Categoriearchief: geen categorie

woonwagen- en woonbootbewoners

De jongste aanwinsten op de inventarislijst Immaterieel Erfgoed Nederland zijn weer bekend gemaakt. Zoals gebruikelijk gaf dat aanleiding tot Voskuijliaanse beschrijvingen in de media. Niet van de rituelen rond de nageboorte van het paard of de vorm van de dorsvlegel als indicatie van cultuurgrenzen, zoals in Het Bureau te lezen viel.

Wel van aard en wezen van de Indische rijsttafeltraditie, het Molukse slurpgerecht Papeda en het wonen op het water in Nederland. Op dat laatste sloeg ik aan, want ik ben een getogen woonbootbewoner. Mijn ouders waren Amsterdamse woningnoodemigranten. Met een vleugje avonturiersbloed, dat wel. Zij ontvluchtten een bovenwoning in de Vespuccistraat in Amsterdam-West om een klein bootje zonder stroom of water te betrekken in Amsterdam-Noord.

Toen ik geboren moest worden, trokken mijn ouders tijdelijk in bij mijn grootouders van moederskant. En het was al niet ruim in de woning aan de Kometensingel tegenover de NDSM-scheepswerf. Een opgebouwde tjalk in de Beemsterringvaart nabij Purmerend bleek beter geschikt om een gezin te huisvesten. Er was een officiële ligplaats, een watertappunt en elektriciteit die via een doorhangende draad vanuit een houten paal op de dijk aan boord kwam. Ik zie de monteur nog zo met zijn stijgijzers in de paal klimmen voor een reparatie.

Tot zo ver past het verhaal naadloos in het vertoog waarbij ontwikkelingen in de binnenvaart en de woningnood aan elkaar gekoppeld worden. Een verouderd schip bleef liggen in doodlopend water met het bejaarde schippersechtpaar als sedentaire bewoners. Of het werd verkocht aan armlastige slachtoffers van de woningnood die er een woning in timmerden en ergens officieel of officieus ligplaats kozen.

Gevaarlijke ‘onmaatschappelijken’

Wat weinig aandacht krijgt in de publiciteit rond de lijst van het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland is het feit dat er in ons land altijd op het water is gewoond. En dan vooral door rondtrekkende lieden. Losse arbeiders die hun schuitje afmeerden bij het werk aan te graven kanalen of sluiswerken. Colporteurs zonder vaste woon- of verblijfplaats, ‘reizigers’ en kermisklanten die het in een huis niet uithielden. Mensen met een verleden waardoor ze aan de rand van de samenleving waren beland. Woonbootbewoners vielen dan ook samen met woonwagenbewoners onder één wet.

En niet alleen de wet schoor ze over één kam. Ook de ‘burgers’ in de huizen van de dorpen en steden deden dat. Ik mocht bij sommige vriendjes van school niet over de vloer komen, want met zo’n kind van de dijk wist je maar nooit. Dat er ondertussen ook hippies aan de dijk kwamen wonen, hielp niet. Hun schepen en opstallen waren net zo bouwvallig als die van sommige ‘oorspronkelijke’ bewoners, maar dan schaamtelozer en kleurrijker.

Bij een ontruimingsactie tegen illegale schuurtjes en tuinen van de bootbewoners bleek de lokale overheid nog niet gewonnen voor het idee van de ‘zwakken in de samenleving’. De oproerige bootbewoners werden nog ouderwets als gevaarlijke ‘onmaatschappelijken’ met cordons van politie van de buitenwereld afgeschermd, terwijl op een patrouillerend politiebootje met karabijnen gewapende schutters een oogje in het zeil hielden.

Gentrificatie en grindtegels

Een tijdlang leken veel gemeenten een uitsterfbeleid voor woonschepen te voeren zoals dat ook was ingezet voor woonwagenbewoners die vanuit hun woonwagenkampen moeilijk integreerden en dus richting ‘burgerwoning’ werden bewogen. Een strategie van lange adem waartoe de meeste besturen niet in staat bleken. Niet heel veel later deed de jaren zeventig-variant van de gentrificatie zijn intrede in de wereld van het waterwonen. Betonnen arken vervingen de voormalige bedrijfsschepen en de grindtegel dook op in steeds keuriger tuintjes aan de wal.

Ook de culturele verhoudingen tussen walbewoners en bootbewoners gingen schuiven. Met de echte hippies als kwartiermakers verschenen artistiek angehauchte middeninkomens in de watergemeenschappen. Mensen met een grote mond, die wel de taal van de overheid begrepen en spraken. Zij kwamen steeds vaker georganiseerd op voor hun belangen.

Dat leidde overigens niet tot een duidelijker juridisch positie van het waterwonen. Of een roerend goed een echte woning kon zijn bleef omstreden. Met welke vergunningen waar en voor hoe lang een ligplaats legaal ingenomen kon worden, was op veel plaatsen ook niet helder. En dat gold dan ook voor de waarde van het schip of de ark, want zonder ligplaats was die waarde niet groot. Nog een wonder dat meerdere banken lange tijd hypotheken voor woonarken verstrekten. Blijkbaar had men daar minder last van koudwatervrees.

Nieuwe rafelranden

Zoals wel vaker lossen de problemen zichzelf grotendeels op of worden van de weeromstuit een voordeel. Aanhoudende woningkrapte, bravere bewoners en een verbeterd imago maken het waterwonen voor nieuwe groepen aantrekkelijk. Gemeenten ontdekken dat waterkavels een aanvulling kunnen zijn op het bouwpotentieel en dat ze op gewilde plekken evenveel kunnen opbrengen als grondkavels aan de wal. Maar dan met minder kosten voor het bouwrijp maken en de ontsluiting.

Ook het klimaat is vaak een argument voor waterwonen. Want wie drijft, komt niet onder water te staan. Of dat gebeurt wel, maar dat ligt dan aan een te zware opbouw of een slechte financiering omdat inmiddels nog maar een enkele bank hypotheken voor arken verstrekt. Het is ze te ingewikkeld en te lastig te standaardiseren. Kennelijk zijn er genoeg mensen die ondanks deze belemmering een waterwoning kunnen en willen kopen. Ook als de woningmarkt terugvalt, lijken er geen redenen meer waarom dat het waterwonen extra zou treffen. Het water is dus geen wijkplaats meer en zal dat ook niet worden.

Nu de 900.000 woningen van Hugo de Jonge nog wel even op zich zullen laten wachten, moeten woningzoekenden op zoek naar nieuwe rafelranden. Het kraken komt alweer een beetje terug en ons land telt veel vakantiewoningen van beleggende boomers die prima permanent te bewonen zijn.

Deze column verscheen op 18 november 2022 bij ROMagazine.nl

Dwingende ambtenaren

Meer dan achthonderd Amsterdamse ambtenaren ondertekenden inmiddels een merkwaardige brandbrief. Een opstel waarin zij het stadsbestuur oproepen tot aangescherpte en versnelde klimaatmaatregelen. De ambitie reikt niet ver genoeg en het beleid heeft te weinig prioriteit. ‘Dit doet geen recht aan wat Amsterdamse burgers mogen verlangen’, stellen zij dramatisch. Mij lijkt dat die burgers juist iets anders van hun stadsbestuur mogen verlangen.

Waar ambtenaren neutrale uitvoerders van beleid zouden moeten zijn, ontpoppen zij zich hier als klimaatactivistische burgers en -ambtenaren tegelijk. Want, zo stellen zij, wij en de onzen leven in en rond Amsterdam en lopen daar gevaar (zou het buiten de stadsgrenzen meevallen?). Bovendien kunnen zij de huidige praktijk van het beleid niet verenigen met hun ambtseed. Dat is nogal wat, maar kennelijk geen aanleiding tot hongerstakingen of principiële werkweigering.

Het gaat dan ook niet om ambtenaren die zich tegen de koers van het stadsbestuur keren. Dan was de reactie op de brandbrief waarschijnlijk aanzienlijk minder mild geweest. Het gaat hier om een oproep tot intensivering en versnelling van dat beleid. Dat komt het bestuur niet slecht uit, want het kan wel wat ‘buitenparlementaire steun’ gebruiken bij het forceren van doorbraken in de impasses rond de plaatsing van windmolens en het doorzetten van de aardgasvrije wijken.

Een draaistoel om een lamp in te draaien 

De activisten doen een beroep op de zorgplicht die zij samen met het stadsbestuur hebben voor de veiligheid en het welbevinden van de Amsterdammers. Maar als het gaat om de staat van het klimaat, doet het al dan niet halen van de stedelijke ambities er weinig toe. Daarmee bevindt de brandbrief zich in het domein van de symbolische acties, terwijl bestuur en ambtenarij juist een taak hebben in de echte wereld.

Waar het klimaat temmen om de stad te redden zoiets is als een draaistoel gebruiken om een lamp in te draaien, zou een stevig pakket klimaatadaptatiemaatregelen wel degelijk zoden aan de dijk kunnen zetten om de stad klimaatveiliger te maken. Klassieke maatregelen als het versterken van dijken, gemalen en afwateringen, aanleggen van en breed communiceren over vluchtwegen, maar ook het aanleggen van waterbergingen, wadi’s en sedumdaken. Van de inspanningen die op dat vlak worden getroost, horen we weinig.

Een dubieuze actie om het bestuur onder druk te zetten bij lastige dilemma’s 

Dit alles maakt de brandbrief een dubieuze actie om het bestuur onder druk te zetten bij lastige dilemma’s. De plaatsing van enorme windmolens nabij bewoond gebied is met reden omstreden. De weinig duurzame stadsverwarming (want afhankelijk van restwarmte) als alternatief voor de transitiebrandstof aardgas collectiviseert de basisbehoefte van burgers aan warmte. Een deel van de ambtenarij wil het stadsbestuur kennelijk dwingen hierover niet in een reëel gesprek met bewoners te gaan, maar de ingeslagen weg door te drukken en te intensiveren.

Deze column verscheen bij ROMagazine.nl op 3-11-2022

Blikjesroof

Ik sprak op het feestje met de criminoloog die vertelde dat een student bij hem onderzoek doet naar ‘blikjesroof’. Een fenomeen waarbij stadse scooterjeugd het omliggende platteland afstruint om de blikjes te legen die naïeve plattelanders bij hun groente-, fruit- en eieren- stalletjes aan de weg zetten. Het frame lag al helemaal klaar, aan de student nog slechts de taak het in te kleuren met wat interviews en data.

Op het pastorale platteland zouden boeren al sinds mensenheugenis niet alleen een touwtje uit de brievenbus laten hangen, maar ook kraampjes met verse producten inrichten met een blikje erbij om het geld in te doen. Dat gaf zelden problemen tot ‘jongeren’ uit de stad op rooftocht gingen. Kom er maar in student, met je interviews en data.

Maar die kraampjes zijn eigenlijk een heel recent verschijnsel. Ze stammen van ruim na de wederopbouw. De bakker en de groenteboer kwamen niet langer aan huis en winkeliers kregen steeds meer concurrentie van de supermarkt. Die verandering gaf onrust en een gevoel van verlies, kan ik rustig postuleren want ik ben geen wetenschapper.  

Het was ook de tijd van ‘terug naar de natuur’ en de opkomende milieubeweging. De kraampjes werden een uiting van het verzet tegen de voedselindustrie, de supermarkt, het consumentisme en een hang naar puur en sober. Het leerstuk van de ‘korte ketens’ is daar recent nog bijgekomen. Een duurzaamheidsidee dat naadloos aansluit bij de neiging ons terug te trekken achter de dijken.

Voedingsmiddelen rechtstreeks van de boer hebben onze sympathie, en alles wat er bij hoort ook 

Alles wat mechanisatie en rationalisatie gebracht hadden, werd in de vroege jaren zeventig verdacht. Machines, kunstmest en bestrijdingsmiddelen – die maakten dat we meer produceerden dan we op konden (nooit meer honger!) en ouder werden dan ooit daarvoor – waren opeens niet meer oké.

De producten van de voedingsmiddelenindustrie die gezorgd hadden voor constante kwaliteit, een eerlijk gewicht en hygiënische langhoudbaarheid, stonden voortaan te kijk als ongezond pakjes- en blikvoer dat zoveel mogelijk gemeden moest worden.

Alles dat de verworvenheden van moderne landbouw en veeteelt ontkende, had voortaan onze sympathie. Voedingsmiddelen rechtstreeks ‘van de boer’. Ambachtelijke boter, kaas en eieren. Producten zonder E-nummers (onder andere conserveermiddelen). We gingen graag meer betalen voor minder gegarandeerde kwaliteit, twijfelachtige houdbaarheid en smoezelige bruinpapieren verpakkingen.

Destijds al bracht de cabaretier Paul van Vliet een calculerende boer op de planken. Een boerenslimme agrariër die inspeelt op de romantische verlangens die stadsmensen op het platteland projecteren. Het mocht niet baten.

Als stadse jongeren al meer dan eerder (welk eerder?) blikjes zouden roven in het ommeland, dan is dat in de eerste plaats omdat die blikjes nu bestaan en vroeger niet. Als het platteland daarop verongelijkt kraampjes en blikjes verwijdert, dan is daar weinig aan verloren. De bulk van onze boodschappen waren we stiekem toch altijd al bij de supermarkt blijven doen.

Deze column verscheen op 14 oktober 2022 op Romagazine.nl

Over de rand kijken

Een jaar of twintig geleden begon ik bij VROM in het veld van ruimtelijke ordening en milieu. Aan de communicatiekant, niet als inhoudelijk deskundige. Laat dat gezegd zijn. Het klimaat was ook toen hot. Excuus voor de woordspeling. De klok stond op vijf voor twaalf en is daar tot zeer recent op blijven staan. Dat moeten we nu bezuren.

‘Als we nu niets doen, dan…’ Niets minder dan een grote maatschappelijke omwenteling moest redding brengen en tot die tijd hielpen alle kleine beetjes. Die kleine beetjes gingen bij voorkeur over minderen. Minder consumeren, minder rijden, stoken en uitstoten (mitigatie). Je voorbereiden op klimaatverandering en de gevolgen daarvan (adaptatie), was minder sexy. Dat gold toch een beetje als (misplaatst) ingenieursoptimisme of defaitisme over de kansen van de groene toekomst.

Stapjes naar een groene toekomst 

De kleine beetjes moesten het liefst naar de natuurlijke stip op de horizon wijzen. Dus veel aandacht voor recycling, circulaire economie, windmolens en zonnepanelen. En als we dan toch gingen adapteren, dan met het aanleggen van wadi’s in woonwijken, bomen planten, ruimte voor de rivier en het weer kromtrekken van gekanaliseerde beeklopen. Alles om ons leven weer ‘dichter bij de natuur en de elementen’ te brengen.

Dijkverhogingen, extra gemalen en nieuwe sluizen waren meer voor Rijkswaterstaat en later – toen rechtse daadkracht hip werd en Rotterdam stadsmariniers kreeg – voor de Deltacommissaris en zijn nieuwe Deltaplannen. Kernenergie en opties zoals geo-engineering bleven taboe. Want het afval en gevaarlijk sleutelen aan weersystemen, maar eigenlijk omdat deze opties de gezochte maatschappelijke omwenteling minder urgent zouden kunnen maken.

Als het ging over de gevolgen van klimaatverandering, dan lagen die ver van ons bed – verdrogend Afrika, de atollen in de Stille Oceaan en hun gemeenschappen – of in de toekomst na de anderhalve graad opwarming, in de vorm van een gevaarlijke zeespiegelstijging, wispelturig weer, misoogsten, migratiestromen. Preciezer over de rand kijken, naar praktische gevolgen voor onze samenleving deden we veel minder.

Put your money where your mouth is 

Inmiddels lijkt het erop dat het allemaal wat sneller gaat dan voorzien. Het verhaal van ‘als we nu niets doen dan …’ – narratief moet je zeggen – dat ons moest aanzetten tot een grote ommekeer, voldoet niet meer. De klok is versprongen en we zijn daar niet goed op voorbereidt. Onverwachte overstromingen in lieflijke berg- en beekdalen, de Rijn die zo laag staat dat de aanvoer van zand en grind voor de bouw stilvalt, dreigend gebrek aan koelwater voor industrie en energiecentrales.

Klimaatverandering is natuurlijk niet de schuld van de mensen die al een halve eeuw roepen dat het roer om moet. Maar dat we zo lang het accent zijn blijven leggen op het spoor van dure en nauwelijks meetbaar effectieve mitigatie en veel minder op nuchtere adaptatie – put your money where your mouth is – dat heeft wel degelijk te maken met het frame waarin de omgang met klimaatverandering lang gestaan heeft. Dat verandert nu, maar als gezegd: wat laat.

Deze column werd bij Romagazine.nl geplaatst op 26-8-2022

Groei als gegeven

Er komt een staatscommissie voor advies over de gevolgen van de bevolkingsgroei in de komende dertig jaar. Een groei die, afhankelijk van het gekozen scenario, kan leiden tot 20 miljoen inwoners in 2050. De commissie gaat verschillende scenario’s doorrekenen, aangeven wat de effecten zijn en welk beleid de regering daarop kan maken. Vooral dat laatste is interessant, want bevolkingsgroei en hoe daarmee om te gaan is niet alleen een technische- maar vooral een politieke kwestie. En dat geldt ook op lokaal niveau.

De bevolkingsgroei zal goeddeels in de grote steden neerslaan, dus ook de steden bereiden zich voor. Ieder met eigen analyses en antwoorden, want de steden verschillen onderling nogal. Den Haag verwacht bijvoorbeeld tot 2030 met 10 procent te groeien tot 600.000 inwoners met een uitloop tot mogelijk 630.000 inwoners richting 2040.

Dat mag niet heel spectaculair klinken, maar de stad is sterk gebonden aan de huidige grenzen. Aan een kant de zee en beschermd (duin) gebied, aan de andere zijden de drukke Zuid-Hollandse regio. Meer woningen betekent hier meer hoogbouw en verdichting, terwijl de leefbaarheid op een aantal plekken nu al onder druk staat. Mensen klagen over overbewoning, afval naast de bakken, opgebroken straten en parkeerproblemen. Ook zorg, onderwijs en andere voorzieningen hebben of krijgen te maken met de gevolgen van bevolkingsgroei.

Een eerlijk verhaal

Om de inwoners van Den Haag betrokken te houden of te krijgen bij de ontwikkelingen in de stad, wil de gemeente niet alleen helder communiceren over gemaakte keuzes, maar ook over de dilemma’s en de afwegingen die aan de keuzes voorafgaan. Meer woningen in hoogbouw tegenover aantasting stadsgezicht, schaduw en wind. Verdichting versus groen en publieke ruimte. Meer mobiliteit met OV en fiets of de auto voor de deur.

Een eerlijk verhaal over keuzes waarin niet iedereen altijd zijn zin krijgt. Of een nieuw stadsbestuur – van waarschijnlijk dezelfde coalitiepartijen als nu – daarmee weg zal blijven komen is de vraag. De onvrede in de stad wordt door de oppositie effectief gemobiliseerd en dat zal onder het nieuwe college niet anders zijn. Naast bezwaren tegen de groei die in belangrijke mate van weinig kansrijke migranten komt en neerdaalt in wijken als Laak waar het toch al niet makkelijk is, spelen ook andere sentimenten een rol.

Hardnekkige kleinsteedse idylle

Den Haag is een dorp (nooit stadsrechten gekregen) en koestert de kleinsteedse idylle van een rustige en voorname plaats. Op andere plekken in de sterk gesegregeerde stad weten ze dat die idylle niet bestaat. Daar willen ze oplossingen voor hun dagelijkse problemen. Geen ontwikkelingen die de problemen in hun ogen juist verergeren. Aan beide kanten is aan groei helemaal geen behoefte. Dat kun je met cijfers en statistieken in de hand onrealistisch vinden, maar het is wel een groeiend politiek feit.

Deze column verscheen op 3 augustus 2022 op Romagazine.nl

Het gelijk van de zwemsteiger

Het water van Nederland scoort het slechtst van Europa, aldus de nieuwste Europese ranglijst. Alles wordt minder, Moeder Aarde weent. Is het heus? Welnee, ons water is schoner dan het lang is geweest.

Wie destijds onze toenmalige kroonprinses Máxima voor het goede doel een baantje in een Amsterdamse gracht zag trekken en nu de krant opensloeg, moet even de wenkbrauwen hebben opgetrokken. Huh? Steeds meer stadse zwemplekken en toch vies water? 

Dat kan niet en het is ook niet zo. Na eerder klakkeloos alarmerende berichten van Natuur & Milieu te hebben overgenomen, dringt in de kranten nu het hele verhaal door. 

We hebben ons met groene verf in een hoek gekwast waar stikstof-achtige lockdowns dreigen

Als altijd heeft gidsland Nederland aangedrongen op een strenge Europese Richtlijn ( Kaderrichtlijn Water) en zelf voor een heel precieze vertaling in Nederlandse regelgeving gekozen. Aldus hebben we ons met groene verf in een hoek gekwast waar stikstof-achtige lockdowns dreigen.

Natuurlijk is er nog het nodige aan te merken op de kwaliteit van het water in onze rivieren, plassen, grachten en sloten. Er watert nog steeds DDT van vroeger uit naar grond- en oppervlaktewater, er is residu van kunst- en koemest en de boeren houden de waterstand te laag, waardoor de viezigheid in het grondwater komt. Bovendien hebben onze waterlopen maar zelden natuurlijke beddingen en oevers. Ook dat laatste telt, hoewel het weinig met waterkwaliteit en alles met landinrichting te maken heeft.

Voor een land met een groeiende bevolking en een intensief ruimtegebruik is het eerder opmerkelijk dat de waterkwaliteit vooruitgaat

Maar voor een land met een groeiende bevolking en een intensief ruimtegebruik is het eerder opmerkelijk dat de waterkwaliteit vooruitgaat dan dat die kwaliteit nog niet optimaal is. Landen die er nooit in geslaagd zijn een deel van het territorium in cultuur te brengen dat maar in de buurt komt van Nederland, scoren het best in de Europese ranglijst. Dat is geen verdienste van die landen, dat is armoede of een teveel aan natuur.
Het zal onze belangenbehartigers van het milieu er niet van weerhouden om hun cultuurkritiek (groeidenken, consumentisme) en het frame waarin de groene waarden altijd aan het kortste eind trekken, bij de rechter in te zetten om over de Europese band een gelijk te halen dat niet strookt met de werkelijkheid die aan iedere Hollandse zwemsteiger te ervaren is.

Deze column verscheen op 10 juni 2022 bij ROMagazine.nl

crisis als kans

De oliecrisis van 1973 had niks te maken met oprakende olievoorraden, maar alles met de steun van Nederland aan Israël tijdens de Jom Kipoeroorlog. Toch slaagde minister-president Joop den Uyl erin de boycot te framen als een wake-up call voor aantasting van het milieu, ons consumentisme en de eindigheid van fossiele brandstoffen. Mede dankzij onze calvinistische inborst en het Rapport van de Club van Rome van een jaar eerder kregen we autoloze zondagen. Het zou nooit meer worden zoals het was geweest en daar hoefden we niet ongelukkiger van te worden. Integendeel zelfs. Die boodschap krijgen we nu ook weer.

Als een gestrande walvis


De oliecrisis was – voor zover ik weet – de eerste keer na de geleide loonpolitiek van de jaren vijftig dat we ons lieten afknijpen met een verhaal over hooggestemde collectieve doelen. Het moest allemaal anders, vooral minder en dit was het moment. Na enkele maanden onderhandelen ging de oliekraan weer open en sloot het ‘Window of Opportunity’ voor de betere wereld geruisloos.

Ik sla een paar crises over om uit te komen bij de coronacrisis die nu precies twee jaar geleden uitbrak. De klimaatcrisis werd min of meer geparkeerd, want in ons hoofd is geen ruimte voor twee crises tegelijk. Ook de coronacrisis bleek een kans voor transitiebepleiters. Was corona immers niet de straf voor de ongebreidelde mondialisering, het gesleep met spullen over de wereld en het schaamteloos goedkope vliegen? Was er niet veel te winnen met korte ketens en knollen uit eigen tuin? Voor de volksgezondheid, onze natuur, nationale verbondenheid en vooruit: het klimaat?

Als de gestrande walvis die in oude tijden gold als voorteken van rampspoed, liep het mammoet containerschip Ever Given vast in het Suezkanaal. Als om te laten beseffen hoezeer we ons afhankelijk hadden gemaakt van de Chinese maakindustrie en de internationale handel in het algemeen. En nu werden we nog ziek ook van al die internationale contacten. Sterker: we gingen eraan dood. Mede dankzij internationale samenwerking in onderzoek en razendsnelle digitale uitwisseling van gegevens, werden in recordtempo vaccins ontwikkeld en kregen we de pandemie in twee jaar onder controle.

Roaring Twenties (maar dan anders)


Al bij de eerste verlichtingen van de lockdowns waren de files terug. De rechterbaan zat weer vol vrachtwagens en de linker met witte bestelbusjes. Dit kon geen crisis zijn en dat bleek ook wel. Economisch gezien viel het allemaal reuze mee, niet voor iedereen maar toch voor de meesten. De rest werd opgevangen met het ‘gratis’ geld waarover de overheid bleek te kunnen beschikken.

Terwijl we ons in de handen wreven in het vooruitzicht van onze eigen ‘Roaring Twenties’, liep het in het Oosten gierend uit de klauwen. Beschaamde verwachtingen over al dan niet uitbreiding van de NAVO in combinatie met een paranoïde Putin leidden tot een hete oorlog die er eigenlijk al was, maar die we een beetje hadden genegeerd. Roaring Twenties, indeed, maar dan anders.

En ook nu zien sommigen in de crisis weer een kans. Wilden we niet toch al van het (Russische) gas af en is dit geen geweldige stimulans voor zon, wind, waterstof, Hollandsche waar en matiging van ons energieverbruik? Met de campagne ‘Draai de knop om!’ worden we door minister Jetten geheel vrijblijvend uitgenodigd ons particuliere steentje bij te dragen. Voor de ambtenaren op kantoor ligt dat anders. Daar mengt de minister zich eigenhandig in de arbeidsomstandigheden door de thermostaat lager te draaien. Je vraagt je af of die medewerkers geen ambtelijke baas hebben die ze tegen dit soort politiek gedreven ingrepen beschermt.

Een warme solidaire trui


Belangrijker dan de kantoortemperatuur is het feit dat met deze salamitactiek van klimaat- en geopolitiek het leerstuk van de Liberale Vrede zonder veel discussie overboord gaat. Het idee dus dat internationale handel de politieke stabiliteit bevordert en helpt om oorlog te voorkomen. Is het niet veelzeggend dat ondanks de gruwelijke inval in Oekraïne het gas nog steeds onze kant op stroomt en we niet al in een hete oorlog tussen Rusland en de NAVO zitten? Moet Rob Jetten niet eerlijk zeggen dat zijn pleidooien voor duurzame energie en energiebesparing geen alternatief zijn in de acute crisis van nu, maar hooguit een beetje voor later?

Het klinkt kil naar de Oekraïners (blijf ze vooral anti-tank raketten sturen) maar misschien moet die gaskraan toch openblijven. Ook Putin verdwijnt ooit van het toneel. Dan kunnen we het gas gebruiken als ‘transitiebrandstof’ tot we met kernenergie en andere duurzame energiebronnen de klimaatcrisis (Oh ja, de klimaatcrisis) echt te lijf kunnen. Want het is hoog tijd om geen energie meer te steken in de knop van de thermostaat en een warme solidaire trui.

Deze column is sinds 15 april 2022 ook te lezen op romagazine.nl

Van de Duvel en de Grote Hoop

Ik tik in het donker een stukje op mijn telefoon. Gelukkig gaat het nog maar om een solidariteitsactie voor Oekraïne. Ik moet er niet aan denken dat de stroom en het gas er straks echt uitliggen. Toch moeten we bereid zijn om dat soort ‘offers te brengen’, horen we van verschillende kanten. Voor de slachtoffers, de mensenrechten en de democratie in Oekraïne. En uiteindelijk voor de vrijheid hier. Wie daar kanttekeningen bij durft te plaatsen, die kan niet deugen.

De driedubbelbeglaasden verklaren zich met gesubsidieerde zonnepanelen energieneutraal


Ondertussen weet iedereen dat de lasten van onze grootmoedigheid opnieuw gedragen zullen worden door de kwetsbaarste mensen in de lastigste wijken. Dat is geen complot van de meer geprivilegieerden, hoewel het goed uitkomt, maar meer een kwestie van, zoals mijn vader zei: ‘de duvel die altijd op de grote hoop schijt’.

De mensen met de lage inkomens in tochtige woningen stoken zich arm aan het dure gas, terwijl de driedubbelbeglaasden zich met gesubsidieerde zonnepanelen energieneutraal verklaren. Migranten en vluchtelingen komen steevast niet in de betere buurten terecht. Ook dat is geen vooropgezet plan, maar het gevolg van de beschikbaarheid van leegstaand maatschappelijk vastgoed en woningen in het sociale segment. Die staan niet aan de lommerrijke dreven, maar weer net in de buurten waar men toch al gemiddeld een paar jaar minder oud wordt dan aan ‘de goede kant van het spoor’.

Maar nu komt er dan toch een kans om de boel een beetje recht te trekken. De voormalige bejaardenhuizen zijn allang herbestemd en de rek in de sociale voorraad is er ook al tijden uit. Met de humanitaire crisis van nu, heeft de regering daarom onorthodoxe maatregelen op stapel staan. Belemmeringen om vluchtelingen op te nemen in tweede huizen en beschikbare kamers in particuliere woningen zullen worden weggenomen. Ik ben benieuwd waar dat toe gaat leiden. Ook benieuwd trouwens naar de uitkomst van de discussie die dit vast gaat geven op mijn volkstuinvereniging waar iedere tuin een huisje heeft. Wij spreken al jaren liefkozend van onze datsja. Gaat het ervan komen?

Bas van Horn

Deze column verscheen op 11 maart bij romagazine.nl

Duurzame of deugdzame stadsdistributie?

Al zo’n vijftig jaar lang zoeken onze grote steden naar fijnmazige, duurzame en schone vormen van verkeer en vervoer om de stad leefbaar te houden en het milieu te sparen. De elektrische witkar van provo Luud Schimmelpennink bood de Amsterdammer in de jaren zeventig van de vorige eeuw met diverse afhaal- en oplaadstations in de binnenstad een alternatief voor de eigen auto. Geen overbodige luxe, want het particuliere blik verstopte de stad, de openbare ruimte stond volgeparkeerd en de katalysator moest nog uitgevonden worden.

Veel kant-en-bijna-klaar

Overslagpunten aan de stadsrand zouden de vrachtwagens voor de winkelbevoorrading voortaan uit de stad houden. Kleinere, schonere busjes en boten gingen de spullen naar de winkels brengen. Waarom de witkar mislukte is nog steeds onduidelijk, maar dat geldt ook voor de vele experimenten met vuilnis-, pakjes- en bierboten, terwijl de overslag op bestelbusjes het verkeersinfarct vooral wat dieper in het stadshart bracht. Echt vaart kreeg de transitie pas met de introductie van elektrische voertuigen en in het bijzonder de schone en wendbare elektrische bak- en pakjesfietsen.

Met de komst van de flitsbezorgingsdiensten als Gorillas, Flink, Zapp, Getir en anderen, wordt nu de omwenteling voltooid. De gemaksgeorïenteerde stedeling werd door de grootgrutters de afgelopen jaren al bediend met kleinere winkels in de eigen buurt. Veel kant-en-bijna-klaar-producten voor kleine huishoudens, maar je moest er toch nog steeds de deur voor uit.

Tafeltje dekje, Uitgekookt en aanverwante initiatieven brachten al aan huis, maar hun service stond te zeer in de traditie van charitas en ‘een pannetje soep’ om echt groot te worden. Maaltijdbezorgers als JustEat en Hello Fresh knokten zich met veel geld van grote investeerders wel naar de voordeur van de jonge tweeverdieners.

Toppunt van individualisering

Nu staat binnen tien minuten een fietskoerier aan de deur met een rolletje drop tegen een concurrerende prijs. Ook weer dankzij investeerders die lang hun verlies nemen zolang het marktaandeel maar voldoende groeit en de database met adressen steeds meer waarde vertegenwoordigt. Fijnmaziger, klantvriendelijker en tegelijkertijd milieuvriendelijker gaat stadsdistributie ondertussen niet worden. Het is klaar.

Fijnmaziger, klantvriendelijker en tegelijkertijd milieuvriendelijker gaat stadsdistributie ondertussen niet worden


Zijn we nu dus duurzaam en tevreden? Nee, zeker niet. Overal wordt geklaagd over overlast, ondermijning van de sociale cohesie, oneerlijke concurrentie en afgeplakte winkelpuien. De dark stores van de flitsbedrijven terroriseren woonwijken met overlast van bevoorrading en voor de deur rondhangende flitsbezorgers, terwijl de gesloten gevels ‘no comment’ communiceren.

Ook wordt in het fenomeen het toppunt van individualisering gezien, waardoor zelfs de vluchtige ontmoeting in de winkel al niet meer plaats heeft en de laatste restjes buurtbinding teloorgaan. En ten slotte zijn nogal wat hippe stadsmensen tegen omdat de grote financiers achter de flitsfietsbezorgers met hun lange adem alle concurrentie uitschakelen en het winkelaanbod daardoor verschraalt.

Paal en perk

Het Amsterdamse stadsbestuur stelt als eerste stad paal en perk. Met een speciaal bestemmingsplan moeten nieuwe vestigingen in de toekomst geweerd worden en voor nu wil men in ieder geval een jaar lang geen dark stores erbij. Of dat allemaal nodig is, staat te bezien. Als we de bezwaren al serieus nemen, dan zijn ze in ieder geval prima te ondervangen. Overlast van bevoorrading was en is er natuurlijk ook van de gekoesterde buurtwinkels, maar dat wordt met venstertijden en aanvullende maatregelen tegen onnodig lawaai ondervangen. Het valt moeilijk in te zien waarom dat met de dark stores niet zou kunnen.

Dat geldt ook voor de ‘overlast’ van de bezorgers die voor de deur hangen omdat ze in hun eigen bedrijf niet of nauwelijks worden toegelaten. Lijkt me trouwens eerder een zaak van onwaardige arbeidsomstandigheden dan van overlast voor de buurt. Zet je als buurt in voor een hangplek bij het bedrijf binnen en je slaat twee vliegen in een klap.

Solidariteit ter waarde van een pak toiletpapier

Over gesloten gevels heb ik nooit iemand gehoord toen de nu populaire buurten nog overal in souterrains en onderstukken bergingen, opslagruimten en stallingen hadden. Onder het kopje gewenste functiemenging kun je de nieuwe bedrijven ook toejuichen, maar goed als je wilt klagen kun je bedingen dat de gevels zicht bieden op wat binnen gebeurt of anderszins worden opgeleukt.

De flitsbezorgbedrijven staan in de ogen van het stedelijk establishment voor de verwording van de consumptiemaatschappij


Het argument van de teloorgang der sociale cohesie en de oneerlijke concurrentie ten slotte lijkt me vooral een vage echo van het pleidooi voor de kleine buurtwinkel. Een vroom voornemen, terwijl men alleen nog bij de gedienstige middenstander kwam voor een bij de supermarkt vergeten boodschapje. Solidariteit ter waarde van een onsje ham of een pak toiletpapier. The times they are a changin en de stad verandert mee.

Het gaat niet om overlast, sociale cohesie of eerlijke concurrentie het gaat om morele verontwaardiging. De flitsbezorgbedrijven – die dankzij het internet, de financiers, de rechteloosheid van bezorgers en de elektrische fiets furore maken – staan in de ogen van het stedelijk establishment voor de verwording van de consumptiemaatschappij waarin de uitgestelde behoefte niet langer als deugd geldt en egoïstische individualisten voortaan de dienst uitmaken. Als je het fenomeen gewoon als een uitbreiding van het grootstedelijk dienstenpakket ziet, dan doe je iets aan de uitwassen en ga je over tot de orde van de dag.

Bas van Horn

Deze column werd op 4 februari 2022 geplaatst bij romagazine.nl

Van het Maankwartier en oude grandeur

Cultuurcentrum Schunck in het ‘glaspaleis’ van Heerlen doet precies wat een dergelijk cultuurgebouw – naast het verheffen van de eigen bevolking – moet doen. Mensen van buiten trekken die vervolgens blijven hangen om hun geld uit te geven aan de lokale middenstand. Tenminste, dat doet het in mijn geval.

Naar aanleiding van de Dag van de Stad in Heerlen afgelopen maandag en een speciale ROm-editie over IBA Parkstad, de Stadsregio Parkstad Limburg en het stedelijk vernieuwingsbeleid, moet ik terugdenken aan een bezoek van een paar jaar terug.

Schunck, genoemd naar het voormalig warenhuis, toont in 2019 de rondreizende tentoonstelling Basquiat, the Artist and his New York Scene. Heerlen is de meest bereikbare plek voor een Randstedeling om het werk van de legendarische graffiti-artiest en schilder te gaan zien. Cultuurhuis Schunck biedt veel interessants over de kunstenaar en hoe het zo gekomen is, maar betrekkelijk weinig van de schilderijen waarvoor ik gekomen ben. Enfin.

Hoe lang je een bezoek aan zo’n tentoonstelling ook rekt, op een bepaald moment sta je weer buiten. Je hebt niet zo lang in de auto gezeten om meteen weer terug te gaan, dus de stad in. Als een witte burcht op een rots lokt in de verte het Maankwartier. Een verbijsterende monoliet die al ver voor De Grote Kleine Treinen Competitie aan een modelspoorberg met tunnel doet denken.

Na beklimming van een steil pad in aanleg tref ik een gezelschap op excursie onder leiding van een excentrieke kunstenaar. Hij claimt de hele berg bedacht en tot in detail getekend te hebben. Van de woningen in de citadel tot de winkels eronder. Van de vele pleinen, nissen en niveaus tot de huisnummerplaatjes.

This town ain’t big enough


Van de steile trappen naar het ongunstige deel van de stad verwacht de artiest voldoende afschrikwekkende werking om de bewoners van Noord aan hun kant van het spoor te houden. Van de afdaling naar de binnenstad aan de zuidzijde zal de heilzame werking van het Maankwartier naar de oude binnenstad glijden. Als iemand het waagt iets te opperen over de weinig bescheiden opzet van het project, wordt hij verontwaardigd gecorrigeerd. Alsof Heerlen zijn kans niet zou mogen grijpen om verloren grandeur terug te winnen!

Wie vanaf Schunck is komen lopen heeft dan al gezien dat de oude grandeur op tal van plaatsen leeg staat, net als veel doorsnee winkelpanden. Winderige gaten markeren de plekken waar inmiddels tot sloop is overgegaan. Het is wel duidelijk dat de vele nieuwe winkelmeters in het Maankwartier de laatste kansrijke plekken van de binnenstad om zeep zullen helpen. Of de winkels op de maanberg blijven leeg omdat innovatieve ondernemers meer zien in oud leegstaand vastgoed met stijl en allure, nu nog verborgen onder het stof. This town ain’t big enough for both.

Kunstenaar, uitvinder, bouwmeester


De kunstenaar blijkt ondertussen Michiel Huisman. Een lokale artiest en uitvinder die ook echt de bouwmeester van het geheel is. Hij topt zijn gevels met sterren en planeten en heeft een soort klokkentoren met een zonnespiegel laten installeren om het licht te brengen waar het normaal niet komen kan. Een eerste bewoner is enthousiast over zijn woning en het uitzicht, de dame van het hip bedoelde koffietentje houdt zich behoedzaam op de vlakte. Ik drink een lokaal biertje in een oude kroeg tegenover Schunck. Aardige mensen aan de bar.

Inmiddels procedeert een vastgoedbaas met de gemeente over de winkelleegstand en is het plan voor een hotel in de burcht mislukt. De karavaan trekt verder en de burgemeester en de wethouder jubelen in ROm 11 van deze maand, helemaal gewijd aan IBA-Parkstad en de aanpak van urgente opgaven in de oude mijnstreek.

Deze column werd op 4 november 2021 geplaatst bij Romagazine.nl