Categoriearchief: geen categorie

Meer diversiteit meer frictie

We koesteren het beeld dat een diverse werkvloer of wijk vanzelf tot inclusie leidt. Maar onderzoek van het SCP laat iets anders zien: waar verschillen samenkomen, lopen spanningen op. Inclusie blijkt minder kumbaya en meer emancipatie.

Dat is de conclusie die het Sociaal en Cultureel Planbureau onlangs trok in een studie over diversiteit op de werkvloer. Mensen met een migratieachtergrond ervaren hun meer diverse werkomgeving helemaal niet als meer inclusief: integendeel. De spanningen nemen juist toe. Een contra-intuïtieve uitkomst, maar ook niet helemaal onverwacht. Hadden we iets dergelijks niet ook al vastgesteld bij gemengd wonen?

Verschillen in macht, cultuur en welstand 

De Heilige Graal van wijkkracht en sociale cohesie werd (en wordt) vaak gezocht in gemengde wijken. Soms moeten er welstandiger bewoners komen om een breder en diverser voorzieningenniveau mogelijk te maken of anders is het de smoes voor een dubieus verheffingsideaal waarbij de nieuwe buren het voorbeeld voor de buurt zijn. En los daarvan wordt een wijk als een afspiegeling van de samenleving als wenselijker gezien dan een buurt als een arme of rijke bubbel.

Maar net als op de gemengde werkvloer lopen de spanningen in de inclusieve buurt juist op. De dagelijkse confrontatie met verschillen in macht, cultuur en welstand blijkt tegenstellingen te versterken. Voor de werkvloer kan het SCP de leidinggevenden nog een belangrijke rol geven in het bespreekbaar maken en normeren van een cultuurverandering, maar in de wijk ligt dat ingewikkelder. Daar ontbreekt nu juist die normerende instantie, en dat is maar goed ook.

Kumbaya of: ‘ Wen er maar aan.’ 

Inclusie is immers geen zaak van goede bedoelingen maar van emancipatie. Dat geldt op de werkvloer en in de wijk. Een evenwichtiger samenstelling van teams en buurten leidt niet vanzelf tot meer wederzijds begrip en samenwerking, maar juist tot een zelfbewuster en assertiever opstelling van de ‘nieuwkomers’ en dus tot meer klachten en confrontaties.

Het SCP hoopt dat een goed geleid proces van cultuurverandering toch meer harmonieuze verhoudingen op kantoor en in de werkplaats zal brengen en dat de toegenomen frictie tijdelijk zal zijn. Dat eerste lijkt me ijdele hoop, maar dat laatste zou best eens kunnen. Geen ‘Kumbaya’ (zoekt u die maar op) dankzij goede bedoelingen van de leiding, maar ‘wij zijn hier, wij zijn zo: wen er maar aan’. Dat is emancipatie zoals het bij de baas en in de wijk werkt. En wat mij betreft is dat beter dan opgelegde inclusie.

Deze column verscheen op 17 november 2025 bij ROMagazine.nl

Geëngageerde rotondekunst

Rotondes zijn de theaters van de openbare ruimte: iedereen rijdt erlangs, niemand vraagt erom, maar ze krijgen allemaal een decorstuk cadeau. Soms een koe, soms een klomp cortenstaal, en heel soms — zoals in Amsterdam — een geëngageerd scheepswrak dat ons wijst op “de geopolitieke situatie”. Het is maar dat u het weet.

Kunst in de buitenruimte is regelmatig aanleiding tot discussie en controverse. Dit doorgaans tot tevredenheid van de kunstenaar en de selectiecommissie. De controverse geeft aan dat het ‘iets met ons doet’. Het ontregelt, stemt tot nadenken of plaatst ons zelfs buiten onze comfortzone. En dat is goed, is de gedachte. Maar het kan altijd erger. Daarover verderop in dit stukje.

Bij kunst in de buitenruimte kan de discussie gaan over heel verschillende dingen. Om te beginnen natuurlijk over het nut van kunst. Juist waar buitenkunst uitnodigt tot monumentaliteit wordt al snel de vraag opgeworpen of dat geld niet beter besteed had kunnen worden. Daarna is er de aard van de kunst. De een ziet een onbegrijpelijk roestig mikado in een sfeervol geoxideerde cortenstaalconstructie, de ander ergert zich wezenloos aan knullig geboetseerde lokale beroemdheden in brons.

Niet zozeer een subgenre, maar zeker een subcategorie wordt gevormd door de rotondekunst. Volgens wikipedia opgekomen met de randwegen rond steden en dorpen waar kruispunten werden vervangen door rotondes die het verkeer veiliger distribueerden over de verschillende lokale bestemmingen. Een fenomeen waarover het Rotondologisch Genootschap vaker en uitputtender publiceerde.

Waar de auto vertraagt, slaat de kunst toe 

Ruimtelijk ontstonden met de rotondes als vanzelf podia voor buitenkunst aan de entree van onze gemeenschappen. Podia voor de verbeelding van de lokale identiteit (koeien, visnetten, korenaren). Decoratieve rots- en groenpartijen met als nevendoel het tegengaan van onbedoeld rechtdoorgaand verkeer. Ten slotte bescheidener ingezaaide bloembedden die niet zelden een Wim T. Schippers-achtige uitstraling kregen met een spoor getrokken door een beschonken automobilist in de late zaterdagnacht.

Naast al deze verschijningsvormen is er ook de geëngageerde rotondekunst. Meest recente voorbeeld in deze categorie is het scheepswrak op een rotspartij, verrijkt met keramieken sculpturen, glazen lantaarns en gerecyclede objecten. Het staat of wordt geplaatst op de rotonde in de Seineweg te Amsterdam en symboliseert, aldus dagblad Het Parool, verleden en toekomst van het Amsterdams Westelijk Havengebied. ‘Het beeld verwijst naar maritieme beeldspraak, de huidige samenleving en de geopolitieke situatie’, zegt kunstenaar Hans van Bentem over zijn creatie in het persbericht. Wat leren we hieruit over kunst in de buitenruimte, in het bijzonder de rotonde? Hoedt U voor geëngageerde kunstenaars.

Bas van Horn

Deze column verscheen op 19 oktober 2025 bij ROmagazine.nl

De literaire woestijn

Boekhandels verdwijnen uit het straatbeeld, zeker buiten het centrum. De sluiting van de laatste literaire winkel in Amsterdam Nieuw-West roept nostalgie en cultuurpessimisme op. Maar hoe terecht is dat sentiment, en wat zegt het over lezen in de stad van nu?

Ze zijn er nog, de boekenliefhebbers die zweren bij de fysieke boekwinkel. Ontwikkelde lieden die graag eindeloos lang tussen de boekenkasten dwalen, her en der iets ter hand nemen, aan het verse drukwerk snuffelen en de boekverkoper om advies vragen of deze attenderen op een titel die een prominenter plaatsje in de winkel verdient. Sterker nog: ik heb ze onder mijn beste vrienden.

Soms, als niemand kijkt, gaan ze stiekem vreemd met Bol.com of Amazon of ze kiezen voor een luisterboek in Kobo Plus. Maar het liefst gaan ze naar de literaire boekwinkel. Ze zien in de boekwinkel niet zelden een steunpunt van beschaving in een ontlezende en verloederende wereld. Waarom ze advies vragen bij de winkelbediende – die onmogelijk veel gelezen kan hebben van wat er in de zaak staat – is een raadsel, behalve dan als blijk van solidariteit met de doorgaans zieltogende onderneming.

De aangekondigde sluiting van de laatste boekhandel in Amsterdam Nieuw-West, geldt dan al snel als de bevestiging van de aanstaande ondergang van het Avondland. De wijken van de voormalige stadsdelen Geuzenveld-Slotermeer, Osdorp en Slotervaart stammen uit de zestiger jaren en waren destijds de concretisering van het wonen met licht, lucht en ruimte voor de arbeidersklasse uit de oude binnenstad. Een plek van verheffing en ontwikkeling.

De aangekondigde sluiting van de laatste boekhandel in Amsterdam Nieuw-West geldt als de bevestiging van de aanstaande ondergang van het Avondland 

Nu is het een gebied met 166.000 inwoners, de omvang van een stad als Haarlem of Den Bosch en een sterk veranderde bevolkingssamenstelling. Inmiddels heeft 72 procent een migratieachtergrond. Voor de cultuurpessimist is een plus een dan al snel twee, maar een genuanceerd artikel in NRC legt toch wat andere accenten.

Om te beginnen moest de boekhandel het toch al nooit van de literatuur hebben, maar van praktische boeken als reisgidsen, almanakken en woordenboeken. Allemaal papier dat niemand meer in huis haalt als het al gedrukt wordt.

En als het gaat om de veranderde bevolkingssamenstelling dan weet de boekhandelaar uit het artikel dat Marokkaanse meiden graag lezen, maar dan wel Engels. Uitgaven die zich onttrekken aan het wonderlijke Hollandse fenomeen van de vaste boekenprijs en waar dus voor de boekwinkel niets te verdienen valt.

Grootste aandeel in de malaise heeft natuurlijk het internet. Waar de trouwe papierlezers nog niet uitgestorven waren, werden de lettertjes voor velen definitief te klein. En toen de winkel dicht was tijdens corona ontdekte het resterende publiek alsnog het gemak van het webwinkelen.

Daar kunnen geen steunacties, crowdfundingoperaties en vrijwillige winkelcollectieven van ware liefhebbers tegenop. Een gebaar als dat van de bekende Atheneum boekhandel aan het Spui in Amsterdam heeft zelfs iets aanmatigends. Atheneum (Griekse godin van de wijsheid en krijgskunde) begon een dependance in winkelcentrum Amsterdamse Poort in de Bijlmer. Cultuurbrengers in de buitengebieden.

Alleen voor wat niche-zaken of groente- en vleesjuweliers in betere buurten is er nog toekomst achter de toonbank 

Het is een beetje als het gedweep met de buurtwinkel. Iedereen is er fan van, maar niemand koopt er meer wat tenzij we opeens zonder koffie of toiletpapier zitten. Sinds de zelfbedieningswinkel uit de VS kwam overwaaien, doen we allemaal onze boodschappen bij de supermarkt en daar is eigenlijk niks mis mee.

Alleen voor wat niche-zaken of groente- en vleesjuweliers in betere buurten is er nog toekomst achter de toonbank. De rest is nostalgie. Zelfde verhaal in de horeca. Je kunt nog zo’n sympathieke zaak hebben, maar als je de kok en de kelner niet meer normaal kunt betalen, is er kennelijk geen businesscase.

Een boekwinkel is een winkel, een onderneming in bedrukt papier. Je kunt proberen daar een community omheen te bouwen met voordrachten en een leesclub, maar uiteindelijk is het kleine middenstand dat er gewoon mee op moet houden als het niet meer rendeert. Dat is ook helemaal niet erg, want (digitale) oases zijn er zat in de literaire woestijn. Of het nu gaat om online boekwinkels, podcasts, vlogs, blogs of substacks, er is voor ieder wat wils. Behalve dan voor de boekensnob die zijn boekhandelaar nog graag eens een tip geeft over een meesterwerk dat een prominenter plaatsje in de etalage verdient.

Deze column verscheen bij romagazine.nl op 18 augustus 2025

Liefde voor de natuur

Als ik dit schrijf heb ik net een tas ingepakt voor een lang weekend Oerol. Het locatiekunstenfestival dat al sinds 1981 ieder jaar half juni op Terschelling wordt gehouden, is het grootste in heel Europa. Het festival viert de locatie als onderdeel van de theater-, dans en andere voorstellingen overal (Oerol) op het eiland. Op festivalterreinen, aan de haven, in boerenschuren, maar vooral in het duin, in het bos en aan het strand. Geen wonder dat veel voorstellingen gaan over de relatie mens en natuur. De makers hebben daar doorgaans geen al te zonnige kijk op. De mens is de boosdoener, de natuur het slachtoffer. Maar er bestaat ook een ander soort liefde voor de natuur. Het wordt tijd dat het festival daar eens iets mee doet.

In veel voorstellingen, performances en installaties op Oerol gaat het over de teloorgang van de natuur, de mens en de aarde. Dat hoeft niet altijd een treurigstemmende aangelegenheid te zijn. Het kan ook mooi, indrukwekkend, ironisch of hilarisch uitpakken. Zo heb ik enkele jaren geleden eens meegelopen in een begrafenisstoet voor het laatste Gentiaanblauwtje. Een zeldzaam vlindertje dat de pijp aan Maarten gaf.

De natuur is hier steeds ‘de zwakste van de samenleving’. Een kwetsbaar belang dat altijd het onderspit delft tegen het grote geld of de hebzucht van de mens. In dit universum houden korenwolven, rugstreeppadden en vleermuizen geen huizen of wegen tegen. Flora en fauna vinden hun bescherming slechts bij de zachte krachten die hun stinkende best doen om te behouden wat ze kunnen.

Er zijn ook mensen die op een andere manier van de natuur houden. Denk aan bergbeklimmers, mountainbikers, jagers, vissers en liefhebbers van terreinrijden met een 4×4. In hun wereld is de natuur niet de zwakste schakel, maar juist een indrukwekkende kracht om je mee te meten. Op de hoogste top, in het diepste woud of langs een bulderende branding.

Vooral in die laatste categorie staat Terschelling zijn mannetje. Het eiland kent de hoogste Landroverdichtheid van heel Nederland. En dan hebben we het nog niet over al die andere 4×4 wagens en voormalig defensiematerieel dat hier rondrijdt. Inmiddels is het gebruik strak gereguleerd, maar van oudsher heeft iedere zichzelf respecterende eilander een 4×4 om bij gierende storm het strand mee op te gaan. Om te jutten wat aanspoelt aan overboord geslagen lading, maar zeker ook om de kracht van de elementen te ervaren. Om te voelen hoe jouw jeep het stuivend duin trotseert en het zoeklicht het duister doorboort.

Ook dat is, met een beetje goede wil, liefde voor de natuur. Of beter: respect voor de kracht van de natuur die je wilt kunnen beheersen. Zo leest een jager het veld, kent de visser het water en wat erin zwemt en voelt de terreinrijder feilloos hoe het zand zich gedraagt onder zijn wielen. Het is een wat Bijbelse natuurliefde die uit de mode is geraakt, maar nog altijd veel mensen weet te bekoren. Zeker op Terschelling.

En omdat het Oerolfestival de inclusiviteit hoog in het vaandel heeft, lijkt het me een goed idee om ook deze liefde voor de natuur een plekje te geven in de programmering. We vragen Terschellinger eigenaren van terreinwagens om tijdens het festival tegen de schemer een paar keer met hun 4×4 naar het strand te komen. We kiezen een aansprekende opstelling en ontsteken als het donker is op een afgesproken teken alle lichten. Het publiek ziet vanaf de duintoppen een paar minuten een stil spektakel. Dan keert het duister terug.

Als er onder de lezers van deze fantasie programmeurs van het festival zijn – het lijkt me niet waarschijnlijk – dan mogen ze deze column best opvatten als een pitch voor een komende editie van Oerol.

Deze column verscheen op 13 juni 2025 bij romagazine.nl

Stadsrand onder hoogspanning

Zware schoenen met grote, gekartelde haken eraan. Die sloeg de monteur van het provinciaal elektriciteitsbedrijf om de houten elektriciteitspaal op de dijk om vervolgens voor onderhoud of reparatie omhoog te lopen naar de elektriciteitsdraden en de porseleinen isolatoren boven in de mast. Een spectaculaire aanblik, ik zie het nog zo voor me.

Nu hebben we nergens meer van die palen om huishoudens van stroom te voorzien. Alles ligt tegenwoordig ondergronds. Dat geldt niet voor de hoogspanning, die wordt nog altijd bovengronds via ijzeren torens gedistribueerd. En van die Gustave Eiffel-achtige constructies komen er steeds meer omdat we de samenleving verregaand willen elektrificeren. Heel soms gaan ze ondergronds. Kan dat niet vaker en uiteindelijk altijd?

Landelijk elektriciteitsnetwerkbeheerder Tennet heeft langs de zuidoostrand van Amsterdam vier zoekgebieden aangewezen waar rond 2034 een nieuw hoogspanningsstation van 25 hectare moet komen, lees ik in Het Parool. In het groen tussen Diemen en Weesp roept het begrip zoekgebied geen fijne associaties op. We zijn hier al ruim voorzien van kansrijke zoekgebieden voor windturbines en nu komt daar het zoeken naar een plekje voor een hoogspanningsstation van 400 bij 500 meter (vijf voetbalvelden) bij. Het is de bedoeling een open hoogspanningsstation te bouwen. Overdekt kan ook, maar dat is lastiger in het onderhoud en duurder.

In de buitengebieden van de stad zijn we steeds de klos 

Bij het te bouwen hoogspanningsstation hoort ook een rij hoogspanningsmasten van zo’n vijftig meter hoog om verbinding te leggen met de hoogspanningsleiding die nu al door het Diemerbos loopt. Alles voor de energietransitie en daar zijn we natuurlijk voor. Zeker nu er door netcongestie op sommige plekken al geen nieuwe woningen meer op het net aangesloten kunnen worden en we waarschuwingen krijgen voor mogelijke black-outs. Jammer alleen dat wij in de buitengebieden van de stad steeds de klos zijn. Want ook in Amsterdam-Noord en -West moet men rekening houden met dergelijke nieuwe hoogspanningsstations met bijbehorende masten op de plekken die ook al kansrijk zijn voor extra windturbines. Het zou me niet verbazen als hetzelfde verhaal opgaat voor de periferie van andere steden in ons land waar we allemaal heel veel meer stroom gaan gebruiken.

Nu zijn wij in de buitengebieden de beroerdsten niet en bovendien zeer begaan met de wereld en de stroom uit het stopcontact. Of laat ik voor mijzelf spreken: ik zie een deal. Doe ons dat hoogspanningsstation, maar dan wel in een dichte doos en ‘verkabel’ de hoogspanningsleidingen. Dat laatste is jargon voor het ondergronds brengen van de hoogspanningsleidingen in plaats van nieuwe masten in het landschap. Dat kan, het gebeurt ook al op een aantal plaatsen, maar het is technisch lastig en dus twee keer zo duur als leidingen in de traditionele masten. Dat kan de energietransitie er niet nog eens bij hebben, zou je kunnen denken maar dat lijkt me kortzichtig.

Meer druk om ondergronds te gaan zal innovatie stimuleren en de extra kosten omlaag brengen 

We gaan voor de tweede, grote elektrificatie – na die van einde negentiende eeuw – omdat we heel veel meer duurzaam opgewekte stroom gaan gebruiken en daarvoor een totaal vernieuwde infrastructuur nodig hebben. Het kan niet zo zijn dat we die gaan realiseren door de gebieden rond de stad te degraderen tot energielandschappen met masten uit de tijd dat de Eiffeltoren werd gebouwd en de steden hun elektrisch licht kregen.

Meer druk om ondergronds te gaan zal innovatie stimuleren en de extra kosten omlaag brengen. Dat ons land ooit heeft volgestaan met doorhangende stroomdraden tussen ijzeren torens kan snel een herinnering zijn. Net zoals die houten palen waarin een onderhoudsman van de provincie met klimijzers naar boven klom.

Deze column werd op 27 mei 2025 geplaatst bij romagazine.nl

Datsja, de tuin als toevluchtsoord

Voor de Russen is er altijd nog de datsja. Oorlog, hongersnood of bizar beleid; dat in de vorige eeuw niet nóg veel meer mensen omkwamen dan er zijn omgekomen, is te danken aan de datsja. Over een dergelijk sterk trackrecord beschikken onze volkstuinen niet, maar dat doet niets af aan het gevoel van veiligheid dat we er als tuinders in deze onzekere tijden aan ontlenen.

De Rus vertrouwt in laatste instantie op zijn landje buiten de stad en het (land)huis of huisje dat hij daar heeft. Hier verbouwt hij zijn uien, aardappelen, bieten en kool, hier kruipt hij bij de kachel en vergeet zijn zorgen. Volgens online bronnen houdt ongeveer 45 procent van de Russische stedelingen op deze manier contact met moeder aarde en gepaste afstand tot de overheid.

Onze volkstuinen zijn geen datsja’s en het gezamenlijk oppervlak van de akkers met opstal blijft in onze streken, voornamelijk dankzij woningbouw en verstedelijking, gestaag afnemen. Het jongste cijfer dat ik kan vinden is van 2017 en bedraagt een slinkende 3.608 hectare. Nogal wat tuinders op de meer dan 240.000 volkstuinen die ons land telt, projecteren hun overlevingsfantasieën in deze ongewisse tijden echter op hun tuin en tuinhuisje. Net als de Russen,

Op steenworp afstand van de stadse woning en de wereld, voelt de tuinder de essentie van het bestaan 

Als er thuis al geen voorzieningen zijn, dan staan er op de tuin in ieder geval een radiootje, een watertank en een houtkacheltje paraat. Sommigen koesteren een antiek petroleumstel, anderen zweren nu al bij de oude olielamp waarvoor zowaar nog een originele canvas pit verkrijgbaar bleek. Boeken die nog gelezen moeten worden, liggen op een plankje onder het balkenplafond en het vallen van de avond wordt niet voor de TV beleefd, maar op het bankje voor het huisje. Hier, op steenworp afstand van de stadse woning en de wereld, voelt de tuinder de essentie van het bestaan.

Ondertussen zijn de klassieke ‘zwarte aarde telers’ met een productietuin veruit in de minderheid en kweken de meeste recreatietuinders slechts wat exotica omdat de sla en sperziebonen in het seizoen ook voor een paar dubbeltjes in de supermarkt liggen.

Wie tuiniert met het oog op oogst, leert nederigheid. Bij vrijwel iedereen die wel eens iets heeft geprobeerd te verbouwen, groeit het respect voor de boer en zijn oogsten. Wij bakken er doorgaans maar weinig van. Deels door zelfopgelegde beperkingen van ecologische aard, deels door onkunde. Beide kunnen we ons permitteren zolang we niet van de opbrengst hoeven leven.

Wie tuiniert met het oog op oogst, leert nederigheid 

Dat weerhoudt ons er niet van te dromen dat ons op de tuin niks kan overkomen. Die illusie delen we met de Russen die misschien net iets meer reden hebben om te vertrouwen op hun tuin en buitenverblijf wanneer ze zich daar wegens onvoorziene omstandigheden terug zouden moeten trekken.

Deze column werd op 15 april 2025 gepubliceerd bij romagazine

De gewillige opschorting van de feiten

Meer dan veertig jaar geleden was ik lid van een leesclubje. We lazen Richard Sennett’s The Fall of Public Man. Een lofzang op de stedelijke publieke ruimte van de achttiende eeuw waar mensen (mannen) van alle rangen en standen met elkaar spraken en discussieerden op pleinen in theaters en koffiehuizen en hoe dat teloor was gegaan in onze moderne steden.

In The Performer, Sennett’s nieuwste boek – hij schrijft immers nog altijd – komt het allemaal weer langs. Het theater van het publieke domein is nu eenmaal zijn thema. In de kunst, de muziek en de politiek zijn we in zijn visie altijd acteurs en toeschouwers tegelijk en dat heeft een voor iedereen toegankelijk ‘theater’ nodig.

Vanzelfsprekend valt in dit verband de naam van Trump, maar dat lijkt bijzaak. Sennett’s kader is de vernieuwende muziekpraktijk en de experimentele dans van zijn jeugd die midden in de samenleving stond. Het boek wil handvatten geven hoe de ‘opgesloten’ cultuur van nu te bevrijden uit de entertainmenttempels en het denigrerende brengen van ‘moeilijke’ kunst naar de mensen. En dat dan vanuit de kunsten zelf, maar evenzeer vanuit architectuur en stedenbouw.

Sennett trakteert ons op zeer erudiete en intellectuele beschouwingen over de geschiedenis van de scheiding tussen straat en theater (en hoe dat mogelijk weer bij elkaar kan komen), maar ook op uiteenzettingen over de kwaadaardige kanten van de publieke ruimte als podium.

Hij staat onder meer stil bij het fenomeen van de willing suspension of disbelief, de gewillige opschorting van het ongeloof. Een verschijnsel, voor het eerst benoemd in de Romantiek toen het geloof onder druk leek te komen door de wetenschap. Een staat waarin groepen in staat blijken te geloven wat helemaal niet kan en veel radicaler of zelfs gewelddadiger optreden dan ze als individuen zouden doen. Vooral wanneer de werkelijkheid ongemakkelijk is en pijnlijker wordt naarmate men zich verder heeft laten meeslepen.

Veel Capitool-bestormers leken zichzelf te zien als acteurs in een toneelstuk, deelnemers aan een symbolische actie 

Sennett geeft voorbeelden uit bekende opera’s en toneelstukken, de Franse Revolutie en de bestorming van Het Capitool. Behalve de initiatiefnemers die planmatige voorbereidingen troffen, leken veel Capitool-bestormers zichzelf te zien als acteurs in een toneelstuk, deelnemers aan een symbolische actie. Pas bij de confrontatie met de aanklacht van serieuze strafbare feiten, werd de betovering verbroken en was er grote verongelijktheid, tot Donald Trump ze gratie verleende.

Alledaagser en gelukkig niet gewelddadig lijkt een Haags voorbeeld van opschorting van de feiten bij een ongemakkelijke waarheid. Het is het hardnekkige verhaal van de frauderende invaliden en hun parkeerplaatsen in de Schilderswijk. Toegegeven: het helpt niet dat corrupte ambtenaren een aantal jaren geleden werden gesnapt met een lucratieve handel in parkeervergunningen, maar in de jongste ophef rond de wildgroei aan blauwe parkeerborden in de Trooststraat en omgeving zijn vooral de invaliden zelf de verdachten. In de verhalen rijden kwiek lopende bestuurders van invalidenplaatsen weg en staan dure racewagens te shinen op de afgekruiste parkeerplekken. Bewoners eisen herkeuringen en een verdere begrenzing van de invalidenprivileges.

Het sentiment is dat uitgekookte strompelaars  in de Haagse Schilderswijk de naïeve gemeenteambtenaren om de tuin leiden 

En dat terwijl iedereen weet dat geen parkeerplaatsen worden verstrekt zonder Europese invalidenkaart waarvoor een medische keuring nodig is. Ook is best te snappen dat mantelzorgers chaufferen in plaats van hun schutterende zorgcliënten. Anders duurde het nog langer en stond de straat altijd vast met de busjes van het gehandicaptenvervoer.

Toch is het sentiment dat uitgekookte strompelaars de naïeve gemeenteambtenaren om de tuin leiden en er zo voor zorgen dat er voor de gewone buurtbewoner geen parkeerplekje overblijft. Hoe kan de buurt anders zo vol blauwe parkeerborden staan? Dat die borden vooral tonen dat de mensen hier niet alleen jaren korter leven dan elders in Den Haag maar bovendien aanzienlijk minder gezonde levensjaren tellen, is een te wrange constatering. Dan is het kennelijk prettiger te geloven dat men tussen sjoemelaars woont.

Deze column werd geplaatst bij Romagazine.nl op 17 maart 2025

Parallelle Universa

Op 1 februari 2025 presenteerde de Haagse wethouder Robert van Asten tijdens het eendaagse Festival van de Toekomst de concept omgevingsvisie Thuis in een groene metropool aan zee. Een integrale blik op de toekomst van de groeiende stad in 2050. Een groene en gezonde toekomst, met woningen, werk, onderwijs en voorzieningen. Een bereikbare stad, ondanks de groei, dankzij ruimte voor de fiets, de voetganger en het openbaar vervoer. De auto doet een stapje terug.

Die keuze voor een meer bescheiden plek voor de auto werd al in 2019 gemaakt. Het stond beschreven in de Hoofdlijnenbrief mobiliteitstransitie en werd bevestigd in de Strategie Mobiliteitstransitie 2022-2040.

Om die strategie te kunnen maken voerde de gemeente meer dan duizend gesprekken met bewoners, experts en ondernemers. Die gesprekken maakten duidelijk dat de mobiliteitswensen van wijk tot wijk verschillen, maar iedereen vond verkeersveiligheid belangrijk. Er moest meer ruimte zijn voor voetgangers, fietsers en toegankelijk en betaalbaar openbaar vervoer. Met de deelauto wisten de ondervraagden het zo net nog niet.

Met de Haagse Mixer de boer op over de toekomst van de stad 

De Strategie Mobiliteitstransitie werd een belangrijke onderlegger voor de concept omgevingsvisie. Ook voor deze visie werden bewoners, ondernemers, scholieren en bezoekers uitgebreid bevraagd. Verhalen en toekomstdromen van heel verschillende Hagenaars en Hagenezen werden verzameld in de bundel Haagse Mensen. Met het instrument ‘Haagse Mixer’ kregen verschillende doelgroepen de kans om de ambities van de Omgevingsvisie te prioriteren. Ambtenaren gingen de stad in met een schuifpaneel en vroegen ouderen, jongeren en andere doelgroepen welke ambities voor hen meer of minder belangrijk zijn.

De enquêteurs stonden op het Stadmakersfestival, het congres Den Haag Inspireert en de Dag van de Architectuur. Om ook de gewone Hagenaar te bereiken kwam de gemeente met het schuifpaneel naar de Haagse markt, het Zuiderpark en de Haagse Hogeschool. Al die enthousiaste participatie kreeg z’n beslag in de concept-omgevingsvisie die op 1 februari in de Fokkerterminal ten doop werd gehouden omlijst met tal van (omgevings-)thematische activiteiten voor jong en oud.

Wie aan de parkeerplaatsen voor de deur komt, krijgt de wind van voren 

Maar al die tijd bestond er ook een andere werkelijkheid in Den Haag. Die van de Hagenaars en Hagenezen die de Haagse groei naar 600.000 inwoners op de korte termijn en mogelijk 673.800 in 2050 helemaal niet willen accepteren. Mensen die nog niet dood gevonden willen worden in bus of tram, laat staan op een fiets. Inwoners voor wie mobiliteit het bedrijfsbusje of de luxewagen voor de deur is. Wat zeg ik? Wel drie, vier of meer, vergunde voertuigen per adres. En wie daar paal en perk aan wil stellen, kan de wind van voren krijgen. Zo is het ook steevast hommeles wanneer parkeerplaatsen dreigen te sneuvelen voor een fiets- en voetgangervriendelijker inrichting van straten. Waar pollers (zelfrijzende verkeerspalen) verschijnen voor verkeersveiligheid of schonere lucht zijn de vele ongelukken (horrorpoller!) een godsgeschenk voor de tegenstanders.

Om nog maar niet te spreken van de Zero Emissiezone die van de binnenstad naar de kust zou moeten oprukken om de lucht schoner te maken en de flora van de duinnatuur te beschermen. Onder het protest van Scheveningse ondernemers is de Scheveningse Haven al uitgezonderd van de uitgebreide Zero Emissie Zone, maar blijft het gebied wel Milieuzone. Een titel met een milder regime. Als het college de besluitvorming over deze kwestie overleeft, dient het volgende zich aan.

Na gedoe over de benodigde ondersteuning en de erkenning dat een referendum over het parkeerbeleid referendabel is – komt er toch een raadgevend referendum over het parkeerbeleid. Niet over wel of niet uitbreiden van betaald parkeren, maar iets veel ingewikkelders. Iets met parkeerdruk en draagvlak die wel of niet zouden mogen meewegen bij de uitbreiding van betaald parkeren.

En, uiteindelijk is er een gemeenteraad die beslist 

Er is al gegrapt over het legendarische CDA-congres waar een kleurenblinde voorzitter hopeloos verstrikt raakte in de groene en rode stembriefjes. Groen voor de tegenstanders en rood voor de voorstanders. Met een glansrol voor Camiel Eurlings die in onverstaanbaar Limburgs zijn aanhankelijkheid aan de partij betuigde.

Hoe het ook zij, na alle mobiliserende participatie, het gechicaneer in de raad, op straat en in de media en na het referendum is er gewoon de gemeenteraad die beslist. Een beslissing die over meer zal gaan dan uitbreiding van het betaald parkeren in Den Haag.

Deze column verscheen op 11 februari 2025 bij ROmagazine.nl

Biobewustwording

Op de grens van Amstelland en Het Gooi, aan het Gein, een pittoresk riviertje tussen het dorp Driemond en Abcoude, ligt een zogeheten pluktuin. Hier kunnen leden met een een- of meerpersoons abonnement buiten het winterseizoen zelf de akker op om hun maaltje te plukken. Het is een initiatief van idealistische jongelui met een achtergrond bij de voormalige landbouwuniversiteit Wageningen, de groene beweging of allebei. Zij bewerkten hier een aantal jaren het land op biologische wijze. De oogst werd steeds eerlijk verdeeld onder de al even bevlogen abonnees die voor de inkomsten moesten zorgen. Soms was die oogst overvloedig, vaker karig. Gelukkig was daarvoor altijd begrip bij de afnemers van de groenten en het fruit.

Net als bij duurzame energie is leveringszekerheid de Achilleshiel van de alternatieve landbouw 

De tuinders van het eerste uur gaan nu uit elkaar. De tuinderij wordt voortgezet door iemand die er niet van hoeft te kunnen leven. Dat is fijn, want biologisch boeren is geen vetpot. Net als bij duurzame energie is leveringszekerheid de Achilleshiel van de alternatieve landbouw. Kan het elektriciteitsnetwerk het aanbod van stroom bij zon en wind niet aan, bij windstil winterweer draaien de gascentrales op volle toeren. Waar boeren in de reguliere landbouw de teeltrisico’s nog enigszins kunnen beperken met kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen, de biologische boeren zijn het haasje bij bladluis of een slakkenplaag tijdens het natte voorjaar.

Niet voor niets houden sommige ecoboeren het na een paar jaar voor gezien om gebiedsregisseur, vleermuisteller of adviseur groene landbouw (met ervaring!) te worden tegen een vast salaris bij de overheid of een ideële instelling. Anderen beginnen gewoon opnieuw op een nieuw stuk land, hemelsbreed nog geen kilometer van de oude stek en net iets dichter bij de stad.

Met een eerste jaarcontract als basis wil men hier een voedselbos aanleggen dat tussen vijf en tien jaar van nu vrucht zal dragen. Ondertussen moeten andere gewassen tussen de jonge aanplant voor opbrengst zorgen. De gepensioneerde interimmanager – een goede vriend van ons – die als vrijwilliger op de pluktuin terugkeerde naar zijn roots als tuinderszoon, steunt het streven maar heeft zijn twijfels. Wij houden ondertussen het zelfplukabonnement aan, maar onze back-up heet Lidl (de beste in groente en fruit).

‘Het gaat niet om duizenden hectares, maar dit is superbelangrijk voor de bewustwording’ 

In de NRC stond onlangs een uitvoerig artikel over de vele coöperatieve agro-ecologische, regeneratieve en biologisch dynamische landbouwinitiatieven. De conclusie was heel realistisch: ‘De schaalgrootte zal beperkt blijven’, verwacht een betrokkene bij het initiatief Aardpeer en andere coöperaties in de krant. ‘Het gaat niet om duizenden hectares, maar dit is superbelangrijk voor de bewustwording.’

Deze column verscheen bij romagazine.nl op 13 januari 2025

Weerbaar met ‘meekoppelende’ belangen.

Precies twee jaar geleden was ik te gast bij een bijeenkomst van de Veerstichting. Een club die het studerend kroost van onze maatschappelijke- en bestuurlijke elite voorbereidt op het – te zijner tijd – overnemen van het stokje. Het thema was de toekomst van macht en gezag. Een van de sprekers, een kolonel in hemdsmouwen, somde alle misrekeningen van Poetin op en gaf hem nog enkele weken, maanden hooguit. Dan zou zijn oorlog in Oekraïne verloren zijn en zag het er ook thuis in Rusland niet goed uit voor de dictator.

Nu, twee jaar later, wint Rusland terrein in Oekraïne, raadt de Nederlandse Vereniging van Banken aan contanten in huis te halen en meent Secretaris-Generaal van de NAVO Rutte dat we ons mentaal op oorlog moeten voorbereiden. Over wat dat is en hoe dat moet, zijn al te veel columns geschreven en cartoons getekend. Het is Wenken voor de bescherming van uw gezin en uzelf tijdens de jongste dag, (1961) van Harry Mulisch revisited.

Concreter wordt het waar de rijksoverheid ons op individueel niveau adviseert een radio op batterijen, een zaklamp, mondvoorraad en drinkwater voor een paar dagen in huis te halen. Van de overheid op lokaal niveau horen we slechts dat de VNG zich aansluit bij de oproep tot versterkte weerbaarheid tegen cyberdreiging, terrorisme, extreem weer en oorlog. Waar dat concreet uit zal bestaan moet komend jaar duidelijk worden uit overleg onder leiding van het ministerie van Justitie en Veiligheid, het Veiligheidsberaad en de NCTV.

Hier geen survivallessen en EHBO voor scholieren zoals bij de Finnen of getrainde burgerparaatheid op het niveau van wijk of buurt, zoals bij de Noren en de Zweden 

Met survivallessen en EHBO voor scholieren zoals bij de Finnen zullen de gemeenten zich niet gaan bezighouden. Bij ons gaat het lokaal bestuur over de gebouwen en niet over de inhoud van het curriculum. Getrainde burgerparaatheid op het niveau van wijk of buurt, zoals bij de Noren en de Zweden, zie ik ook nog niet zo snel gebeuren. Bij ons komt het voorlopig niet verder dan een proefballonnetje over terugkeer van de actieve opkomstplicht, maar dat is dan weer een zaak van het Rijk.

Te voorspellen valt dat er wel een prominente rol zal zijn weggelegd voor de ‘meekoppelende belangen’. Een toverformule die eerder al werd ingezet om de grote transities op het gebied van energie, duurzaamheid, mobiliteit, landbouw en nog meer behapbaar te maken.

Het komt er in het kort op neer dat we de straat niet langer openbreken voor verbreding van de riolering alleen. We gaan er ook aan denken tegelijkertijd tramrails te leggen voor duurzaam OV, bomen tegen de hittestress te planten en straks mogelijk ook schuilgelegenheden, schuttersputjes of andere weerbaarheidsvoorzieningen in te graven. En dat alles bij voorkeur op het moment dat er toch al onderhoud op de planning stond.

Hier pakken we het meteen integraal aan, met eerst veel praten en participeren 

Integraliteit om je vingers bij af te likken, met alle nadelen van dien. In weerwil van de grote maatschappelijke behoefte aan een daadkrachtige overheid zullen de opgetelde wensen- en eisenlijstjes concreet resultaat juist vertragen.

Dat hoeft niet heel erg te zijn, want ook het proces van praten met de minister en de veiligheidsorganisaties, het participeren van bewoners en het oplijnen van de uitvoering draagt al bij aan onze ‘mentale voorbereiding’ op de oorlog die volgens Rutte nog zeker een jaar of vijf tot zeven op zich laat wachten.

Deze column verscheen op 23 december 2024 bij Romagazine.nl