Auteursarchief: admin

Groundhog Day

Er was eens een ministerie van VROM. Daar deden ze aan Wonen, Ruimte en Milieu. Dat was meteen ook het probleem. Wonen wilde bouwen waar mensen willen wonen. Ruimte wilde bouwen waar mensen zouden moeten willen wonen. Milieu gooide roet in het eten van eenieder die een schop in de grond wilde steken. De Tweede Kamer wil dat ministerie terug.

Rijksplanologie was al een tijdje afgeschaft. We deden niet meer aan blauwdrukken van bovenaf. Verantwoordelijkheden werden ‘zo dicht mogelijk bij de mensen’ gelegd. Decentralisatie was democratisch en – als je het goed zou doen – ook nog goedkoper. Bij VROM vroegen ze zich af waartoe ze nog op aarde waren als alles toch decentraal werd geregeld. De directeuren-generaal van het ministerie bevochten elkaar niet zozeer, maar negeerden hun collega’s waar het kon en regelden de eigen zaken.

De secretaris-generaal die geacht werd VROM bij elkaar te houden kreeg ondersteuning van een eigen strategieclubje. Ik mocht er ook bij. We brachten de schurende belangen en controversiële thema’s binnen het departement op tafel. Maar voor te zeggen viel of het hielp, werd VROM verdeeld over Verkeer en Waterstaat en Binnenlandse Zaken. De VROM’ers raakten verstrooid en nog een beetje meer verweesd.

Nog even en die Omgevingswet is er, maar daar kan de Tweede Kamer niet op wachten

Ondertussen was het crisis en gebeurde er sowieso weinig in de fysieke leefomgeving. Maar ook daar zou ooit een einde aan komen – en dan moest het niet zo zijn dat bestuurlijke spaghetti en regelneverij voortvarend bouwen in de weg gingen staan. De Crisis- en Herstelwet was het tijdelijk breekijzer en de Omgevingswet zou alles definitief makkelijker en mooier maken.

Nog even en die Omgevingswet is er, maar daar kan de Tweede Kamer niet op wachten. Het moet nu anders, beter en sneller. Wie ‘doorzettingsmacht’ zegt is af, maar een Deltaplan bouwen, grote aangewezen locaties en een minister die er bovenop zit, moeten er snel komen.

Bij het nieuwe VROM gaan sommigen nog meer bouwlocaties in en rond de stad bij elkaar sprokkelen. Anderen storten zich op Almere Pampus en weilandlocaties. Weer anderen claimen ruimte voor windmolens en zonneparken. Daarnaast zijn er stikstof, PFAS en Natura 2000-kwesties te tackelen. Vanwege de afspraken van Parijs en Frans Timmermans moet het nieuwe bouwen bovendien duurzaam, energieneutraal en circulair. Ondertussen is iedereen op zoek naar eenvoudig te openen blikken bouwvakkers en bouwmaterialen. Waar ook nog iemand naar moet kijken: de businesscase voor bouwers.

De secretaris-generaal van VROM bedenkt dat de minister het beste gediend is als er, naast de experts op al die terreinen, ook nog een strategieclubje komt om de schurende belangen binnen het ministerie van Wonen, Ruimte en Milieu op een lijn te brengen. De bosmarmot (Groundhog) heeft gesproken. Het is opnieuw voorjaar 2008.[1]

Bas van Horn


[1] In de Verenigde Staten en Canada wordt op twee februari een folkloristisch feestje gevierd. De bosmarmot (groundhog) komt uit zijn winterslaap en verlaat zijn hol. De feestgangers kijken toe of de marmot omkeert en zijn hol weer ingaat (nog zes weken winter) dan wel buiten blijft (het is lente!). In de komische film Groundhog Day raakt een lokale reporter, gespeeld door Bill Murray, in een tijdloop. Hij is gedoemd dezelfde Groundhog Day steeds opnieuw te beleven.

Deze column verscheen op 10 maart 2020 bij romagazine.nl

lelijke plekken blaken van levenslust

Voor iets dat zo subjectief is als mooi en lelijk, zijn we het opvallend vaak eens als het om de gebouwde omgeving gaat. Het boek ‘Treurtrips’ van Mark van Wonderen en Yolanda Huntelaar, een reisgids voor de lelijkste plekken van Nederland, is dan ook een feest van herkenning. Het werd uitvoerig gerecenseerd. Zo ook door Wim Derksen op Gebiedsontwikkeling.nu. De bestuurskundige prijst de plaatjes en vult aan met een analyse. Volgens hem is de lelijkheid geworteld in inherente onherbergzaamheid en onveiligheid. Maar dat gaat niet over de functionaliteit van al dat lelijks, dus voeg ik nog graag iets toe.

Vijf soorten lelijke plekken

Derksen onderscheidt vijf soorten lelijke plekken en constateert dat ze opvallend vaak uit de jaren ‘60, ‘70 en ‘80 van de vorige eeuw stammen. Ik loop ze langs in mijn eigen volgorde. Om te beginnen: de overdekte wijkwinkelcentra.

Ondanks het Nederlandse klimaat blijkt dit concept op veel plaatsen niet te werken. Derksen meent dat je dat had kunnen weten, als goed gekeken was naar wat binnensteden aantrekkelijk maakt. Dat lijkt me wijsheid achteraf en te weinig oog voor de gevolgen van een zuinige middenstandersmentaliteit. Die mentaliteit voorkwam op veel plaatsen dat onderling goede afspraken werden gemaakt over behoud van een fraai straatbeeld, de openbare ruimte of een dekkend geheel van luifels waaronder het publiek droog en toch bij daglicht zou kunnen winkelen. Nee, dan was en is het veiliger om te klagen over de beleggers en vastgoedeigenaren, die vanaf de jaren zeventig in dat gat zijn gesprongen met winkelcentra waar de huurders het vel over de oren zou worden getrokken.

De winkelcentra zijn ook deel van een tweede categorie lelijke plekken die Derksen onderscheidt: de bedachte gebieden. Omgevingen waar het gebruik volledig en vaak eendimensionaal is voorgeprogrammeerd. In de winkelcentra door ontwikkelaars die de mens eenzijdig als klant en consument benaderen, in de New Towns door overheden en planologen die voor bewoners en gebruikers bedachten hoe er geleefd en gewerkt moest worden.

Ook hier geldt dat verwijten aan de initiatiefnemers voor een deel wel heel makkelijk zijn, want nieuwe stedelijke gebieden hebben nu eenmaal per definitie niet de kwaliteit van organisch gegroeide gebieden die hun multifunctionaliteit langzaam verwerven. Het is wel een waarschuwing aan het adres van de pleitbezorgers van bijvoorbeeld de Smart Cities, die opnieuw voor een eenzijdige kijk op de toekomst van de stad lijken te gaan.

‘Ondanks het Nederlandse klimaat blijkt het concept van overdekte wijkwinkelcentra op veel plaatsen niet te werken.’

En dan de perifere gebieden met hun ‘wonderschone lelijke plekken’. Vaak is het perspectief hier ver te zoeken, maar anderzijds legt de vastgoedmarkt de lat er dermate laag dat ondernemers toch steeds opnieuw initiatieven nemen. Ik bezocht afgelopen zomer Bad-Nieuweschans in Noord Groningen dat zelfs zover ging de plaatsnaam te wijzigen nadat een kunstmatige, zoute warmwaterbron was geboord om een kuuroord te kunnen worden. Menig ondernemer sprong op de kar van het wellness-wezen en is er ondertussen alweer afgevallen, met alle leegstand en lelijkheid van dien.

Pogingen om van de periferie naar het centrum op de schuiven door de eigen omgeving in het middelpunt van een euregionale stedendriehoek of andere geometrische figuur te plaatsen, bieden soms nieuwe samenwerkingsverbanden. Maar vaker werkt het net zomin als het plaatsen van een naald die, met wat creatief landmeterswerk, het middelpunt van Europa precies in de eigen kern plaatst.

Kansrijker zijn de voormalige industriële gebieden die hun erfgoed op goed bereikbare afstand weten van de steden die het goed doen in de postindustriële economie. Het Ruhrgebied gaat er prat op. Hier combineert men roestige oude installaties met natuurlijke nieuwe ruigten en fietspaden op voormalige fabriekssporen. Of neem Zaanstad. Hier tovert menig vastgoedbedrijf of ontwikkelaar op steenworp afstand van Amsterdam eind negentiende-eeuwse graansilo’s, -elevatoren en fabrieken aan de Zaan om tot luxeappartementen, hippe bedrijvigheid en culturele ontmoetingscentra.

Dat geeft hoop voor de veel jongere plekken met modernistische architectuur die nu nog vaak lelijk gevonden worden. Het brutalisme als overtreffende trap van onherbergzame en lelijke betonbouw, werd met Berlijn weer hip. Inmiddels gaan de woningen in een van de laatste nog niet gesloopte modernistische honingraadflats van de Bijlmer als zoete broodjes over de toonbank. Dat is niet per se een eerherstel voor deze architectuur, maar eerder de uitkomst van een sommetje: woonoppervlak keer relatieve afstand tot het dynamisch centrum van de stad keer mode van het moment.

Tenslotte de randen van de stad. Derksen spreekt smalend over de in zijn ogen kennelijk romantische notie van de ‘rafelranden van de stad’. Hij heeft het liever over de lelijke ‘achterkant van de stad’ die tegenover de schoonheid van de binnensteden staat. Hij ziet in de reportage over de metrolijn Hoek van Holland-Nesselande niet het functionele ‘Sopranos-landschap’, zoals journalist Tijs van den Boomen dat in de leader van de maffiaserie aan zich voorbij zag trekken. Derksen ziet louter lelijke onherbergzaamheid.

Dynamiek van functioneel lelijke plekken

En dat is jammer, want daarmee ziet hij niet de dynamiek van bijvoorbeeld het Hamerkwartier in Amsterdam-Noord waar de creatieve industrie is neergestreken en waar je op verschillende plekken goed kunt eten in een industriële ambiance. Een gebied dat zich per plek of pand (her)ontwikkelt met gebruikmaking van oude iconische elementen.

De Flinesstraat in Amsterdam-Duivendrecht, ik blijf maar even bij wat ik ken, is voor Derksen waarschijnlijk al helemaal een brug te ver. Foto’s van vrijwel ieder pand in deze straat hadden niet misstaan tussen de andere treurtips van Van Wonderen en Huntelaar.

Hier bevinden zich een aantal Aziatische groothandels en toko’s, de Makro, een autodealer, leveranciers van kantoorbenodigdheden en horeca-inrichtingen. Hier kun je goedkoop tanken en voor de deur parkeren. Hier doet de horeca – en iedereen met een KvK-nummer – zijn boodschappen en slaat de ondernemingszin je tegemoet. Dat is nog eens wat anders dan de nuffige speciaalzaakjes in de binnenstad, die de gemeente met kunst en vliegwerk en anti-toeristenpolitiek overeind moet houden. Dat is functionele lelijkheid die blaakt van levenslust.

Bas van Horn

Deze column verscheen op 7 februari 2020 bij GO.nu

Terug naar de Akbarstraat

Felix Rottenberg, programmamaker en zelfbenoemd sidewalk superintendant, ging terug naar de Akbarstraat in de Kolenkitbuurt in Amsterdam-West. Een straat in een achterstandsbuurt zoals ze in alle grote steden te vinden zijn. Deze wijk werd bijna twintig jaar terug uitgeroepen tot de ergste in haar soort. Dat was destijds mede aanleiding voor Rottenberg om zich er voor de televisie een tijdje in te graven. Zijn nieuwe documentaire-tweeluik werd onlangs uitgezonden bij de NPO. Het blijkt in de Akbarstraat nog altijd tobben met de integratie. Is klassieke integratie misschien een gepasseerd station? Die vraag werd niet gesteld.

De wederkerigheidstest

Veel was nog hetzelfde in de Akbarstraat. Witte arbeidershuisvrouwen leerden hier in de jaren zeventig op VOS-cursus (vrouwen oriënteren zich op de samenleving) om voor zichzelf op te komen en ‘nee!’ te zeggen. Twintig jaar geleden was het de beurt aan de allochtone vrouwen uit de buurt om in die traditie geschoold te worden. En blijkens de documentaire gaat het nog altijd zo.

Witte mannen toonden bijna een halve eeuw geleden voor het eerst hun gevoelens in de mannenpraatgroep. Twintig jaar geleden mochten ook allochtone mannen gaan huilen. De documentaire laat zien hoe dit gedachtengoed inmiddels langzaam wortel schiet. Alles met respect voor de meer collectivistische culturen uit de landen van herkomst, zonder dat duidelijk wordt waar dat respect dan uit bestaat.

Er wordt nauwelijks geïntegreerd; niet de ene kant op en ook niet andersom

Rottenberg is ook nog altijd dezelfde. In een lange loden mantel met opgeslagen kraag poseert hij als een kruising van Dr. Wibaut en Ing. Lely. Hand aan de kin, vorsende blik. Zijn engagement en empathie zijn veel geprezen, maar bij mij komt zijn optreden niet door de wederkerigheidstest: kun je je voorstellen dat zijn geïnterviewden bij Felix thuis net zo languit op de bank zouden liggen als hij dat bij hen doet? Dat ze hem bij de schouder pakken zoals hij dat doet, wanneer hij zijn medeleven wil onderstrepen?

Een ‘overval’

Er blijkt ook veel veranderd in de Akbarstraat. De gemeente heeft de homogene sociale woningbouw – en daarmee de eenzijdige bevolkingssamenstelling – willen doorbreken door nieuwbouw voor middengroepen toe te voegen. Nu was uit eerdere experimenten met mengingsstrategieën al gebleken dat het de buurt vaak niet sterker maakt. Sterker nog, het is eerder aanleiding tot wrijving tussen bewonersgroepen. Hier is dat ook zo.

Is klassieke integratie misschien een gepasseerd station? Die vraag werd niet gesteld

De nieuwe witte instroom zoekt aansluiting bij de buurt en organiseert een eetclub waar de gevestigde buurtbewoners wegblijven. Het wegblijven wordt betreurd bij een goed glas wijn. De nieuwe bewoners willen een gemengde buurtschool voor hun kinderen en vinden wel heel makkelijk ingang bij de schoolleiding voor het idee van een klas die voor bijna de helft uit witte kinderen bestaat. De andere ouders zijn verbaasd over deze ‘overval’.

De schoolleiding betreurt dat de ouders van de huidige schoolpopulatie niet zijn ‘meegenomen’ in de plannen van de nieuwe bewoners en de schoolleiding. De meest assertieve vader van de ‘oudkomers’ stelt dat de nieuwkomers zich zouden moeten aanpassen aan de gevestigde bewoners.

Integreren of excelleren

Die al dan niet terechte roep om ‘omgekeerde integratie’ in wijken waar allochtonen al decennia in de meerderheid zijn, is de belangrijkste kwestie die door de documentaire wordt opgeworpen. Maar misschien is die discussie eigenlijk alweer achterhaald. Er wordt eenvoudigweg nauwelijks geïntegreerd. Niet de ene kant op en ook niet andersom.

Integratie om het integreren levert niks op

Integratie om het integreren levert niks op. Voldoen aan een concrete vraag of excelleren mogelijk wel. Een eigen voetbalclub zonder alcoholische ‘derde helft’ doet dat bijvoorbeeld, net als een islamitische school met goede examenresultaten. Herzuiling met de deur open en een lage drempel voor toetreders van buiten de eigen groep, betekent op den duur een diverser aanbod voor iedereen. Je hoeft immers ook niet katholiek te zijn om je talen bij te laten spijkeren door de ‘Nonnen van Vught’, het inmiddels seculiere taleninstituut opgericht door de zusters Kanunnikessen van de Heilige Augustinus.

Deze column verscheen op 29 januari 2020 bij romagazine.nl

Goede bedoelingen in de publieke ruimte

Bij de ingang van mijn wijk staat een lichtkrant op een aanhangwagentje. Mij wordt door de politie aangeraden de ramen te sluiten en het licht te laten branden. ‘Geef inbrekers geen kans!’ Daarna volgt de tekst: ‘ziet u iets verdachts? Bel 112!’

Misschien is er een inbraakgolf die mij ontgaan is of zijn we het slachtoffer van postcodeprofilering. Goed voor mijn gevoel van veiligheid of de prijs van mijn huis is het zeker niet. En zo zijn er meer goede bedoelingen in de openbare ruimte waarover we het eens moeten hebben. Over het hinderen of bedreigen van hulpverleners bijvoorbeeld.

Het is inmiddels een vertrouwd ritueel. De jaarwisseling verloopt onrustig en burgemeesters, politiechefs en brandweercommandanten spreken met heilige verontwaardiging hun onaanvaardbaar uit: ‘Van hulpverleners blijf je af!’ Slechts zelden komt ter sprake dat die handhavers en hulpverleners met hun goede bedoelingen niet altijd even tactvol de context benaderen waarin ze moeten handelen.

‘Zelden komt ter sprake dat handhavers niet altijd tactvol de context benaderen’

De buurtbewoner die is opgegroeid met een kerstbomenfik op het kruispunt tijdens oudjaar, is mogelijk niet enthousiast als de brandweer vroegtijdig komt blussen. Waar de ambulancebroeder zich bedreigd voelt, had hij zich soms ook aangemoedigd kunnen voelen. ‘En je zorgt dat hij het haalt, hoor je me?’ De een hoort een bedreiging, de ander bezorgdheid om het slachtoffer.

En dan de politie. ‘Alles wat je in je hebt. Maak er politiewerk van’, is de slagzin van de jongste wervingscampagne. Het gaat daarin niet over wetskennis of kantoorwerk, maar uitsluitend over actie, intuïtie en flexibiliteit. Wat mij betreft had daar ook sociale intelligentie bij gemogen, want daaraan is een schreeuwend gebrek.

Ik stond er zelf bij toen twee agenten opgeroepen waren voor een amok makende, verwarde vrouw. Het was duidelijk dat ze in aanraking geruststelling en troost zocht. Het had de situatie kunnen de-escaleren. In plaats daarvan deden de agenten een stap achteruit en riepen paniekerig: ‘Raak me niet aan!’

Ten slotte nog de schiet- en steekincidenten onder jongeren. Misschien moeten we het ook eens hebben over het effect van de goedbedoelde stille tochten en spontane herdenkingen na dit soort tragische voorvallen. Natuurlijk is er in de eerste plaats het verdriet van de nabestaanden en de steun die gevoeld wordt in het samenkomen. Het ‘why?’ is meestal best te beantwoorden, maar de banaliteit van het antwoord blijft onbevattelijk.

De stille tocht, de bijeenkomst of de spontaan ingerichte gedenkplaats is een uiting van gedeeld verdriet, verbondenheid en protest tegen geweld. Het is ook een eerbetoon aan het slachtoffer – en dat gaat gepaard met rituelen. Dat kunnen witte ballonnen en knuffels zijn, maar ook grafkaarsen en plengoffers met sterke drank op de plaats delict. Bedoeld of onbedoeld sluipt er al snel benderomantiek in het gedenken. Dan wordt de dood op straat een podium.

In Drachten was het vast onbedoeld en het is goed dat jongeren hun eigen woorden kiezen. Toch kreeg de verwijzing naar de lange doodsstrijd van Roan Brilstra op het spandoek aan de kop van de stille tocht iets heroïsch dat vreemd contrasteerde met het lieveheersbeestje van het initiatief ‘Stop zinloos geweld’.

Bas van Horn

Eerder verschenen op 8 januari 2020 bij romagazine.nl 

Het DNA van de Bijlmer

Wat het precies is blijft vaag, maar het moet wel behouden blijven: ‘het DNA van de Bijlmer.’ Op 21 november startte in New Metropolis Zuidoost – een van de twee filialen van het Amsterdamse debatcentrum Pakhuis de Zwijger – het eerste van een reeks gesprekken over de gebiedsontwikkeling van Amsterdam Zuidoost. Bijeenkomsten met bewoners en ondernemers stonden hier in het verleden garant voor spektakel. Nu is de toon constructief met oog voor de dilemma’s.

Amsterdam groeit als kool, leidt een communicatieadviseur van de gemeente in. In 2019 stijgt het inwonertal boven het historisch record van 872.000 uit 1958. En daar houdt het niet op. Voor de woningzoekers van nu en straks breidt de stad in. Vooral met verdichting in Noord, Nieuw-West en Zuidoost. De komende twintig jaar moet Zuidoost er 40.000 woningen bij gaan krijgen. En daar horen ook voorzieningen bij zoals scholen, parken, uitgaansgelegenheden, zorginstellingen, winkels en ruimte voor lokaal ondernemerschap.

Er zullen mensen gaan wonen in het antroposofische ‘Zandkasteel’ – het oude ING-hoofdkantoor – en een paar andere voormalige kantoorpanden. De grote aantallen zullen komen van nieuwe woontorens. De internationale investeringsmaatschappij CBRE, die de torens gaat realiseren, is geen anoniem grootkapitaal, wordt de zaal bezworen. Het is slechts een vehikel waarmee onze eigen pensioenfondsen voor woningen gaan zorgen. Veertig procent sociaal, veertig procent middenhuur en twintig procent topsegment.

Wat is ‘de menselijke maat’ en ‘het DNA van de Bijlmer’?

Of we met die nieuwe hoogbouw niet de problemen terughalen waarvoor we de oude hoogbouw hebben afgebroken, informeert iemand. Dat zal niet gebeuren, verwachten gemeente en ontwikkelaars. Het verbinden van de bestaande woonbuurten met de kantoren en bedrijven aan de andere kant van het spoor, krijgt een nieuwe kans. Er zal aandacht zijn voor ‘de menselijke maat’, levendigheid in de plinten buiten kantooruren, ruimte voor ondernemerschap en het DNA van de Bijlmer.

Hoe dat gaat gebeuren is nog niet duidelijk, want buiten Our Domain – 1500 kleine appartementen met gezamenlijk dakterras tegenover het AMC – en enkele andere projecten die al snel gerealiseerd zullen zijn, blijven de meeste plaatjes van nu voorlopig artist impressions. En dan weten we nog niet eens wát dat Bijlmer DNA precies is of hoe het zich moet verhouden tot het nieuwe DNA dat met uiteindelijk 100.000 extra inwoners Zuidoost zal binnenstromen.

Succes mag gezien worden!’

Het heeft in ieder geval te maken met verbondenheid, Suriname en inmiddels een heleboel andere nationaliteiten. Met de worsteling om er hier iets van te maken en trots te zijn. Met niet willen verloochenen waar je vandaan komt, terwijl sommigen juist bewust zijn weggegaan om te kunnen groeien. Met gêne over de ‘hangmannen’ die op straat het beeld bepalen, terwijl iedereen die ’s morgens vroeg naar zijn werk gaat en ’s avonds terugkomt buiten beeld blijft.

Wat Zuidoost met het DNA van de Bijlmer aan moet, wordt hier dan toch concreet: de kans bieden om in Zuidoost te blijven of ernaar terug te keren. Niet alleen om er te wonen, maar ook om er uit te gaan en jezelf te laten zien in de publieke ruimte. Om een ander voorbeeld te zijn voor jongeren in de wijk, omdat legaal succes gezien mag worden. Verdichting van Zuidoost en de onvermijdelijke verdunning van het Bijlmer DNA doen de rest.

Bas van Horn

Deze column verscheen op 27 november bij romagazine.nl 

Energie-eerlijkheid op nieuwe grond

In het Hemelvaartweekend blijkt er zelfs voor ons zeiljachtje van zes en een halve meter geen plaats meer aan de steiger in de kleine haven van de Markerwadden. Later, het is zomeravond en al bijna donker, verkiezen we voor anker te gaan voor de kunstmatige duinenrij. De volgende ochtend schiet de wandeling op het hoofdeiland erbij in. Eind oktober laten we ons op de valreep van het seizoen per veerdienst vanuit Lelystad naar de nieuwe archipel brengen. Eindelijk zetten we voet aan wal voor een excursie met grootgroenbeheerder Natuurmonumenten.

Vlak voor we de haven binnenvaren, geeft de veerboot voorrang aan een konvooi van twee schepen dat de eilanden verlaat. Tussen de schepen drijft de persleiding waarmee slib uit het Markermeer achter de zeewering is opgespoten. Dat werk zit erop. Nu nog de keet en de werkboot afvoeren en er is niet meer te zien hoe de waterbouwers en baggeraars de basis hebben gelegd voor de nieuwe natuur.

Briljant bedacht en het werkt

Biologen, ecologen en planologen kunnen nu in alle rust de invulling bij elkaar vergaderen, vrijwilligers doen het veldwerk. Wat de natuur doet, blijft ongewis. Zo vat ik maar even samen wat onze boswachter en gids vertelt. Het idee is dat vooral de natuur zelf verder het werk doet. De zeewering van kunstmatig duin sluit het waddengebied naar het zuidoosten af. De heersende zuidwestenwind moet het slibrijke water van het Markermeer tegen de Houtribdijk caramboleren, waarna het slib achter het duin bezinkt. Briljant bedacht en het lijkt vooralsnog te werken.

Zaden voor begroeiing moeten via wind, water en vogels vanzelf de eilanden bereiken. Met tal van meetpunten en proefopstellingen volgt een leger wetenschappers hier live het ontstaan van de natuur. Ontstaan met een beetje hulp van hekken, linten en uitgestrooide wortelstokken, want het noodzakelijke riet slaat te veel af en wordt opgevreten door de ganzen.

Zo wordt er op veel fronten een beetje geschipperd en dat geeft voortdurend aanleiding tot discussies onder de eigenwijze deskundigen. Van de ene ecoloog moet het zeer zeldzame goudknopje – dat hier welig tiert – zijn gang gaan, de ander meent dat het bestreden moet worden ten gunste van andere soorten. Voor de een zijn de pionierende grondbroeders heilig en moet iedere opschietende wilg of els worden uitgetrokken, de ander kijkt in deze weidsheid om zich heen en ziet de onmogelijke opgave.

En dan zijn de voorzieningen voor de mens nog niet eens uitgediscussieerd. Het noodzakelijk kwaad, in deze context. De kleine nederzetting wil geheel zelfvoorzienend zijn. Men werkt aan eigen duinwater en de energie wordt ter plekke opgewekt. De horeca moet sober en bescheiden, maar ook exploiteerbaar zijn. Hoe exclusief mogen de paar vakantiecabins eigenlijk worden? De natuur is toch voor iedereen?

Energie-eerlijkheid die school mag maken

De zonnepanelen op de daken zijn het minst controversieel, maar de zon schijnt ook wel eens niet. De windmolen blijkt ook onder natuurliefhebbers een heikel ding, maar dat is in de beste Hollandse traditie opgelost. Als het moet – en alleen als het moet! –  komt straks een kleine molen uit een dak geschoven om de batterijen bij te plussen. Daarna trekt de molen zich schielijk terug.

De energievoorziening blijft dus precair, maar anders dan op het oude land verstopt men de consequenties niet. Geen compenserende aflaten voor een stevig dieselaggregaat, geen Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG) waarin alleen de gebouwgebonden energie en niet de gebruiksenergie van keukens en computers is meegerekend.

De gebouwen van de nederzetting krijgen installaties met een stoplicht. Bij groen is er genoeg stroom en zijn er geen beperkingen, bij oranje mag er best een lampje uit en bij rood wordt het tijd om de zaklantaarn en een kaarsje te gaan zoeken. Het is van een zeldzame eerlijkheid die school zou mogen maken op het vasteland.

Bas van Horn
BasvanHorn@gmail.com

Deze column verscheen op 30 oktober 2019 bij romagazine.nl 

De minister bepaalt

Weer een VVD’er die het ‘Groene Licht ‘gezien heeft. Na Ed Nijpels en Pieter Winsemius is er nu Johan Remkes. Ooit mocht ik zijn speeches tikken toen hij als staatssecretaris van Wonen een minister van Milieu (Jan Pronk, ook dat nog) boven zich moest dulden. Nu is hij zelf de held van groen: ‘Geen trucs meer, we moeten echt iets doen aan het neerslaan van stikstof in de natuur!’

Het gaat allemaal om de Natura 2000-gebieden, waar we ons aan Europa verplicht hebben om alles te doen wat in ons vermogen ligt voor instandhouding van de biodiversiteit. Want zo zit het: we hebben zelf gebieden aangemeld, we hebben ze zelf onder onze Natuurwet geplaatst, zelf criteria voor vergunningen opgesteld en zelf een beheerplan laten opstellen. We kunnen desnoods onze prioriteiten ook zelf herschikken, maar daar hebben we het liever niet over.

’We hebben de Natura-2000 zelf aangemeld’

Na het negeren van waarschuwingen vanuit Europa was het onze eigen Raad van State die een streep trok. Of het nu gaat om vliegen en rijden, het bouwen tegen het woningtekort of de aanleg van nieuwe natuur: extra stikstof op de hei, het duin en arme zandgronden is uit den boze. Met de mantra ‘er zijn geen taboes’, bereid het kabinet de geesten voor op het volgen van de aanbevelingen van Remkes.  Alles is bespreekbaar. Selectief ingrijpen in de veestapel en zelfs het terugdraaien van de 130 kilometer per uur.

Middeleeuwse aanslag
Wat we daarmee beschermen is eigenlijk het resultaat van aantasting van de natuur door onze verre voorouders. De Middeleeuwen kenden perioden van sterke bevolkingsgroei. Het bos werd gekapt om te bouwen en te stoken, te veel schapen en koeien graasden de boel kaal en boeren plagden het land af voor bemesting en het voeren van de dieren in de winter. Het resultaat: schrale gronden, zandverstuivingen met een enkele boom. Desolate plekken waar je beter niet kwam, tot ze in de late Romantiek van de negentiende eeuw werden verheerlijkt.

Naast de romantische gevoelens die natuurliefhebbers sinds het begin van de natuurbeweging koesteren, is de biodiversiteit tegenwoordig een belangrijke reden om voor behoud en versterking van traditionele landschappen te ijveren. Een heel scala aan planten en dieren gedijt alleen op arme gronden. Stikstof is pure mest en zorgt ervoor dat veelvoorkomende soorten de zeldzame verdringen. Dat is aantasting van de biodiversiteit en dat mag niet.

’Hoe erg is het eigenlijk dat bepaalde soorten verdwijnen’

Of de voorgenomen maatregelen genoeg zullen zijn, valt moeilijk te bepalen. Wanneer heeft het afnemen van een populatie kamsalamanders een kritische grens bereikt? Welke orchidee is waar cruciaal? Het verschilt van plek tot plek en vraagt overal uitgebreid onderzoek door experts van gespecialiseerde adviesbureaus. En dan de vraag die televisiefilosoof Bas Haring opwierp: hoe erg is het eigenlijk als bepaalde soorten verdwijnen? Dat was natuurlijk vloeken in de natuurkerk, maar wel het soort vraag dat misschien te weinig wordt gesteld.

Deskundigen en pleitbezorgers
Het probleem met natuur en milieu is dat de deskundigen ook meteen de belangenbehartigers en ideologen zijn. Dat mocht ook de ponyboer en staatssecretaris Henk Bleker ervaren toen hij bijna tien jaar geleden vond dat de Nederlandse natuur wel wat meer toegankelijk zou mogen worden voor de recreant. En dan toegankelijk inclusief voorzieningen. Want de natuur is mooi, maar je moet er wel iets te drinken bij hebben, zoals de dichter Willem Kloos gezegd zou hebben. Hoon van de grootgroenbezitters en hun deskundigen was zijn deel. Hij had er geen verstand van en moest zich er beter niet mee bemoeien.

’Nederland heeft anderhalf keer zoveel Natura 2000-gebieden als Frankrijk’

Iets vergelijkbaars speelt nu ook, maar dan erger. Nu zijn de afwegingen van de milieudeskundigen niet alleen verstopt in beleidsstukken en beheerplannen, maar ook nog eens achter juridificering en ‘Europa’. Een echte weging van belangen vindt niet meer plaats. De Raad van State heeft gesproken, de natuur het laatste woord. Tenzij we nog eens goed kijken naar onze Natura 2000 gebieden. Want dat achterdeurtje laat Remkes op een kier.

Geen appels met peren vergelijken
Wij zelfbenoemde gidslanders zouden niet goed voor onze Natura 2000-gebieden zorgen, maar we hebben er dan ook best veel. Nederland heeft er honderdzestig aangewezen. Frankrijk telt er honderdachtenzeventig. Gecorrigeerd voor oppervlakte en bevolkingscijfer heeft Nederland – volgens een heel rechtse website – bijna anderhalf keer zoveel Natura 2000-gebieden.

Ik zeg niet dat het te veel is, maar wel dat we geen appels met peren moeten vergelijken. Dat we bij onze prioriteiten rekening mogen houden met de specifieke omstandigheden van ons dichtbevolkte en toch nog altijd heel leefbare land. Het terugdraaien van een aanwijzing is blijkbaar niet eenvoudig, want vaker mislukt. Maar het kan. In de Wet natuurbescherming staat in hoofdstuk twee over de Natura 2000 gebieden in artikel 2.1 lid 7: ‘onze minister kan een besluit als bedoeld in het eerste lid (de aanwijzing) wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken.’ Niks Europa of Raad van State. Het is gewoon de minister die bepaalt.

Bas van Horn

Deze column verscheen op 2 oktober 2019 bij ROmagazine.nl

De Extended Household of ‘we kunnen toch vrienden blijven?’

Rijtjeshuizen van meer dan een miljoen, appartementjes van drie ton. De stadse woningmarkt is – zoals bekend – oververhit. Belangrijkste oorzaak is het succes van de stad, met een krappe woningmarkt tot gevolg. Beleggers van groot tot klein profiteren en jagen de prijzen op. Dat is het grote plaatje. Daarnaast zijn er ook kleine plaatjes. Zoals dat van mensen die tegen elkaar zeggen: ‘We kunnen toch vrienden blijven?’

Scheiden gaat over diepe haat, wrok, geldkwesties en huilende kinderen, maar in sommige stadse kringen ook over verstandige mensen die ‘met elkaar in gesprek blijven’. Ex-partners die de zaken netjes regelen en verder gaan als vrienden. ‘Uit elkaar en de relatie is nog nooit zo goed geweest!’ Dat werk. Het helpt natuurlijk wel dat ze bij elkaar in de buurt blijven wonen. Een eigen kamer voor de kinderen bij hem en bij haar, de school om de hoek. Handig voor de oppas, de vriendjes, handig voor de exen en hun gezamenlijke vrienden zelf.

’Samen voor ons eigen op nog meer vierkante meters’

Deze oplossing voor de scheidingsproblematiek is niet voor iedereen weggelegd. Dat beseffen ze heus wel en daar voelen ze zich dan ook gepast schuldig over. De gescheiden vaders in caravans op verlopen vakantieparken, de moeders met de kinderen in een kleine huurwoning in een buitenwijk, dat is een andere wereld.

Zijn ze eigenlijk wel gescheiden die stadse-exen? Exotische volkeren (nooit stammen zeggen!) werden vroeger bezocht door antropologen. Nu komt alleen Sunny Bergman nog langs voor een documentaire. Van Sunny weten we dat die volkeren soms nog steeds in uitgebreid gezinsverband leven, als Extended Family: grote hut, veel mensen, weinig privacy, maar een verbondenheid!

De stadse-exen doen precies het tegenovergestelde. Ze gaan uit elkaar, maar blijven ook samen in een soort netwerk verspreid over meerdere huizen. Ze vormen feitelijk een uitgebreid huishouden, een extended household. Samen voor ons eigen op nog meer vierkante meters dan de hogere middeninkomens toch al voor zichzelf opeisen. Maar wel een goed gesprek over de nieuwe Bergman, dat was toch minder toen ze nog samen waren.

Deze column verscheen op 5-9-2019 bij ROmagazine.nl

Participeren of blokkeren

Vliegveld Lelystad gaat voorlopig nog niet zorgen dat Schiphol substantieel kan blijven groeien. Minister Cora van Nieuwenhuizen heeft de openingsdatum van april 2020 geschrapt. Het is de schuld van De Europese Commissie die aarzelt om ‘pretvluchten’ anders te behandelen dan ‘economisch noodzakelijk’ luchtverkeer. Het is de schuld van de Raad van State die de PAS (programmatische aanpak stikstof) de pas afsneed. Niks groeien, monitoren en achteraf repareren, zegt de Raad, maar vooraf duidelijk maken hoe extra milieubelasting wordt voorkomen. En het is natuurlijk de schuld van het weinig doorzichtige gerommel met de MER en de laagvliegroutes van Lelystad.

Wie mag waar en wanneer vliegen?

Het kabinet zet ondertussen toch de deur voor beperkte groei van Schiphol vanaf 2021 open en zal streng toe gaan zien op naleving van de afspraken. Het lijkt er wel op dat er pas echt duidelijkheid voor Schiphol en Lelystad komt als de integrale herindeling van het Nederlandse luchtruim medio 2023 is afgerond.

Wie mag waar en wanneer boven Nederland vliegen? Die herindeling is op zich al een klus van ongekend formaat. Defensie en het ministerie van Infrastructuur en Water moeten er in het Programma Luchtruimherziening samen uit zien te komen met de Luchtverkeersleiding Nederland, het Commando Luchtstrijdkrachten en Maastricht Upper Air Control. Daarbij worden stakeholders van ballonvaarders tot grote luchtvaartmaatschappijen geconsulteerd en de zeventien miljoen kritische Nederlanders zo goed mogelijk geïnformeerd over de veranderingen in het luchtruim boven hun hoofd. Ga er maar aanstaan.

Transparantie, zorgvuldigheid en navolgbaarheid zijn de toverwoorden

Transparantie, zorgvuldigheid en navolgbaarheid zijn de toverwoorden in de aanpak van omgevingsmanagement en participatie. Dat moet ook wel, want we zijn kritischer geworden op de luchtvaart. Voor sommigen is het kosmopolitische airportgevoel al omgeslagen in vliegschaamte over milieu- en klimaatbelasting. Daarbij komt dat het instrument van de Alders-tafels – waarmee de communicatielijnen met de luchthavenomgeving lang werden opengehouden – is uitgewerkt en er bij alle partijen een katterig gevoel is blijven hangen over het proces rond Lelystad tot nu toe.

Het sentiment in de regio

Het moet dus anders en beter. Daarom is onder meer de startbeslissing voor het luchtruimherzieningstraject in april publiekelijk gelanceerd met een boekje, was er meteen een website en heeft men een projectmanagement office (PMO) opgezet waarin alle luchtvaartprogramma’s van de Rijksoverheid informatie delen en hun contacten met veelal dezelfde stakeholders op elkaar afstemmen.

Voor de maatschappelijke participatie waren er al de civiele- en militaire omgevingsraden rondom luchthavens, maar daar is nu iets nieuws bijgekomen: de provinciale kerngroep waar regio-specifieke luchtvaartissues op tafel liggen. De provincies stellen de kerngroepen samen waarbij het ministerie advies geeft. Het uitgangspunt is dat in ieder geval gemeenten, bewoners, natuur- en milieuorganisaties en het bedrijfsleven aan tafel zitten.

Het Programma Luchtruimherziening zoekt de kerngroepen op om te horen, zien en voelen wat er speelt

Het Programma Luchtruimherziening zoekt de kerngroepen op om te horen, zien en voelen wat er speelt. Want de luchtruimherziening raakt iedereen, maar niet iedereen op dezelfde manier en in dezelfde mate. Op die manier hoopt men het sentiment in de regio beter aan te voelen en een nieuw decentraal gremium te hebben dat kan helpen bij het inrichten van maatschappelijke participatie.

Kaders voor participatie

De hamvraag is natuurlijk: gaat het helpen? Het antwoord: een beetje. Ook bij het programma luchtruimherziening zijn ze realistisch en gaat men ervan uit dat niet iedereen tevreden zal zijn met de uitkomsten. Dat is per definitie het geval met zoveel stakeholders en een luchtruimherziening die de leefomgeving van alle inwoners in meer of minder mate raakt. Het heeft ook te maken met de rol die we voor participatie zien.

Sommige betrokkenen aan Rijkskant waren teleurgesteld dat deelnemers aan de vorig jaar gehouden luchtvaartgesprekken over de toekomst van de luchtvaart, niet wilden ingaan op de voorgelegde stellingen en dilemma’s. Men participeerde om het eigenbelang, het belang van natuur- en milieu of het principe van 0-groei naar voren te brengen. Niet om de dilemma’s van de overheid te helpen oplossen. Dat is letterlijk ieders goed recht, maar niet wat de Rijksoverheid met participatie beoogt.

Wie bepaalt de kaders: de politiek of de samenleving?

Achtereenvolgende kabinetten hebben de afgelopen decennia geleidelijk ‘verantwoordelijkheid bij de samenleving teruggelegd’. Het SCP constateerde een aantal jaren geleden al dat zich een nieuw verantwoordelijkheidsmodel aan het ontwikkelen was. De Rijksoverheid formuleert de doelen, maar medeoverheden, burgers en bedrijven bepalen in zekere mate hoe ze die bereiken. Vanuit rijksoptiek dient participatie ertoe de samenleving invulling te laten geven aan de rijksdoelen.

Een deel van de maatschappelijke participanten accepteert die kaders niet en gebruikt formele procedures en andere participatietrajecten om de opgave en de doelen van beleid zelf ter discussie te blijven stellen. Dat is deels te wijten aan gebrekkig verwachtingenmanagement en deels aan belangengroepen die nu eenmaal de middelen inzetten die hen ten dienste staan om eigen doelen na te streven. Aan het eerste is iets te doen, het tweede zal een lastig gegeven blijven. Niet alleen als het gaat om de toekomst van de luchtvaart, maar in alle trajecten waar opvattingen botsen en burgers in hun leefomgeving worden geraakt.

Bas van Horn

Deze column werd op 11 juli 2019 geplaatst op romagazine.nl

Inclusief, voor wie eigenlijk?

‘We Make The City, het festival dat steden beter maakt, zoomt in 2019 in op hoe we steden van, voor en door écht iedereen kunnen maken’, aldus het openingsstatement op de website. WMTC is een vanuit de Metropoolregio Amsterdam groots opgezet evenement. Het programma telt twaalf stadsthema’s, diverse podia, activiteiten en een indrukwekkende line up. Meer dan tweehonderd bestuurders en professionals, sprekers en performers uit binnen- en buitenland staan op het lijstje. Het spektakel – 17-23 juni – wil deze editie nog inclusiever zijn dan de eerste keer.

Het zal gaan over veiligheid, cohesie en vaardigheden voor de eenentwintigste eeuw, maar vooral ook over klimaatbestendigheid, duurzaamheid, slimme technologie, circulariteit, leefbaarheid, gezondheid en inclusiviteit. Omdat de stad van iedereen is en iedereen mee moet kunnen doen. Het zijn de toogdagen van de progressieve metropool of misschien kun je door het imponerende programma beter zeggen: het is de 1 Mei Parade van de Groene Republiek.

’De stad is van iedereen en iedereen moet dus mee kunnen doen’

We Make The City is een aanmatigende titel, maar in de beste traditie van bestuurders, planologen, ingenieurs, sociaalgeografen en iedereen die zich tegenwoordig ‘stadmaker’ noemt. Een geschiedenis van doorpakkers die zorgden voor riolering en stromend water, die de stadssloppen van de negentiende eeuw sloopten en de nieuwbouwwijken van toen na de tweede wereldoorlog weer vernieuwden.

Het is ook de traditie van de volksverheffers. Van de fabrieksdirecteuren die het ongedisciplineerde werkvolk in het gareel brachten met modeldorpjes, van de Maatschappij van Weldadigheid in de veenkoloniën, de woonscholen voor een proper en deugdzaam gezinsleven, de sociale en christelijke volksopvoeders en hun woningbouwverenigingen. Daar is veel huiselijk geweld mee bestreden en veel gezondheid en ontplooiing mee gewonnen. Maar het was – met de beste bedoelingen – ook dwingend en bemoeizuchtig.

Naast de bestrijding van evidente misstanden, kregen eerst de anti-socialen en later de zwakken in de samenleving ook een nieuw waardenpatroon opgelegd. Dat was geen samenzwering van fabrikanten en bestuurders, maar gewoon ‘wat het beste leek voor iedereen’. Dat lijkt nu met WMTC opnieuw te gebeuren.

’Tante Pastellia, de woonconsulente van weleer, is weer helemaal terug’

Vooral in het programma ‘iedereen gezond’ en de Kennislunch Noord, is de woonconsulente van weleer weer helemaal terug. Ik zie haar voor me als een Tante Pastellia, de oude vrijster die de zelfstandig wonende minderjarige Pippi Langkous – voor haar eigen bestwil – in een kindertehuis probeert te krijgen.

Het is heel goed mogelijk dat we de klimaat- en duurzaamheidsdrammers van vandaag straks dankbaar zijn voor de transities die ze nu doorduwen, dat we ons niet meer kunnen voorstellen dat kleur en gender zoveel discussie gaf. Maar ‘We Make The City’ roepen zonder de stadgenoten te betrekken die minder met deze thema’s hebben, past niet bij de geëmancipeerde democratische samenleving van nu. Echt inclusief is het ook niet.

Deze column verscheen op bij 29-5-2019  romagazine.nl