Zelfs de Amsterdamse scherpslijpers gaan niet voor volledige autarkie, maar nemen genoegen met tachtig procent zelfgemaakte stroom. Want dat is al ambitieus genoeg. Het is logisch dat een hotspot van datacenters en andere energieslurpers moeilijk in de eigen energiebehoefte kan voorzien. Zo is het ook logisch dat we in ons kleine, dichtbevolkte landje te weinig ruimte hebben voor de ambities die we in ons enthousiasme hebben afgesproken. Zeker als we bij nader inzien ook nog af willen van het opstoken van bos in de vorm van houtpellets.

Onder druk wordt alles vloeibaar. Je hoeft het journaal maar aan te zetten om het te zien. Op afspraken kun je terugkomen. Het goede nieuws is dat het voor de klimaatverandering niet veel uitmaakt. En dat is ook het slechte nieuws.

Deze column werd op 14 januari 2021 geplaatst op romagazine.nl

Vuurwerk in de wijken

Tijdens de eerste coronagolf moest de Tweede Kamer eraan te pas komen om te zorgen dat overtreders van de samenscholingsregels niet standaard met een strafblad worden opgezadeld. Nu hoopt men de maatregelen van de tweede golf voor Kerst en Oudjaar te kunnen versoepelen, maar dan moet de zorg rond de jaarwisseling worden ontzien. Met vuurwerkverbod en strafblad. Daarmee staat minister Grapperhaus op het punt zich toch nog aan de eerder weggerolde steen te stoten.

Een plan voor de bühne

Alles went – en dus ook corona – maar ziekenhuizen en zorginstellingen staan nog steeds of weer onder grote druk. Patiënten ondergaan nog altijd een zeer belastend ziekteproces en het zorgpersoneel loopt op het tandvlees. Iedere verlichting van de stress is welkom, zeker rond de feestdagen. Op een extra piek in de zorgvraag tijdens de nieuwjaarsnacht zit niemand te wachten en dus is besloten tot een vuurwerkverbod. Klinkt allemaal best logisch. Maar hoe zit het nu precies met de motieven en de maatschappelijke gevolgen?

Met een sarcastisch getoonzette advertentie in enkele landelijke dagbladen betoogde de vuurwerkbranche dat de spoedeisende hulp (SEH) weinig met het vuurwerkverbod op zal schieten. De overbelaste zorg is vooral een alibi om daadkrachtig over te komen en het door enkele politieke partijen bepleitte vuurwerkverbod erdoor te jassen. Never waste a good crisis!

Nu valt er op de argumentatie en de vergelijkingen van de branche wel wat af te dingen, maar traumachirurg Jeffrey Vermeulen, verbonden aan het brandwondencentrum van het Maasstad Ziekenhuis in Rotterdam, onderschrijft in grote lijnen de strekking: tijdens de vorige jaarwisseling kwamen er in zijn regio drieënzestig vuurwerkslachtoffers binnen op de SEH waarvan er vijftien werden opgenomen. Dat is nog geen twee patiënten per ziekenhuis en dus nauwelijks een extra belasting van de zorg. ‘Een plan voor de bühne’, oordeelt hij in de Volkskrant over het vuurwerkverbod.

Kans voor een beschavingsoffensief

Van verschillende kanten komen inmiddels signalen dat het coronabeleid steeds politieker begint te kleuren. Met een factie die vooral zichtbaarheid zoekt op de medische invalshoek en een factie die meer maatregelen wil om de economische- en sociaal-maatschappelijke gevolgen van het virus te bestrijden. En dan zijn er ook nog de partijen die in deze crisis kansen zien voor hun beschavingsoffensief.

Naast de letselschade is vuurwerk namelijk vreselijk voor schrikachtige ouden van dagen, huisdieren, stadsvogels en de luchtkwaliteit. Het geeft bovendien schade aan de buitenboel en rommel op straat die maandenlang blijft rondslingeren. Het is plat en in deze tijd ongepast luidruchtig volksvermaak waaraan onverantwoord veel geld wordt uitgegeven. Dat vraagt om ingrijpen waar men kennelijk de eigen verantwoordelijkheid niet aankan. Minister Grapperhaus belooft strenge handhaving van het vuurwerkverbod: ‘één vuurpijl is goed voor honderd euro boete en een strafblad!’

Dat belooft nog wat. Niet alleen omdat politie en boa’s de belofte van de minister niet zullen kunnen waarmaken, maar ook omdat ze in hun poging om dat wel te doen de maatschappelijke tweedeling nog eens extra zullen aanzetten. De kwade geesten verjagen met knalvuurwerk en de frustraties van het afgelopen jaar in spetterende fonteinen de lucht in schieten: vergeet het of riskeer een boete met strafblad. Dat wordt weer meer werk voor de schuldhulpverlening en de bureaus HALT.

Weten wie de schuld heeft

In het oosten van het land zag men de bui al hangen en hebben de veiligheidsregio’s ervoor gezorgd dat het vuurwerkverbod niet geldt voor het cultuurhistorisch zo belangrijke carbidschieten. Een soortgelijke smoes hebben ze in de grote steden niet. In Amsterdam, Utrecht en Rotterdam zal de burgemeester op 1 januari moeten uitleggen waarom niet strenger is opgetreden tegen de vuurwerkovertredingen en samenscholingen in bepaalde wijken. En in Den Haag rust de erfenis van voorganger Pauline Krikke nu al zwaar op de schouders van burgemeester Jan van Zanen. Maar iedereen zal straks weten waar de brave mensen wonen, in welke wijken het mis ging en wie we straks dus de schuld kunnen geven als de coronamaatregelen van de overheid toch niet het gewenste effect sorteren. Tel uit je winst.

Bas van Horn

Deze column verscheen bij ROmagazine.nl op 20 november 2020

Uitsluiten of opsluiten?

De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) heeft begin deze maand het advies Toegang tot de stad uitgebracht. Een werkstuk dat helemaal past in de tijdgeest. Weg met de gentrificatie, hoera voor inclusie en een herintredende overheid. De beste aanbeveling gaat over bereikbaarheid: iedere plek in de stad voor iedereen bereikbaar binnen het kwartier. Maar uit angst om mensen uit te sluiten dreigen de auteurs de stadbewoners op andere vlakken juist weer op te sluiten in ouderwets ‘buurtdenken’.

De mogelijkheden voor burgers om deel te nemen aan de stedelijke samenleving nemen af, stelt de Rli. Oorzaken zoekt de raad bij de terugtredende overheid, bezuinigingen, efficiëntie-slagen, prijsstijgingen, krapte op de woningmarkt en overschatting van zelfredzaamheid. De Rli plaatst dat alles in de laatste vijftien jaar. Die korte tijdhorizon verklaart mogelijk waarom een relativering ontbreekt. Een geoefend oor kon immers enkele decennia eerder de verschillende stadsdialecten nog tot op wijkniveau plaatsen. Zo weinig kwam men buiten de eigen buurt en zo gering was de interactie met de rest van de stedelijke samenleving.

Het is dus belangrijk wat precies wordt verstaan onder die stedelijke samenleving. Het advies definieert het als Daily Urban System, maar vervolgens houdt men de stad, de stedelijke regio en de wijk of buurt niet uit elkaar. Is er soms geen verschil tussen de uitvoering in het buurthuis en de hoog stedelijke functies waarvoor we in de buitenwijk een enkele keer onze beste kleren aantrekken en naar het stadscentrum komen? Zijn buurtbibliotheken en buurthuizen wel stedelijke functies of gaat het op wijkniveau om iets anders?

Gentrificatie en uitsluiting

En dan de gentrificatie. Prijsstijging in de koopsector, huurverhoging en verkoop in de sociale huur, een schreeuwend gebrek aan aanbod in beide segmenten, verdringing van langzittende buurtbewoners en hun kinderen. Dat is erg, maar tegelijkertijd vindt de Rli het erg dat de sociale huursector een getto van lage inkomens aan het worden is. Hoe dan? Je zou ondertussen haast vergeten dat in een stad als Amsterdam nog altijd de helft van de woningen sociale huurt kent en Rotterdam nog meer.

“Cryptische begrippen leveren een verwarrend beeld op”

Maar zelfs waar de langstzittenden kunnen blijven, voelen ze zich niet meer thuis in hun buurt, weet het advies. Dat komt niet door ‘de buitenlanders’, zoals vroeger. Nederlanders met niet-westerse roots zijn in veel volkswijken zelf inmiddels de oudkomers. Nee, het gaat om de jonge, hippe, hoger opgeleiden die – ondanks hun tijdelijke arbeidscontracten – de wijk ‘annexeren’ ten koste van de sfeer en voorzieningen waarbij de oudkomers zich thuis voelen.

Dit sentiment zit sterk in het advies en ik neem dus aan dat de auteurs daarop doelen met een cryptische zin als: “Sommige groepen burgers voelen zich in bepaalde delen van de stad niet welkom op straat”. Of zou het gaan om vrouwen en LHBTI-ers die zich in sommige andere delen van de stad niet welkom voelen op straat. We weten het niet, want het advies is niet duidelijker.

Bewonersinitiatief en inclusie

Waar het in dit advies gaat over inclusie bedoelt men vooral toegankelijkheid in de breedste zin des woords. En gelukkig maar. Met inclusie zit je meteen in het mijnenveld van identiteiten en minoriteiten, terwijl toegankelijkheid gewoon gaat over de stad vanuit de behoeften van heel verschillende mensen in tegenstelling tot de blik vanuit de systeemwereld. “Het gaat niet om de gemiddelde kwaliteit van leven, maar om individuele mogelijkheden van stadbewoners”, Juist.

Maar hoe komen we daar? ‘Creëer ruimte voor initiatieven van burgers’, roept het advies. En ook: ‘stimuleer het coöperatief bouwen van betaalbare huurwoningen’.  Precies het soort initiatieven waarmee nu net weer diezelfde groep weerbare zelforganiseerders wordt bediend die toch al overal aan de bak komt. Voor minder assertieve groepen heeft het advies dan ook een ander spoor in gedachten.

“De Rli is hier terug bij het romantische buurtdenken”

Het advies had al aangegeven dat er met wegbezuinigen van buurt- en wijkcentra en uitplaatsen van scholen en zorg naar de stadsrand, veel publieke voorzieningen zijn opgeheven of verschraald. En dat terwijl, volgens het advies: “In toegankelijke, goed functionerende publieke voorzieningen tal van mogelijkheden (zijn) voor uitwisseling van kennis en informatie tussen ‘zwakke’ en ‘sterke’ bewoners.” Daarmee zegt de Rli feitelijk niet meer dan dat toegankelijke en goed functionerende publieke voorzieningen toegankelijk zijn en goed functioneren, maar er is meer.

Afgedwongen solidariteit

De Rli is hier terug bij het romantische ‘buurtdenken’ dat zijn oorsprong heeft in de jaren zestig van de vorige eeuw. De buurt als het dorp in de stad waar men elkaar nog kent en een ‘community’ vormt. Het denken waarin sociale mobiliteit geen ruimtelijke vertaling (verhuizen naar een betere buurt) mag krijgen, maar ten goede moet komen aan het ‘empowerment van de gemeenschap’. Een afgedwongen solidariteit met wie je als ‘buurtbroeders en -zusters’ dient te beschouwen. Een praktijk waarin de sterken de zwakken vaak helemaal niet bleken te steunen, maar de zwakken de sterken onder het maaiveld trokken. Waar je als hangjongere carrière kon maken als ervaringsdeskundig hangjongerenwerker vanuit het buurtcentrum.

De beste aanbeveling uit het advies is dus ongetwijfeld die over mobiliteit: iedere plek in de stad voor iedereen bereikbaar binnen het kwartier. Per auto, fiets, OV, scootmobiel of lopend. Sluit mensen niet op in hun buurt, maar laat ze eruit. Voor wonen, werk, cultuur en contacten. Voor inspiratie en aspiraties. Want mobiliteit is vrijheid. Buiten de buurt gebeurt het, niet erin. Dat moet iedereen mogen ontdekken.

Bas van Horn

Deze column werd bij ROmagazine.nl gepubliceerd op 22 oktober 2020