Vrijschrijver

Broodschrijven of vrij schrijven: allebei leuk. Deze teksten zijn ‘om niet’ geschreven.

Impressies van Genua

Reus en masseur

In de Porto Antico van Genua staat een foeilelijke palenconstructie van de grote architect Renzo Piano. Hij komt hier vandaan en heeft ook een mini-ecodrome en een zeeaquarium laten plaatsen. Piano’s ingreep moest Genua de eenentwintigste eeuw binnenloodsen.

Toch is het oude Genua hier niet ver weg. In het café-restaurant op een steiger iets voorbij de kermis van Piano, is één tafeltje bezet. Een reus van een vent in een voetbalshirt, zijn vriendin met grote tieten in een getailleerde blouse en een smalle secondant zitten aan het tafeltje bij de draagbare gaskachel die begin maart nog hard nodig is.

De reus heeft een imposante schouder- en nekpartij die overgaat in een opgeschoren achterhoofd. Uit de voorkant van het hoofd komt een stem die angstaanjagende grapjes en commando’s voortbrengt. De bediening is snel en waakzaam.

Aan een tafeltje aan de andere kant van de zaak drinken wij, bij wijze van aperitief, een opvallend lekkere witte huiswijn. Als ik toch weer even schielijk omkijk, is de reus apart gaan zitten en wordt daar even innig als hardhandig gemasseerd door een tanige oudere man.

De masseur smeert zijn handen in met olie en kneedt het vel los van de kop. Hij slaat zijn armen om de oren en rukt aan het fundament van het hoofd. Even later zet hij zijn vuisten in de rug van de reus. Hij draait met zijn knokkels en even vertrekt de mond in het hoofd. Ondertussen kijkt de man – die een kooivechter zou kunnen zijn- ingespannen op zijn telefoon of maakt het de masseur lastig door zijn blik en daarmee het hoofd te richten naar de persoon die een opdracht krijgt of een grapje ondergaat.

De secondant houdt bij de kachel de vrouw in de krappe blouse gezelschap. Dat lijkt vaker zo te gaan als de reus met andere mannen bezig is. De secondant hoort daar niet bij. Hij is ongevaarlijk.

Ik zou me echt om moeten draaien om te zien wat er gaande is. Mijn vrouw niet. Gefascineerd kijkt ze naar het tafereel. Ik fluister dat ze dat beter niet kan doen. Als onze glazen leeg zijn en de bittergarnituur op, rekenen we zo ontspannen mogelijk af. We groeten vriendelijk en sluiten zachtjes de deur achter ons.

Goddank heb ik niet gemerkt dat ze niet alleen gekeken heeft, maar ook nog een foto maakte van de reus en zijn masseur.

geen zee te hoog

Het was een lange dag. Ontbijt met een marmelade croissant aan het Piazza Ferrari, dan naar de overdekte markt aan de avenue van de Twintigste september en door naar de lift voor het uitzicht vanuit de bovenstad en een lunch in een scheepsbetimmerde uitstalkast van binnen- en buitenlands gedestilleerd.

Het model van een passagiersschip boven de toog lijkt een wilde zee van alcohol te bevaren.

Een zwaar zieke man gebruikt zijn maal en een fles rode wijn. Zo nu en dan legt hij zijn bestek neer en grijpt naar zijn buik. Als de aanval is weggeëbd hervat hij zijn lunch. Na het dessert van huisgemaakt pistache ijs trekt hij z’n creditcard en komt met gepijnigde blik overeind. De taxi staat voor.

We genieten aan het einde van de middag een koude haventour op een snelle boot. Genua blijkt een echte werkhaven met kolenoverslag, containers en een vliegstrip voor Cityhoppers.

Genoeg gelopen en gezien voor vandaag. Voor het diner steken we vanuit ons appartement schuin over naar het nog lege maar beloftevolle restaurant op nog geen vijftig meter afstand.

De inrichting is warm, de temperatuur in het etablissement laag. Ik houd voorlopig mijn jas aan. De afspeellijst heeft veel Sinatra. In de keuken staat een goedlachse jongen, in de bediening een nerveuze Italiaanse.

Aan het enige andere tafeltje dat bezet is geraakt zit een middelbare Italiaan vertederd toe te kijken hoe zijn jonge tafelgenoot een stevig hoofdgerecht eet. Hijzelf houdt het bij een voorafje. De Afrikaanse bedelaars met een marginaal handeltje van polsdraadjes en een pakje zakdoekjes worden hier niet weggestuurd. Sterker nog: ze lijken het personeel en de jonge amant van de middelbare Italiaan te kennen. Hier dreigt het verhaal een Houellebecqiaanse wending te krijgen.

leren stoelen

Met de briljant eenvoudige Italiaanse uitvinding van de percolator, een lekker broodje en een sinaasappel, begint de dag nog even binnenshuis.

In het Palazzo Bianco concurreren twee zaken met de topschilderkunst van de Italiaanse Renaissance en daarna. Om te beginnen de collectie suppoosten waarvan direct duidelijk is dat ze onbemiddelbaar zouden zijn voor iets anders. In de tweede plaats de overweldigende hoeveelheid opvouwbare stoelen met doorleefde tuiglederen zittingen. Of hangmatten eigenlijk.

Elk exemplaar zou op zich een pronkstuk zijn in een gerenommeerde vintage zaak. Hier staat er een op iedere zaal en soms meerdere in groepjes. Je mag er zo in neerploffen ook al ziet het leer oud en droog. Nee, dan de geklimatiseerde kamer met de lievelingsviolen van Paganini, daar wordt niets aan het toeval overgelaten.

Voor het aperitief volgen wij onze grote vaderlandse dichter en romantische aansteller. Hij placht zijn namiddagse tremolo te bestrijden bij het boekwinkeltje waar tegenwoordig vooral geschonken wordt. Het kan natuurlijk zijn dat hij de horeca aankleding daadwerkelijk heeft aangezien voor een restant van de literaire negotie, maar waarschijnlijker is het dat hij koos voor een dichterlijke vrijheid. Anyway, men schenkt er een zachte primitivo en zet de negroni vanzelfsprekend voor de man van het gezelschap. Het mengsel van gin, campari en vermout is blijkbaar een mannendrankje. We ruilen zelf onze glazen.

Dan in de wirwar van stegen en straatjes op zoek naar de geheimtip van onze tijdelijke huisbaas. De Osteria waar we zondag zonder reservering niet terecht konden en nu – op dinsdag notabene- weer niet.

Iets anders dan. Maar waar de buurt ‘s middags van de leuke eettentjes vergeven leek, vinden we nu vooral gesloten rolluiken. Het wordt een Spaans-achtige zaak omdat je nu eenmaal niet rond wilt blijven dolen. Ik kan hier makkelijk een Martin Bril-waardig chagrijn bij ontwikkelen, maar besluit ons dat niet aan te doen.

Het meisje alleen aan een tafeltje schuin achter ons heeft het trouwens veel moeilijker. Ze lacht beleefd ongemakkelijk naar de bediening en tikt ondertussen afwisselend bezorgde en boze appjes naar wie haar zo vreselijk laat zitten. En dan is het notabene nog acht maart ook, internationale vrouwendag. De dag waarop alle dronken Russen bloemen meebrengen voor hun vrouw. Als ze tenminste niet in Oekraïne aan het vechten zijn.

zeebad

Een kwartier met de trein en je bent vanuit Genova in Genova Nevi, aan de Italiaanse Rivièra. Hier had men honderd jaar geleden al door dat de vissersbootjes beter rendeerden als decoratie van de haven dan als productiemiddel in de visserij.

De wandelpromenade langs de rotsen is een platgetreden pad van het vroege toerisme. En terecht. De villa’s, de pijnbomen en de doorkijkjes naar zee zijn na een eeuw nog altijd van adembenemende schoonheid. Net als de twee jonge meisjes die samen met een knul van dezelfde leeftijd in Nevi uit de trein stappen.

Voor het overige zijn wij wandelaars allemaal min of meer op leeftijd. Wij genieten van de strakgeplaveide promenade en koesteren ons als reptielen aan de zon en de opgewarmde rotswand. Een cruiseschip drijft doelloos voor de kust. Naarmate het de ene positie inruilt voor de andere en toch nauwelijks van zijn plaats komt, wordt het steeds meer een metafoor voor de zinloosheid van het bestaan.

Een oud zeebad met blauwe balustrades, witte stuc en verschillende terrassen op de rotsen bij het water, vormt de achtergrond van een eenvoudige en perfecte lunch die – mede dankzij een meer dan relaxte bediening- eindeloos gerekt wordt. Als we ons toch weer bij elkaar geraapt hebben, passeren we in jassen en shawls opnieuw het punt waar lager op de rotsen een gebronsde man in Speedo gedrapeerd ligt alsof hij hier van grote hoogte is neergevallen. Even verderop heeft een meisje van vijftig plus zich omgedraaid. Ze laaft haar blote bovenlijf aan de zon, terwijl een minuscuul bikinibroekje haar gladde schaamstreek grotendeels onbedekt laat.  De nieuwe mores zullen niet toestaan dat de meisjes uit de trein ooit zo te bewonderen zullen zijn.

sterfbed

Even geen zon vanmorgen. Jammer, want we gaan voor de Villa Croce. Een bescheiden museum voor hedendaagse kunst in een park met uitzicht op zee. We durven al op het gevoel door de middeleeuwse stegen te koersen. Google maps doet het hier trouwens vaak niet. Voor de trappen van het museum houdt een juf met haar uitgelaten klas een afstandswedstrijd voor papieren vliegtuigjes. Filmische beelden.

Binnen is een tentoonstelling gewijd aan de schilder Giannetto Fieschi. Een viriele blonde Italiaan die uitgemergelde gestalten schildert in de trant van – kom, hoe heet hij ook alweer – (dit gebeurt dus steeds vaker). Egon Schiele! Hij heeft ook zijn eigen sterfbed geschilderd op een oud wandmeubeltje.

 Buiten doet de juf met de kinderen weer een ander spelletje. De zee ligt er ondertussen kalm bij. Wij drinken aan de laan achter het museum een cappuccino met een mini-brioche ernaast. Aan de bar laat een bejaarde buurtbewoner zich zorgvuldig een martini mixen.

De malle gewoonte om in het buitenland opeens kerken en begraafplaatsen te bezoeken, leek achter ons. Nu doen we toch weer allebei. Aan de rand van de stad tegen de berghelling lopen we over een in de negentiende eeuw gestichte necropool.  De vers gedolven graven laten zien waar het hier in essentie om gaat, maar de estheet komt meer aan zijn trekken bij de als ‘burgerlijk realistisch’ omschreven familietombes. Als je ze ziet, snap je het meteen. De stofuitdrukking van de zware ongemakkelijke herenkostuums is perfect en de benauwenis van de damescorsetten voelbaar. En daar komen de smartelijke poses dan nog eens bij. Hier is veel geleden en niet alleen bij rouw.

Met bus 34 worden we weer naar het Centro Antico gebracht. Het ruigste hoekje hadden we nog niet verkend. Hier staan Afrikaanse jongemannen opzichtig op de uitkijk en slijpen Mohammedaanse slagers hun messen. Niemand valt je lastig.

De zon schijnt alweer even en voor hij onder is haasten we ons naar de kade naast de voormalige katoenpakhuizen. Met uitzicht op de luxejachten drinken we ons aperitief tot de kou ons in de botten kruipt. De stad in voor een vroeg diner. Na de extra kilometer – we hebben er dan al achttienduizend stappen opzitten – voor een biertje op een terras met net iets minder Heinekenuitstraling, mag ik nu niet zeuren over een Le Marché restaurantje aan een toeristisch pleintje. Ik doe het toch en ze vindt me vreselijk. Het hoofdgerecht is prima en het komt toch nog een beetje goed. We slaan twee keer een hoek om en zijn in het appartement dat al helemaal als thuis voelt.

paard

Laatste volle dag, de zon schijnt en we gaan de stad uit. Genua verdedigt zich aan de landzijde met een serie forten op strategische bergtoppen. Met een treintje dat sinds honderd jaar de dorpen in het achterland met de stad verbindt, naar het verstgelegen fort en dan via de andere forten teruglopen naar Genua. Dat is het plan.

We lopen naar het treinstationnetje dat goed verstopt is. We passeren een drukke verkeersweg midden in de stad. Hier ligt een monumentaal gebouw met een hoog beroet voorportaal. Daarin staan vier glimmende auto’s krap geparkeerd. De Genovesen – en misschien wel alle Italianen – zijn onbekommerd te gast in hun eigen geschiedenis.

Het treintje blijkt uitgerekend vandaag niet te rijden. Google maps adviseert een reeks bussen. We zien alle buitenwijken vanuit oorverdovend rammelend openbaar vervoer. De chauffeur van de 184 stuurt ons tot slot met één hand door de haarspeldbochten de bergen in. Het rempedaal gebruikt hij alleen ter afwending van direct levensgevaar. Boven is het koud en we hebben geen idee waar de wandelroute begint.

Of toch. De dichtstbijzijnde burcht is twee uur klimmen en het vervolg ongewis. En route, want omkeren is geen optie. Het wordt zo’n tocht waaraan onze kinderen nare herinneringen hebben.

De klim is steiler en langer dan gedacht. Na iedere bocht blijkt de top toch nog niet bereikt. Dan komt de onneembare veste in zicht, maar is er eerst nog een dalletje voor de laatste klim over losliggende steenslag. Kijk uit waar je je voeten zet, let op je ademhaling en bidt dat haar enkel het houdt. Die werd negen maanden geleden met vijf schroeven, een pen en een plaat weer in elkaar gezet na een gecompliceerde breuk.

Het fort dat volgens de reisgids goeddeels intact zou zijn, is een ruïne afgezet met hekken en waarschuwingsborden. Pericoloso! We hebben het gehaald, deze slag is ons. Maar dan. Eenzame hoogte en een vrijwel onbereikbare plek. Een slingerpad dat in de 17de eeuw voor het laatst werd geplaveid met grote stenen, voert ons omlaag naar de volgende burcht. De zon begint te zakken. In de verre diepte ligt Genua.

En dan is er opeens een taverna aan het einde van een asfaltweg. Hier staan auto’s en begint de beschaving. Opgelucht drinken we een biertje en een limonade aan het tafeltje voor de deur. Een oud bruin paard komt aangesloft. Als een hond besnuffelt hij ons en lijkt het café binnen te gaan. Het meisje dat onze bestelling opnam, begroet het beest en gaat binnen een appel voor hem halen. Als hij die van haar vlakke hand gegeten heeft, sloft hij het erf weer op.

Vanaf nu gaat alles makkelijk. We dalen langs de Genovese muur tussen de forten – het lijkt soms echt China – en komen uit bij het eindstation van de kabeltrein. Volgt een rit door de verticale stad met stops op verschillende niveaus. Voeten en knieën doen zich voelen, maar ik ga toch nog even op pad om iets te reserveren voor een waardig laatste diner in Genua. Het wordt de Ombre Rosso, een keurige gelegenheid verdeeld in kleine nissen. Delicate canoli’s met visvulling, gnocchi, eindelijk de beroemde pasta pesto Genovese en een flinke portie inktvistentakels.

Appartement

De wijn, het feestje bij de buren en het alarm dat ‘s nachts twee keer aan ons pleintje afgaat, zitten een beetje in de weg. De regendouche spoelt het om negen uur ‘s morgens weg. Best weer fris beginnen we aan de reisdag. Geen ander programma dan overal op tijd zijn vandaag. Meer geeft maar stress.

In alle treinen verwende en toch leuke kinderen. Ze staan provocerend los op de bank, waar ze moeten zitten. Ze herhalen irritante geluidjes, ook al is ze gevraagd daarmee op te houden. Driftige vaders houden zich in, maar de moeders nemen het zekere voor het onzekere. Ze trekken hun kroost naar zich toe en fluisteren ze zoet -dwingend kalm. Alle vooroordelen over Italianen en hun bambini kloppen.

Op het vliegveld Malpensa (“Honni soit qui mal y pense”. Heeft er niks mee te maken, maar zo werken associaties nu eenmaal) moet een schat van een jongen bij de incheckbalie helaas constateren dat een van onze rolkoffers te groot is voor gratis handbagage. Van de andere verwacht hij dat zijn collega’s bij het boarden de enkele centimeter te veel door de vingers zullen zien. Zo de waard is, maar niet dus. Weer drie tientjes extra. Easyjet vliegt ons terug en de krant op de I pad brengt me ook mentaal weer in het nieuwe abnormaal van het dagelijks nieuws. Even later nog een beetje respijt met een klassiek pilsje naast het aquarium in afwachting van mijn bestelling aan het afhaalloket van het Chinese restaurant bij ons in de wijk.