Klimaatdilemma’s in treinmetaforen

‘Alle seinen staan op groen’, jubelde Hans Mommaas, directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving in zijn opening van de Nacht van de Leefomgeving op 6 september jongstleden. Duurzaamheid leeft, de samenleving staat ‘in de doe stand’, de kabinetsplannen zijn groener dan ooit. Nu is het zaak om ‘door te pakken’. Niks te vroeg, want ga maar na: om onbeheersbare temperatuurstijging te voorkomen moeten we naar bijna zero CO2 emissie in 2050 en wie dan terugrekent, komt met de huidige vorderingen al behoorlijk in tijdnood.

Uitrollen die handel, zou je denken na zo’n introductie. Maar nee, zo eenvoudig is het niet. Mommaas stelt ook dat we moeten aansluiten bij ‘wat leeft onder burgers, bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties’. Op zoek gaan naar ‘gemeenschappelijke belangen en meekoppelkansen’. Aandacht hebben voor ruimtelijke kwaliteit en vooral ‘een goede verdeling van lusten en lasten’. Je hoort als het ware de eerst keihard opgepompte koerstubes sissend leeglopen.

Buma’s opstand
Als vervolgens Bas Heijne er in zijn gesproken column Sybrand Buma bij haalt, is de toon gezet: het gaat vanavond over draagvlak. Heijne wist nog dat de CDA-leider in april van dit jaar had gewaarschuwd voor het klimaatbeleid als een nieuwe arena voor de clash in onze verdeelde samenleving. De gesubsidieerde Tesla’s met een gegarandeerde parkeerplek versus de tien jaar oude Suzuki zonder. De eigen-huis-bezitters met warmtepomp tegenover de corporatiehuurders met een fors hogere energierekening.

Heijne neemt de boutade van Buma niet helemaal over, hij geeft er zijn eigen draai aan: ‘te vaak wordt vergeten dat zoveel mooie idealen voor een mooiere, betere, schonere wereld als accessoires van de heersende klasse worden gezien’. Wat je daarmee moet, weet Heijne ook niet. Hij oppert de onderliggende klasse te waarschuwen: ‘dat wat veraf lijkt is in werkelijkheid gevaarlijk dichtbij’.

Doorduwen of draagvlak
Alle seinen staan op groen, maar de machinisten weten niet hoe ze de trein in beweging moeten krijgen. Staatssecretaris Stientje van Veldhoven houdt een peptalk met goede voorbeelden en de aansporing om ‘mensen onderdeel te maken van de oplossing’. Hans Mommaas waarschuwt op het eind van de bijeenkomst ook zijn eigen PBL voor een ‘eenzijdige benadering waarin de nadruk ligt op processen en technieken in plaats van mensen en hun betrokkenheid’.

Men komt op deze avond niet zo goed uit het dilemma: doorduwen of draagvlak zoeken. Dat zit hem onder andere in het feit dat de doelstelling tegelijk de strategie is: we moeten in 2050 op bijna nul CO2-uitstoot komen, dus in 2020. Maar zo werkt het niet.

Het was een goede zet van de organisatie van de Nacht van de Leefomgeving om de directeur van het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid naar het Amsterdamse Pakhuis De Zwijger te halen. Hij liet zien hoe je een meer incrementele weg kunt bewandelen zonder in paniek te raken over de uitkomst die openlijk ongewis is, terwijl de doelstrategie even ongewis is, maar het daar niet over heeft.

Vijf jaar, daarna zien we verder
Oud-wethouder Marco Pastors wil Rotterdam Zuid binnen twintig jaar op het niveau van een gemiddelde grote stad brengen waar het gaat om onderwijs, wonen, werken en zorg. Dat is een enorm karwei. Juist om te onderzoeken of te bewijzen dat het ook hier kan, heeft de regering dit gebied aangewezen als proeftuin aardgasvrije wijken.

Pastors: ‘Op Zuid hebben mensen al veel moeite om hun gezin draaiende te houden. Als je die bewoners vraagt de portemonnee te trekken om het huis te verduurzamen, krijg je weerstand. Een groot deel van die rekening kan best betaald worden door de corporaties. In ieder geval de eerste vijf jaar. Daarna zien we wel hoe iedereen ervoor staat’.

Bas van Horn

Deze blog werd op 20 september 2018 geplaatst op romagazine.nl

Tellen en vertellen

‘We moeten de facts en figures voor dit verhaal scherp hebben. Er mag geen speld tussen te krijgen zijn.’ Het waren vaak beleidsdirecteuren of hun medewerkers die mij op deze manier meenden te moeten helpen bij het schrijven van een belangrijke speech voor de minister of staatssecretaris. De bewindspersonen op het ministerie van Wonen, Ruimte en Milieu (destijds VROM) zaten er zelf meestal wat relaxter in. Zij voelden wel aan dat het vooral om een overtuigend verhaal gaat. De feiten en de cijfers spreken immers zelden voor zichzelf.

Zeker in het ruimtelijk domein moeten beleidmakers en (speech)schrijvers de feiten en cijfers doen spreken. Kaal zeggen ze ons niks. Je kunt je er al meer bij voorstellen als we omvang, volume en getallen vatten in aansprekende vergelijkingen (voetbalvelden, gevulde zwembaden, rondjes rond de aarde). Daarnaast moeten we de feiten waarderen: vertel de lezer of toehoorder wat hij ervan vinden moet. Is het veel of weinig, meer of minder, te veel, te weinig?

Cijferaars versus verhalenvertellers
Dat is meteen ook een belangrijke notie (naast veel meer!) uit het deze zomer verschenen essay ‘Gevoel voor getallen, een zoektocht naar de politieke en psychologische dimensies van tellen in beleid’, een publicatie van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB). Ilsa de Jong en haar medeauteurs verkennen daarin de strijd tussen cijferaars (factfinders) en verhalenvertellers (feiten zijn ook maar een mening) om te komen tot de conclusie dat hier geen sprake is van een echte tegenstelling. Vooronderstellingen (frames) en verhalen gaan vooraf aan cijfers en cijfers vertellen en onderbouwen het verhaal.

Aanvankelijk lijken De Jong c.s. in de voorbeelden vooral de kant te kiezen van de factfinders. Bijvoorbeeld in de casus van de Rotterdamse ondernemers die in 2025 de World Expo naar Nederland wilden halen. Zij zagen een potentieel van meer dan veertig miljoen bezoekers, honderdduizend nieuwe banen, vijftigduizend stageplaatsen en een economische impuls van veertig- tot vijftig miljard euro, verspreid over een periode van twaalf jaar.

Het Ministerie van Financiën kwam echter tot een negatief saldo van een half tot een heel miljard, met daarbovenop zeshonderd miljoen voor infrastructuur. De cijfers van de Rotterdammers werden weggezet als een frame over ‘een vliegwiel voor de Nederlandse economie’, dat door de kille rekenmeesters van het Rijk (terecht) werd afgeschoten. Het lijkt deels een verteltruc van de auteurs, want daarna komen de kanttekeningen bij de cijfermatige benadering des te beter uit de verf.

Woorden en verhalen hebben een sterk scheppende werking, stelt het essay.  Zo identificeerde het kabinet in 2016 de categorie ‘onzichtbare jongeren’. De groep zonder startkwalificatie, baan of uitkering waardoor ze in de overheidssystemen ‘onzichtbaar’ blijven. Het benoemen van de categorie maakt het mogelijk om te gaan tellen en beleid te ontwikkelen. Het verhaal van de jeugdwerkloosheid is daarmee definitief veranderd.

Een prachtig allitererend rijtje
Het voorbeeld laat ook zien dat er verhalen en keuzes schuilgaan achter de cijfers. Wat telt mee en wat blijft buiten beschouwing? Wanneer wordt er geteld en hoe vaak? De aannames en de methoden vormen de basis voor het cijferframe dat het verhaalkader- dat er al lag – verder invult. De stelling is dus niet, benadrukken de auteurs, dat cijfers alleen duiding krijgen door middel van verhalen, maar dat het samenspel tussen tellen en vertellen evengoed andersom verloopt.

Wat volgt is een hoofdstuk over de politieke- en machtsvragen rond cijferen en tellen (wie telt, hoe en waarom?) en vervolgens de psychologie van cijfers (€ 3,99 is een stuk goedkoper dan € 4,- en we kiezen als gift voor het goede doel meestal de middelste van de drie geboden opties). Om alles bij elkaar te brengen, komen de auteurs met een prachtig allitererend rijtje dimensies van de praktijk: benoemen, begrenzen, berekenen, beoordelen en beïnvloeden.

Bij het benoemen gaat het om constructies zoals in het voorbeeld van de ‘onzichtbare jongeren’. Met het benoemen van een categorie is impliciet al aangegeven dat het ertoe doet, dat deze bestaat en dat ‘het telt’. Het gaat in het essay om eerder niet benoemde fenomenen, maar ik meen dat het ook kan gaan om het anders waarderen of reframen van verschijnselen. Zo wordt verstedelijking verstening, worden klimaatsceptici, klimaatontkenners en zijn overstromingsslachtoffers voortaan klimaatslachtoffers die je kunt turven om een plaatsje te krijgen in berekeningen van leed en schade.

Wat tellen we mee en wat laten we buiten beschouwing? Bij het begrenzen gaat het om het proces van definiëren, ordenen en categoriseren. Ook geen waardevrije exercitie. Wie is een ‘onzichtbare jongere’ en wie spijbelt van school? Wie is een schadegeval door hoog water en wie is een klimaatslachtoffer? Hoe lang of kort maken we de meetreeks? Kiezen we net het stuk dat de urgentie van ons verhaal bevestigt of niet?

Wie schrijft die blijft
Dan het berekenen, tellen als het kwantificeren van de kwestie. Welke methode kiezen we? Gaan we berekenen of meten? Gaan we uit van modellen en extrapolaties of telt alleen wat we nu en hier waarnemen? Mij viel een voorbeeld in. Op grond van de modellen vallen er in ons land jaarlijks achttienduizend fijnstofdoden, maar niemand betreurt er een in zijn omgeving. We kennen wel mensen die bezweken aan hart- en longaandoeningen.

Bij het beoordelen gaat het om het betekenis geven. Wat als de meting of berekening is uitgevoerd? Cijfers zeggen ons niet zoveel, zei ik in het begin van dit stukje al. Ze hebben context nodig: is het veel, weinig, meer, minder, te weinig of te veel? We kunnen ze daarvoor afzetten tegenover andere getallen. Welke andere getallen we daarvoor kiezen is weer een kwestie van politiek en strategie. De Brexiteers maakten goede sier met de retorische vraag of de EU-afdracht niet beter besteed zou zijn aan de zieltogende National Health Service (NHS).

Ten slotte gaat tellen ook over het verdelen van macht of het beïnvloeden van keuzes. Wie telt wat en waarom. Hoe transparant de overheid zich ook opstelt, het is de teller die bepaalt welke actoren in stelling worden gebracht en welke niet. Wie zich kritisch tegenover de teller opstelt, heeft altijd een Uphill Battle. Het is al snel het ‘commentaar van de verliezer’. Kortom, zoals iedere klaverjasser weet: wie schrijft die blijft.

Dat is niet per se in het voordeel van de teller. Waar de overheid worstelt met het draagvlak voor beleidsbeslissingen, bijvoorbeeld rond de ruimtelijke impact van de energietransitie in de meer perifere delen van ons land, daar is een strakke MKBA niet genoeg. De cijfers zullen altijd worden bevraagd als de opgaven en de aannames niet worden gedeeld en – zo voeg ik daar graag aan toe – belangrijke sentimenten en ervaringen buiten beschouwing blijven.

Bewoners tellen en meten zelf
Eind 2017 besluit het Agentschap Telecom een aantal extra metingen te doen in Noord-Nederland, nadat veel klachten waren binnengekomen over de bereikbaarheid van 112. De bereikbaarheid bleek prima (99,6%), maar dat wist de klagers niet te overtuigen. Er kwamen vragen bij de methode, de verwerking van de resultaten en bovendien: je zult maar net onwel worden in het bos zonder bereik. Die 0,4% zijn wel echte mensen!  Zo ontstaat een discussie over cijfers en metingen, waar het moet gaan over de gevoelens van achterstelling in het Noorden en het daadwerkelijk teruglopen van het voorzieningenniveau.

Niet altijd laten bewoners het erbij zitten, ze slaan steeds vaker zelf aan het meten. De Groninger Bodem Beweging meent dat de aardschokken in Groningen in intensiteit toenemen, terwijl de NAM dat op grond van haar metingen bestrijdt. Het leidt tot de oprichting van het Open Seismisch Sensor Grid (ossg) waarin burgers samen met een aantal Groninger bedrijven een meetnetwerk opzetten. Daarmee blijkt het nog geen uitgemaakte zaak wie nu gelijk heeft. Er ontstaat een ingewikkelde discussie over hoe de meetgegevens zich tot elkaar verhouden.

Als bijna altijd beslecht het tellen ook hier de discussie niet, maar doen de cijfers er wel toe. Ik laat de specifieke casus van de Groninger gaswinning nu verder los, want daar is op een tragische manier al veel vertrouwen verloren, gewonnen en weer verloren.

Tegengeluid of bruikbare burgerkennis
Een begin van een oplossing ligt bij dit soort onderwerpen onder meer in joint-factfinding missions. Dat is nog niet eenvoudig, want voor je het weet vechten partijen elkaar de tent uit. Om te voorkomen dat verschillen in waardenoriëntatie, wederzijds wantrouwen en onbegrip worden omgezet in strijd over meetmethoden en teltechnieken, moet eerst een gedeelde basis gevonden worden. Een proces van brede verkenning van de opgave met alle mogelijke stakeholders die leidt tot een gedeeld idee en een gedeelde taal over wat er moet gebeuren en waarom. Pas daarna weet je welke feiten je zoekt en kun je met elkaar bedenken hoe die het best te vinden.

Niet overal is het nodig zo’n zwaar traject op te tuigen. Er is al veel gewonnen wanneer – met name overheden – in staat en bereid zijn alternatieve feiten en gegevens, niet als oppositionele kennis te beschouwen. Zie het als een verrijking van de opgave en mogelijke oplossingsrichtingen. Dat gebeurt op veel plaatsen ook al. Denk aan burgervisitatiecommissies, mystery guestst en de wederzijdse beoordelingen geïnspireerd op de praktijken van Airbnb en Uber.

In het boek ‘Kennisdemocratie’ (2010) van Roel in ’t Veld en coauteurs – dat ook door Van Twist en de zijnen wordt aangehaald – staat al een pleidooi om het potentieel aan beschikbare maatschappelijke kennis zo goed mogelijk te benutten. Ook al omdat de overheid niet langer het monopolie op de echte cijfers en de ware kennis heeft. Daarvoor zijn we tegenwoordig te goed opgeleid en ontsluit het internet te veel voorheen exclusieve kennis.

Het essay ‘Gevoel voor getallen’ bouwt voort op dat inzicht en wil een aanzet zijn tot verdieping, voorbij de tegenstelling facts en figures tegenover de verhalenvertellers. Speech- en tekstschrijvers zoals ik, zullen vervolgens nog steeds aansprekende voorbeelden en vergelijkingen moeten vinden om het gedeelde verhaal werkelijk voor het voetlicht te krijgen.

Bas van Horn

Dit artikel verscheen eerder op Romgazine.nl d.d. 5 september 2018

Gevoel voor getallen, een zoektocht naar de politieke en psychologische dimensies van tellen in beleid. NSOB 2018 ISBN: 978-90-75297-79-9. Auteurs: Ilsa de Jong, Mark van Twist, Daphne Bressers, Jorgen Schram.

‘Vraag niet van de stad dat hij jou weerspiegelt’

Begin jaren tachtig van de vorige eeuw las ik met mijn leesclubje The Fall of Public Man van Richard Sennett. Een boek over de pleinen en koffiehuizen van de achttiende eeuw en hoe iedereen (nou ja, de mannen met een mening dan, maar wel ongeacht rang of stand) elkaar daar ontmoette in de publieke ruimte. Sindsdien is de gebouwde omgeving en (de teruggang van) het publieke leven het thema van Sennett. Hij las de afgelopen veertig jaar een welgevulde bibliotheek, schreef zelf een plank vol boeken en verruimde zijn blik in Latijns-Amerika, Afrika en Azië tijdens werk voor de VN en later Unesco. Dat alles komt nu samen in Building and Dwelling, Ethics for the City.

Het boek gaat over de fysieke stad van gebouwen en structuren (Ville) en de stad als habitat van mensen (Cité). Aan het eind is zijn advies aan zowel stedebouwers als stedelingen: wees bescheiden, wees terughoudend. Dan is er ondertussen wel ruim tweeduizend jaar beschaving langsgetrokken, zijn er voorbeelden van over de hele planeet beschreven en heeft Sennett zijn eigen ontwikkeling geschetst. Ik pik er een paar dingen uit.

Richard Sennett en Jane Jacobs

Als jongeman was Sennett een Jane Jacobs adept. Zij was de stadsactiviste die het opnam tegen de modernisten die de oude binnensteden wilden slopen voor kantoren en snelwegen. Zij was van de menselijke maat, de buurt, de organisch groeiende mix van wonen, winkeltjes en werkplaatsjes in de plint. Zeg maar Greenwich Village New York in de jaren zestig of de gegentrificeerde wijken à la De Pijp in Amsterdam anno nu. Nog altijd is Jacobs de moeder van alle jonge progressieve stadmakers.

Sennett groeide weg van Jacobs. Haar persoon en inzichten bleven hem dierbaar, maar hij zag ook dat Greenwich Village niet de oplossing was voor de favela’s in Latijns-Amerika of de snelgroeiende megasteden in Afrika en Azië. Drastisch ingrijpen kan werken en plannen kan noodzakelijk zijn.

‘Drastisch ingrijpen kan werken en plannen kan noodzakelijk zijn’

De kabelbaan die de benedenstad van Medellín in Colombia verbindt met de levensgevaarlijke en uitzichtloze sloppen hoog tegen de berg bleek zo’n interventie die werkt. De bibliotheek – ontworpen door een ster-architect en in zwarte dozen geplakt tegen de bergwand – is een pompeus gebaar van verheffing van de onderklasse, maar de bewoners zijn er trots op en het is een bron van kleine nering zoals het gidsen van toeristen.

De Chinezen kleunen soms mis met hun uitrol van hele wolkenkrabberwouden op de plek van oude buurten. Een echo van de naoorlogse vernieuwingsdrang in het Westen, maar ook collateral damage van noodzakelijke planning voor supersnel groeiende steden. Een traditie van creatieve destructie bovendien die in China vele Keizerdynastieën teruggaat. Een geschiedenis waarin heersers de gebouwde nalatenschap van en herinnering aan hun voorgangers met de grond gelijk maakten. Ook voor leuke weetjes moet je bij Sennett zijn.

De stad in flux

Maar Richard Sennett, levensgezel van de al even beroemde sociologe en stadsdenker Saskia Sassen, is altijd een romanticus gebleven. Een man met oog voor wat kitsch is en waar in zijn ogen de ontworpen stad (Ville) werkelijk organisch groeit naar een onbedoelde gemeenschap (Cité).

Hij vertelt hoe de Chinese Madame Q, een getekend tweedegeneratie slachtoffer van de Culturele Revolutie, van betonspecialiste tot stadsplanner uitgroeide en spijt kreeg van de rigoureuze sloop van oude wijken. Wat gespaard bleef, restaureert ze nu of bouwt ze terug. Het resultaat is kitsch, in gebruik bij de Chinese yuppen van vandaag.
Sennett vertelt ook over Nehru Place in Delhi. Het dak van een ondergrondse parkeergarage als plein, geflankeerd door kantoren. De gebouwen bleven of kwamen leeg en het plein bleek met zijn vlakke en droge ondergrond bij uitstek geschikt voor een informele markt. Het werd de plek voor goedkope elektronica. Restpartijen, schadegevallen en gestolen waar, maar ook reparaties en inventiviteit. De kantoren werden steeds vaker ingenomen door computerbedrijfjes en ontwikkelaars. Een Indiaas Silicon Valley was geboren.

Mister Sudhir, een gewiekste marktkoopman op leeftijd die zijn normen en waarden voor thuis bewaart, weet dat hij op het plein uit de markt gedrukt gaat worden. Maar hij beklaagt zich niet. Mr. Sudhir weet dat de stad in flux is en dat er elders een nieuwe Nehru Place zal ontstaan waar hij opnieuw kan proberen zich een plek te verwerven.
Ondertussen ziet Sennett hoe de jonge hardware specialisten en software ontwikkelaars de oude eethuisjes blijven frequenteren. Een organische, onbedoelde, maar gelukkige blend van nieuw en oud in steen en stadsleven. Zo zien Sennett en Jacobs het graag.

‘Vraag niet van de straat dat hij jou weerspiegelt’

Terughoudendheid als modus

Op dezelfde manier, maar dan anders, ziet Sennett zo’n mix in de Berlijnse Kantstrasse. Een lange bescheiden straat die weinig markante gebouwen telt, maar wel de geschiedenis van de stad weerspiegelt in de bebouwing uit verschillende perioden en de littekens van oorlog en scheiding in Oost en West. Een straat waar migrantengemeenschappen en oudere autochtone Berlijners hun plek hebben. De plek ook waar Sennett na zijn beroerte herstelde door het maken van lange wandelingen.

Wanneer hij, bevangen door vermoeidheid of duizelingen, met zijn rug tegen een pui gedrukt stond, werd hij door passanten niet geholpen. Hij zag het niet als gebrek aan wellevendheid of empathie, maar als terughoudendheid. Hier taxeerden passanten elkaar. Vraagt deze situatie om onmiddellijk ingrijpen of niet? Zijn tienjarige gids had hem ooit in dezelfde modus door de bovenstad van Medellín geloodst. Hier in de Kantstrasse was men gewend aan verschillende gewoonten en oudere mensen die soms even tot zichzelf moeten komen om daarna hun weg te vervolgen.

‘Smart Cities, Green Cities en Healthy Cities met een ongetemperd ideaal zijn gedoemd te falen’

Vraag niet van de straat dat hij jou weerspiegelt, wees blij met de bescheiden straat die je een plek gunt. Verwacht niet dat je een ideale stad of straat kunt bouwen. De gesloten gemeenschap van de gated community isoleert zichzelf van de samenleving. Smart Cities, Green Cities en Healthy Cities met een ongetemperd ideaal zijn gedoemd te falen. Of te slagen, wat nog erger is. Want dat betekent een gedresseerde stad waar iedereen op dezelfde manier moet proberen gelukkig te worden.

Vijf keer openheid

Planning is een hachelijke onderneming, maar om minimale voorwaarden voor een humaan bestaan in megasteden te creëren, kun je niet zonder. Stedebouwers kunnen met stevige interventies wel degelijk een verschil maken voor het samenleven van mensen. Of het nu gaat om de kabelbaan in Colombia of het terugbrengen van een waterloop door Brusselse probleemwijken. Maar de Cité laat zich niet ontwerpen. Wat wel kan is mogelijkheden creëren door openheid te betrachten. Sennett geeft vijf voorbeelden.

  1. De stad moet synchroniciteit aankunnen. Er moeten veel verschillende dingen tegelijk kunnen plaatsvinden. Daar valt aan te tekenen.
  2. De stad heeft behoefte aan identiteiten. Geen dwingende iconen maar markante plekken die de stedeling helpen zich te oriënteren en groeperen. Het is ondertussen de Heilige Graal van het stedelijk ontwerpen.
  3. De stad moet een spons zijn. Mensen kunnen opnemen en weer vrijgeven zonder vorm te verliezen. Hoe dan? Ontsluit binnenterreinen, gevels en plinten voor publieke functies. Bij de herontwikkeling van het Utrechtse binnenstedelijk gebied ‘Moreels Tuinen’ is dit al een belangrijk principe.
  4. De stad mag incompleet zijn. Leer van de Indiase marktkoopman Mister Sudhir, zegt Sennett. Hij volgt hij de flux van de stad, maar thuis bouwt hij gestaag aan het huis van zijn familie. Gasbetonblok voor gasbetonblok, vertrek voor vertrek.
  5. De stad mag vele steden zijn. Het gaat om het planten van vruchtbare zaden die op verschillende manieren zullen uitgroeien. Dat staat haaks op het uitrollen van bewezen concepten, maar ook daar ontkom je niet altijd aan, weet Sennett op basis van zijn ervaringen in China.Stuk voor stuk geen hemelbestormende nieuwe inzichten, maar verteld vanuit een enorme eruditie, sprekende voorbeelden ontleend aan eigen ervaring en een grote liefde voor de onafheid, morsigheid en veelzijdigheid van een stad (Ville) waarin wordt geleefd (Cité).

Richard Sennett, Building and Dwelling: Ethics for the City. Uitgeverij Allen Lane. De Nederlandse vertaling verschijnt in november bij Meulenhoff als ‘Stadsleven’.

Deze blog is geplaatst op Romagazine.nl

De Gated Family

‘In gelul kan je niet wonen’, sprak staatssecretaris Jan Schaefer ooit in de Tweede Kamer. Dat werd ‘onwelvoeglijk taalgebruik’ gevonden. Daarom kwam er ‘in geouwehoer kan je niet wonen’ in de Kamernotulen te staan. Als wethouder woningzaken en stadsvernieuwing was Schaefer eind jaren zeventig en begin jaren tachtig onder meer verantwoordelijk voor de bouw van een wijkje met Premie C-woningen in Amsterdam Zuidoost. Schaefer heeft er zijn eigen pad. Op het straatnaambordje staat keurig het oorspronkelijke: ‘in gelul kan je niet wonen’. Een kleine wijkgeschiedenis.

Premie C was een subsidieregeling om de spreekwoordelijke verpleegster en onderwijzer in staat te stellen een huis te kopen. In de hoofdstad moest de regeling (toen al) gewone Amsterdammers en hun gezinnen voor de stad behouden. De stad liep in die jaren leeg richting Almere, Purmerend en later Hoorn. Ik ben tweede generatie bewoner van het wijkje in Zuidoost. Van de eerste generatie weet ik dat het hier dertig jaar geleden een kale zandvlakte was.

Snelgroeiende struiken en bomen moesten de wijk zo vlug mogelijk minder onherbergzaam maken. Tien jaar later reikten de bomen tot de dakgoten, pergola’s gingen schuil onder wilde ranken. Schuttingen stonden hier niet. De buren verstopten zich in de krap bemeten tuintjes voor elkaar achter weelderige heesters en hagen; de ‘wilde tuin’ zonder duidelijke grens als vanzelfsprekend teken van beschaving. Met die paradox zou het snel gedaan zijn.

‘De ‘wilde tuin’ zonder duidelijke grens als vanzelfsprekend teken van beschaving’

Eerst leek het een onderbelicht aspect van het multiculturele drama. Ambitieuze allochtone tweeverdieners stroomden de buurt in, pleegden achterstallig onderhoud en schilderden de schuren. En passant vervingen ze het groen voor sierbestrating, plaatsten tuinschotten en stopten felgekleurde bloemen in potten. Maar even later zong de motorzaag ook in menig autochtone tuin. Het nieuwe stel van verderop had de statige berken omgehaald en zwartwerkers van een wegenbouwer beklinkerden de voor én achtertuin.

Ons hoofdschudden had toen nog niks met het klimaat en een ondoordringbare ondergrond te maken, we waren het gewoon anders gewend. Schuttingen heb ik zelf nooit hoeven plaatsen. Dat deden de nieuwe buren aan weerszijden. Vrijwel alle tuinen in de straat kregen met nieuwe bewoners op die manier schuttingen. Inmiddels lijkt zich alweer een volgend fase aan te dienen. Die van de Gated Family.

Progressieve planologen en stedebouwers maakten zich in de jaren tachtig en negentig zorgen over een nieuw fenomeen: de Gated Community. Met de opkomst van het neoliberalisme en kneiterkapitalistische stadsontwikkeling werd het publieke domein teruggedrongen en scheidden de haves zich af van de have notsdoor hun woonomgeving collectief af te grendelen van de gevaarlijke buitenwereld. De inclusieve stad moest als begrip nog uitgevonden worden, maar dat die onder druk stond (de premisse was dat ze bestaan had) was velen wel duidelijk.

‘Nu is de nucleaire variant van de Gated Community opgedoken’

In mijn wijk is nu voor het eerst de nucleaire variant van de Gated Community opgedoken. Een hoekwoning in de straat van rijtjeshuizen is van eigenaar gewisseld. De coniferenhaag werd gerooid en een manshoge schutting opgetrokken. Geen schutting die twee zijden van de woning aan het zicht onttrekt, maar drie. Ook het voortuintje is hermetisch afgesloten. Een paneel in de schutting doet dienst als deur. De brievenbus en de bel bevinden zich aan de buitenzijde van de omheining. Een gesloten huis.

De verleiding is natuurlijk groot om een verhandeling te houden over het proces van segregatie dat tot op het niveau van de individuele woning is doorgedrongen. Teloorgang van gemeenschappen, individualisering, net wat u zegt. Het zou alleen niet eerlijk zijn. Want kort na het voltooien van de schutting had kennelijk een housewarming plaats. Van verschillende kanten kwam visite vanuit naburige woningen aangelopen. De vrouwen droegen schalen met zelfgebakken traktaties, de mannen hielden de kinderen met hun stepjes en fietsjes op de stoep (ja, zo gaat dat hier).

Aan het geluid dat uit de tuin achter de omheining opsteeg, kon je afleiden dat wijlen Jan Schaefer zich op dit feestje best zou hebben vermaakt. Wij waren niet uitgenodigd. Misschien hebben we ons iets te ver achter onze heesters verstopt.

Bas van Horn

Deze bijdrage verscheen op 4 juli 2018 op Romagazine.nl

Wat wil de kantelkundige?

Het meinummer van ROmagazine kwam als een dik pak papier door de brievenbus. Naast het magazine bevatte het cellofaan een Waddenspecial en een essay over de Omgevingswet van prof. dr. Ir. Jan Rotmans, hoogleraar transitiekunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Allemaal interessant, maar ik was vooral benieuwd naar het verhaal van Rotmans. Wat is zijn kritiek en wat wil de kantelkundige nu precies?

Overal worstelen gemeenten en regioverbanden met de invoeringsoperatie van de Omgevingswet, constateert de G40 in het voorwoord. Iedereen is aan het ontwikkelen en er zijn experimenten, maar de grote uitdaging is om je collega’s en de samenleving ‘mee’ te krijgen in de grote verandering die met de wet wordt beoogd. De vraag is of we de Omgevingswet kunnen zien als een transitie, vergelijkbaar met de energietransitie en de transitie in het sociaal domein, en of we daarvan kunnen leren. De antwoorden van Rotmans moeten bijdragen aan handvatten die de G40 zoekende gemeenten wil aanreiken.

Ik zou er niet over gevallen zijn, ware het niet dat het motto van de Omgevingswet een van mijn meest concrete bijdragen aan de wet is geweest in drie jaar beleidsadviseurschap bij de programmadirectie Eenvoudig Beter: ‘Ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit.’ Ook in de flyer uit 2016 van het toenmalige ministerie van Infrastructuur en Milieu, die Rotmans bij zijn bronnen opneemt, staat het zo. Geen ‘waarborgen van kwaliteit’ dus. OK, het is muggenziften, maar toch.

De kloof tussen letter en geest

De noodzaak van de Omgevingswet en het instrumentarium neemt Rotmans adequaat over uit de publicaties van het ministerie. Bij de uitgangspunten van de wet geeft hij daarnaast al direct een van zijn belangrijkste punten van kritiek. Er gaapt wat hem betreft een kloof tussen de letter en de geest van de wet. Rotmans prijst de ruimte voor een integrale en participatieve benadering, maar hekelt het gebrek aan kaders voor de concrete invulling.

Rotmans ziet ook wel dat een scherpe inkadering ten koste zou gaan van het maatwerk dat nu juist recht moet doen aan de (groeiende) lokale en regionale verschillen, maar vreest toch dat de: ‘bewegingsruimte en -vrijheid wel heel groot (worden) hetgeen kan leiden tot grote verschillen tussen de theorie van de Omgevingswet en de uitvoering ervan in de praktijk.’

De strakke monitoring en verantwoordingsplicht zijn in zijn ogen dan weer in strijd met de ‘geest van vertrouwen’ die de wet wil ademen. Dat op die manier een grote mate van vrijheid gekoppeld wordt aan een grotendeels zelf vorm te geven resultaatverantwoording, is kennelijk niet aan hem besteed.

Een ware transitie, diep en onomkeerbaar

Als transitie-expert oordeelt Rotmans dat we bij de Omgevingswet te maken hebben met een ware transitie, diep en onomkeerbaar. Diep omdat het niet alleen meer (maatwerk) of minder (regels) van hetzelfde is, maar ook uitgaat van wezenlijk andere waarden (decentraal, vertrouwen) dan voorheen (centraal, wantrouwen).

Niet heel bemoedigend voegt hij daaraan toe dat transities vaak mislukken omdat ze niet te plannen en te organiseren zijn. Daarbij komt nog eens dat mensen van nature niet integraal denken, volgens Rotmans. Dat moeten ambtenaren en bestuurders (en burgers?) zich dus eigen maken. Dat de Omgevingswet niet voorschrijft hoe er geïntegreerd moet worden is daarbij voor Rotmans een voordeel en een nadeel. De vormvrijheid van de Omgevingswet geeft ruimte, maar brengt volgens hem het risico met zich mee dat de integratie van thema’s en afwegingen door de vele uitzonderingen en ‘ontsnappingsclausules’ straks ‘heel anders uitpakt dan beoogd’.

Gewoon of ongewoon doen

De transitie in het ruimtelijk domein is veel groter en complexer dan die in de sociale hoek, maar de eerste kan van de ervaringen van de tweede leren, stelt Rotmans. In het sociaal domein is veel geëxperimenteerd in bijvoorbeeld de jeugd en ouderenzorg, maar de resultaten zouden ‘een goed bewaard geheim’ zijn gebleven. Dat vinden ze bij de VNG en bijvoorbeeld het BZK-programma Gemeenten van de Toekomst vast niet leuk om te horen. Die sloven zich immers al jaren uit om ervaringen en ‘best practices’ op allerlei manieren te delen. Ook daar is al lang bedacht dat het goed is om in de ruimtelijke transitie van de sociale te laten leren.

Dat zal Rotmans vast niet ontkennen. Waar het naar zijn idee aan ontbreekt is systematisch zoeken, leren en experimenteren (Loorbach 2007; Rotmans 2014). Dat moet in het ruimtelijk domein dus beter. Met ‘radicale experimenten waarbij mensen echt anders gaan denken en werken’. Een deel van die experimenten mag mislukken, dat is juist goed. Als ze in een schaduwspoor van het primaire beleid zijn gedaan, kan het geen kwaad.

Veel meer komen we in dit essay over de aard van de radicale experimenten niet te weten. Het is in ieder geval geen kwestie van ‘gewoon doen’, zoals de bestuurskundigen Van der Steen en Van Buuren (2017) gesuggereerd zouden hebben. Het is juist een kwestie van ‘ongewoon doen’, meent Rotmans. En dat vergt tijd, ruimte, moed en leiderschap.

Vrijheid als ‘ontsnappingsroute’

Wat de transitieprofessor precies tegen het betoog van Van der Steen en Van Buuren voor het programma ‘Aan de slag met de Omgevingswet’ heeft, wordt niet duidelijk. Het leek mij juist een heel concreet verhaal dat het sturingsprincipe van de wet in een heldere context plaatst en in het hoofdstuk ‘Van A naar B volgens de regels van B’ precies aangeeft waar het vaak mis gaat met experimenten en wat daaraan te doen is.

Ik vermoed dat de bezwaren van Rotmans vooral gaan over de relaxte insteek van Van der Steen en Van Buuren. Experimenteren betekent niet precies weten welke kant het op zal gaan en wat de uitkomsten zullen zijn. Rotmans weet precies welke kant het op moet. Daarom is hij bang voor een kloof tussen de theorie en de praktijk van de wet, hekelt hij het gebrek aan concrete invulling van kaders en eisen.

Vrijheid is voor hem kennelijk een ‘ontsnappingsroute’ die weg leidt van het ‘juiste pad’. De beoogde integratie van ruimtelijk beleid en -regels loopt bij hem niet voor niets risico door de vele ‘uitzonderingen en ontsnappingsclausules’. Voor je het weet pakt het allemaal heel anders uit dan beoogd. Daarom vragen zijn experimenten heldere kaders, sturing, moed en leiderschap. Het essay van Rotmans maakt niet duidelijk wat hij precies onder werkelijk ‘radicale experimenten’ verstaat, maar laten we hopen dat we ervan verschoond blijven.

Bas van Horn

Deze column werd eerder geplaatst op ROmagazine.nl 29-5-2018

Favoriete booswichten van het gifgrootkapitaal

Het regent insecten op de voorruit als ik de Afsluitdijk oversteek. Toch even een gevoel van opluchting, want het gaat niet goed met de insecten, bijen en hommels. De bespikkelde voorruit die vroeger zo gewoon was in het voorjaar en de zomer, blijft tegenwoordig heel vaak schoon. Het zijn trouwens wel allemaal muggen. Eén voorruit zegt natuurlijk net zo weinig over verlies aan biodiversiteit als een extreem warme of koude dag iets zegt over het klimaat.

Oplossen of zwarte pieten?

Het lastige met dit soort dingen is dat natuurbeschermers er, net als ik (is dit Rachel Carson’s ‘Silent Spring’ vijftig jaar later?), een handje van hebben om een verschijnsel of soort symbool te maken van iets groters dat verloren dreigt te gaan. De wereld toen die nog in orde was. Met arme gronden, weelderige bermen, houtwallen en gewemel van beestjes waar je maar keek. De mug is dan niet het sterkste symbool, de bij is dat wel. De bij gaat vrij van bloem tot bloem en levert met zijn honing een extract van onze leefomgeving. Nou, dan weet je het wel als het niet goed gaat met de bij.

De neonicotinoïden, een verrassend werkzame groep insecticiden, schijnen slecht te zijn voor de bijen. Nogal wiedes, constateerde iemand in het vakblad De Boerderij, daar waren ze ook voor bedoeld. LNV-minister Schouten ging dit voorjaar akkoord met een verbod op deze middelen. Hoera, want het wetenschappelijk bewijs schijnt niet heel sterk, maar in de praktijk zien boeren en natuurmensen het insectenleven opbloeien als gestopt wordt met dit type middelen. Vraag is wel of we daarmee het probleem oplossen of vooral onze favoriete booswichten het grootkapitaal de zwarte piet hebben toebedeeld.

Veranderende leefomgeving en ziekten

Er is natuurlijk veel meer aan de hand. De landelijke omgeving is veranderd, productiever geworden maar ook minder divers. Verstedelijking en verstening zijn opgerukt. En er zijn allerlei bijenziekten. Een belangrijke veroorzaker is de Varroamijt. Een exoot die sinds 1983 ook in ons land voorkomt. Volgens de Wageningen Universiteit (WUR) vormen ze een ernstige bedreiging voor bijenvolken.

Wat de belangrijkste oorzaak van de bijenmalaise ook is, laten we het erop houden dat het allemaal een rol speelt. Dan is er dus ook niks op tegen om die Varroamijt zo effectief mogelijk te bestrijden.

Daar hebben de producenten van bestrijdingsmiddelen – zelf spreken ze liever van gewasbeschermingsmiddelen – iets op gevonden. De bijen die verleid worden zich in bijenkasten te vestigen (het zijn niet echt gedomesticeerde dieren, laat ik mij vertellen), krijgen een soort vlooienbandje dat de mijt bestrijdt. Het spul zit rond de ingangen van de kast en de bijen smeren het bij in- en uitvliegen zelf achter hun kopjes.

Een marketingtechnisch ‘dingetje’

Het goedje schijnt te werken, maar het feit dat juist onze favoriete boosdoeners een stukje van de oplossing leveren, wordt marketingtechnisch nog wel een dingetje. De bij, symbool van alles dat goed en schoon is, met een gifbandje om. Het zal velen als een gotspe in de oren klinken. Toch zijn die bijen in de kasten van de imker natuurlijk – hoewel niet echt tam – gewoon productiedieren. Net als bij leghennen de eieren worden weggehaald, gaat hier de imker er met het vloeibare goud vandoor. Het beest als symbool voor wat er mis is met de wereld, het lijkt aantrekkelijk maar het helpt de goede zaak uiteindelijk niet echt.

Bas van Horn

Eerder geplaatst op romagazine.nl 15 mei 2018

Het buitenland lacht zich krom

Daags na het ‘koeiendansen’ – het vrije uitstootfestival voor weidegangers – publiceerde de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) het rapport Duurzaam en Gezond. Het rapport gaat over verduurzaming van het voedselsysteem en de noodzaak tot inkrimping van de veestapel. Geen nieuwe boodschap. De poster ‘Minder vlees mevrouw, u weet wel waarom’, van De Kleine Aarde uit Boxtel stamt al uit 1974.

Meer dan veertig jaar later riep de FAO in 2016 het ‘Jaar van de Boon’ uit, maar ook in 2018 krijgt de Rli de politiek nog altijd niet mee voor de boodschap: eet bonen in plaats van vlees voor milieu, klimaat en hoogstwaarschijnlijk uw gezondheid. En dat terwijl er geen speld tussen te krijgen is. Voor een kilo vlees is gemiddeld vijf kilo peulen en een heleboel water nodig. Die kunnen beter direct gegeten en gedronken worden. Dat geeft nog minder verzuring en broeikasuitstoot ook. Zo gaan we goed op weg om de mensheid gezond te voeden en de klimaatverandering te bestrijden.

Vaker een peertje schillen

Toch schoven de regeringspartijen het dringende advies van Rli tot inkrimping van de veestapel terzijde. CDA-woordvoerder Jaco Geurts meende zelfs dat het buitenland zich krom zou lachen als we het advies zouden volgen. Weten Geurts en de regering dan niet hoe het ervoor staat met de wereld en het klimaat? Jawel, maar ze gaan niet mee in de ‘Mammaloe-redenering’ van het bonenfront.

Voor de jongere lezers: Mammaloe was de vrouw van Pipo de Clown. Samen met haar man vertelde zij in de jaren zestig van de vorige eeuw op de NTS-televisie vanaf de bok van hun ezelwagen korte verhaaltjes voor het slapen gaan. Soms werden daarin wereldproblemen aangestipt, waarop Mammaloe steevast verzuchtte: ‘ach, als de mensen toch eens vaker een peertje zouden schillen’. Een advies waar toen al geen speld tussen te krijgen was. Wie peertjes schilt, kan niet tegelijkertijd ruziemaken of oorlog voeren.

Probleem met zowel het peertjes- als bonenadvies: de mensheid gaat niet zomaar meer peertjes schillen of bonen eten. En om het nu maar weer bij de peulen te houden: sterker nog, de armoede in de wereld loopt terug en de groeiende welvaart vertaalt zich in een stijgende eiwitconsumptie in de vorm van vlees en zuivel.

Zero Sum Game

De Rli erkent dat en haalt een scenario-studie van Odegard en Van der Voet uit 2014 aan. Daarin staat dat de huidige trend in consumptie van dierlijke producten niet verenigbaar is met de beperkte natuurlijke hulpbronnen. Op pagina 62 stellen de auteurs: ‘Ook bij maximale, wereldwijde efficiëntieverbetering is een voedselpatroon als dat van de geïndustrialiseerde wereld niet weggelegd voor de gehele wereldbevolking. Bij een rechtvaardige (gelijkwaardige) verdeling van hulpbronnen zal de westerse voedselconsumptie moeten verduurzamen.’

Ik weet niet of de Rli, dan wel Odegard en Van der Voet, bij die maximale efficiëntieverbetering aan optimale intensivering en industrialisatie van landbouw en veeteelt hebben gedacht, maar ze reduceren het vraagstuk hier in ieder geval tot een zero sum game. Er is één koek te verdelen en wat ze daar te weinig hebben, moet van het teveel bij ons komen. Het gaat uit van een eenvoudig arm-rijk schema dat samenvalt met ‘het Rijke Westen’ versus de rest en kiest de moreel superieure positie waarin wij onze ‘schuld’ aan de wereld inlossen door te verduurzamen. Dat is prachtig, maar zo werkt het niet.

Je kunt het ‘als wij het niet doen, dan doet een ander het’ van de regeringspartijen afdoen als laf ontlopen van verantwoordelijkheid, maar het is natuurlijk wel zo. De relevante sectoren in andere landen staan te trappelen om onze positie als meest efficiënte en grote speler in de groeimarkt van voedselproductie, -verwerking en – distributie over te nemen. Dat gaan we niet laten gebeuren en dat is maar beter ook.

De landbouw moet vaker ‘los van de grond’

Er zijn problemen met de intensieve landbouw: uitputting van de grond, uitspoeling van gewasbeschermingsmiddelen, aantasting van de biodiversiteit. En in de veehouderij zijn de hoofdpijndossiers niet minder. Denk aan het mestoverschot, dierziekten, dierenwelzijn, grootschalige ruimingen en gezondheidsrisico’s in dichtbevolkte regio’s zoals Brabant. Stalbranden, bizarre mestinjecteerpraktijken en de trage erkenning van de ernst van de Q-koortscrisis zijn schrijnende voorbeelden.

Daarom moet de landbouw ook vaker ‘los van de grond’ en horen die grootschalige veebedrijven niet meer op het platteland en die koeien niet in de wei. Kunnen ze beter een plek krijgen op industrieterreinen en in de havengebieden waar zonder onnodig vervoer diervriendelijk en met gecontroleerde uitstoot geproduceerd kan worden voor de export en de hoofdmoot van de binnenlandse vraag.

Dat is de techniek, wat blijft is de kwestie van de ethiek. Het idee dat wij in ‘het Westen’ de wereld (mensen, dieren, planten en grondstoffen) uitbuiten en uitputten voor onze onverzadigbare vraatzucht. Ook het Rli-rapport ademt op sommige plaatsen die sfeer. De werkelijkheid van nieuwe wereldverhoudingen en nieuwe elites die zich alles kunnen permitteren, is anders.

De wereld heeft er meer aan als Nederlandse z’n koppositie in efficiënte en duurzame voedselproductie behoudt

Ook ideeën over de omgang met natuurlijke hulpbronnen verschillen wereldwijd. Dat is geen kwestie van bewustwording die maar tot één uitkomst kan leiden. Bijna vijftig jaar na ‘Minder vlees mevrouw, u weet wel waarom’ blijven de biologische landbouw en veeteelt, de bonenbeweging en de Vegan-trend zelfs in ons land marginaal.

Reëel gezien heeft de wereld meer aan behoud van de Nederlandse koppositie in efficiënte en daarmee in veel opzichten ook duurzame voedselvoorziening. Misschien is het niet de reden waarom de regering het advies van de Rli negeert, maar is het gewoon bedienen van het gevestigde landbouwbelang. Hoe dan ook: voorlopig geen veestapelinkrimping of vleestaks.

Als we op termijn uit (misplaatst) schuldgevoel dan toch per se een nieuw front willen openen in de nationale cultuuroorlog door gewone mensen een betaalbaar stukje vlees te ontzeggen, het zij zo. Als we dan maar niet het idee hebben dat we daarmee een wereldprobleem oplossen.

Bas van Horn

Deze blog verscheen op 16 april 2018 bij ROmagazine.nl

Jezus komt, de Uitmarkt niet

Jezus leeft in de Bijlmer. En als alles volgens plan verloopt, gaat Hij daar op 29 maart dood om daarna, maar te laat voor de afterparty in de ArenA, weer op te staan. Een betere plek voor het reli-spektakel The Passion van de christelijke publieke omroepen is moeilijk te bedenken. De Zoon van God is kind aan huis in het Amsterdamse stadsdeel met meer dan tachtig christelijke kerkgenootschappen.

De jonge, mediagenieke advocaat met Bijlmerroots – Don Ceder – zal een van de discipelen zijn in het moderne passiespel. Mogelijk doet hij dat als pasgekozen vertegenwoordiger van de ChristenUnie in de gemeenteraad van Amsterdam. Als dat lukt, dan vast niet met veel steun uit het centrumgebied, want zijn CU maakt zich niet zo druk om bierfietsen en rolkoffers als de meeste gevestigde partijen in Amsterdam.

Sinds eerstejaarsstudenten uit de provincie een kamer hebben gevonden en een fiets kopen van een junk, schelden ze de toeristen in de Damstraat aan de kant, omdat die hen – de Amsterdammers – in de weg lopen. Aandoenlijk chauvinisme waarmee de stad groot is geworden. De laatste jaren is ‘Amsterdam voor de Amsterdammers’ echter een serieus issue geworden. Met honderden campagne-journalistieke stukken stookte Het Parool dit vuurtje op.

Kieswijzer voor druktehaters

Op zaterdag 10 maart kreeg dit oeuvre een bekroning in de vorm van een artikel over een kieswijzer voor druktehaters. De kieswijzer werd gemaakt door Amsterdam in Progress, een vehikel van de toerismedeskundige Stephen Hodes die Amsterdam wil behoeden voor Disneyficatie. Hodes komt tot de volgende rangorde van heel erg tot best erg tegen drukte. De kwalificaties daarbij zijn van mij, meld ik voor de volledigheid.

Wie voor een inclusieve stad is exclusief toeristen, stemt GroenLinks. Wie rasechte Amsterdammers voorrang wil geven op de woningmarkt moet bij de SP zijn. Wie vooral zijn stoep naar de beletage niet ondergekotst wil vinden, stemt VVD. Wie van zijn kosmopolitische geloof is gevallen of riant woont in de binnenstad kan bij D66 terecht. Ten slotte is er altijd nog de PvdA die er zou moeten zijn voor de mensen in buurten waar ze helemaal geen last hebben van de drukte, maar die toch tegen is. De meeste outsiders onder de politieke partijen in Amsterdam hebben wel wat anders aan hun hoofd dan de drukte en dat geldt ook voor de CU van Ceder.

Gevestigde politiek mijdt de échte issues

Dat wil niet zeggen dat er geen echte issues zijn rond de snelgroeiende hoofdstad, maar daar heeft de gevestigde politiek aan de vooravond van de verkiezingen even geen zin in. Eerlijk is eerlijk; dat was ook de conclusie van een commentaar van Bas Soetenhorst in datzelfde Parool. Er zijn nog wat losse eindjes rond de Noord/Zuidlijn en de renovatie van de Oostlijn. We moeten het nog eens hebben over een metroverbinding van Oost naar West en er zijn de grote woningbouwopgaven die de woningmarkt voor de middengroepen lucht moeten geven. Allemaal best belangrijk, maar nu even niet.

Voor ex-wethouder Ollongren plotsklaps achter de inmiddels overleden burgemeester Van der Laan ging aanlopen en de eigen D66-visie op de dynamiek van de stad opgaf, was spreiding van het toerisme een van de antwoorden op de overbelasting van enkele hotspots in de binnenstad. Amsterdam aan Zee, Amsterdam Castle Muiderslot, de feitelijk Amsterdamse ‘Buitens’ aan de Vecht en dichter bij huis de Dappermarkt en de creatieve noordelijke IJ-oever. In dat rijtje had ook heel goed vijftig jaar Bijlmermeer kunnen passen.

Bijlmerverslaggever Patrick Meershoek – van alweer Het Parool – deed daarvoor een klein jaar geleden al een paar mooie voorstellen. Hij zag onder meer een fraai aangeklede themametro voor zich die belangstellenden naar een museumpaviljoen bij station Kraaiennest zou brengen. Een tijdelijk museum over de idealen, de architectuur en de roemruchte geschiedenis van het stadsdeel als startpunt voor excursies en wandelingen. Het is er allemaal niet van gekomen. We moeten het nu doen met een meditatie-uur, een buurttalentenjacht, kinderkunst en het hoogtepunt: The Passion met afterparty.

Geen Uitmarkt in de Bijlmer

Ik denk niet dat we ons overdreven voorstellingen moeten maken van de aantallen toeristen dat voor welk van deze activiteiten dan ook naar de Bijlmer zullen afreizen. Binnenstadbewoners die het verlichte kruis van Jezus komen helpen tillen, zullen er ook niet al te veel zijn. Mogelijk levert The Passion nog wel mooie confrontaties op van Biblebelt-bewoners met hun geloofsgenoten in de voormalige no-go-area. Dat laatste zou een lichtpuntje kunnen zijn, maar voor het overige: gemiste kans.

Daarvan hebben we er nog een. Wethouder Simone Kukenheim van – ik kan het ook niet helpen, alweer D66 – komt ondanks harde toezeggingen terug op het besluit om de Uitmarkt, opening van het cultureel seizoen, in de Bijlmer te laten plaatsvinden. Naar verluidt hadden de culturele instellingen weinig trek om al te ver van hun thuisbasis in de binnenstad het nieuwe aanbod te presenteren. Nu geloof ik niet zo in dit type cultuurspreiding, maar het was wel beloofd.

Het zal dus nog wel even gaan over Airbnb, wafelwinkels en het toeristenkaasverbod. Hopelijk krijgen we daarna een college dat echt werk maakt van een stad die meegroeit met de bewoners- en bezoekersaantallen. Een stad die de kleine vijfentachtigduizend inwoners van Zuidoost werkelijk bij Amsterdam laat horen. Als discipel Don Ceder een zetel in de gemeenteraad weet te bemachtigen, dan heeft het stadsdeel er in ieder geval een pleitbezorger bij in de Stopera aan het Waterlooplein.

Bas van Horn

Deze column werd eerder geplaatst op romagazine.nl 15 maart 2018

Nuttige idioten

Vanaf volgende maand rijdt er voor het eerst een vrachttrein direct van Amsterdam naar China. De reis gaat dwars door Duitsland, Polen, Wit-Rusland, Rusland en Kazachstan, helemaal naar de industriestad Yiwu in het oosten van China. Auto-onderdelen, wijn, bier en groenten gaan naar het Oosten, China brengt voornamelijk elektronica van daar naar hier.

Dat klinkt spectaculairder dan het is, want Nunner Logistics, dat de trein laat rijden, gaf zelf al aan dat het alleen de eerste paar keer om een rechtstreekse trein gaat. Daarna zal de verbinding bestaan uit losse wagons die een paar keer per week naar Duitsland worden gereden om daar aangekoppeld te worden op treinen naar China. Eerder al kwam een vergelijkbare verbinding tot stand tussen Rotterdam en China. Neemt niet weg dat de ‘Nieuwe Zijderoute’ van de Chinese leider Xi Jinping hiermee ook voor ons geen abstract idee meer is, maar een concreet gegeven in het spoorboekje.

Nieuwe Zijderoute

De Nieuwe Zijderoute, verwijst naar de oude karavaanverbindingen tussen China en het Westen, maar heet officieel eigenlijk: ‘Een Gordel, Een Weg’. In de praktijk gaat het om twee routes. Een zeeroute die van China, via Indonesië, Maleisië en Afrika, uitkomt in het Griekse Piraeus, de havenstad die door de Chinezen uit de failliete Griekse boedel werd gekocht. De landroute volgt globaal het treintraject dat hierboven werd beschreven. Beide routes samen worden ondersteund en aangevuld met wegen, pijplijnen en dataverbindingen.

De Nieuwe Zijderoute moet ervoor zorgen dat China grondstoffen en producten kan aanvoeren, maar vooral dat China zijn overproductie kwijt kan in de wereld. Dat is essentieel om de economische groei op stoom te houden en uitzicht op welvaart voor de resterende arme Chinezen levend te houden.

Vanuit ons perspectief wordt daar vaak wat grimmiger naar gekeken. Dan zijn de Chinezen op rooftocht, hongerig naar grondstoffen, markten, behoud van de macht voor de communistische partij en wereldheerschappij. Daarbij trekken ze Afrika leeg, dumpen hun spullen in Europa en Amerika, intimideren de buren rond de Zuid-Chinese Zee en werpen zich op als nieuwe wereldleider. Nee, daar wil de Rijksuniversiteit Groningen geen filiaal. Met onze kennis moeten we niet de ‘nuttige idioten’[1] in de berm van de Nieuwe Zijderoute worden.

Globale connectiviteit

Dat kan allemaal waar zijn, maar ondertussen betalen de Chinezen hun grondstoffen wel met de aanleg van havens, spoorlijnen en wegen. Met die infra is Afrika meer geholpen dan met een halve eeuw Westerse hulp via Wereldbank en ontwikkelingshulp.

Oost-Europa wordt, dankzij nieuwe spoorverbindingen, een belangrijke schakel tussen Azië en West-Europa. Nu er voldoende retourvracht is, lijken ook de havens van Rotterdam en Amsterdam niet slechter te worden van de nieuwe connecties met het Oosten. En omdat de Chinese planeconomie stevig inzet op duurzaamheid, komen de betaalbare zonnepanelen voor onze energietransitie inmiddels uit China. Wat is erop tegen hun belang te dienen als we er zelf ook beter van worden?

Dit is niet helemaal het verhaal van de populaire geopolitiek strateeg Parag Khanna, die onlangs in Trouw, De Volkskrant en eerder in De Groene Amsterdammer aan het woord kwam, maar het sluit er wel op aan. Volgens Khanna doen nationalistische onrust en nieuw isolationisme niets af aan de brede onderliggende ontwikkeling naar globale connectiviteit. Globalisering die niet komt vanuit staten en verdragen, maar vanuit fysieke en digitale verbinding van met name de grote megasteden, multinationals, footlose maatschappelijke organisaties en politieke groeperingen over de hele wereld. Die verbindingen scheppen een nieuwe realiteit die je niet terugziet in de bestaande atlas met zijn landen en grenzen Het is de realiteit van de oplichtende lijnen en knooppunten op de cover van zijn bekendste boek: Connectography.

Dit vuistdikke boek gaat over heel veel aspecten van die connectiviteit. Over verbinding versus stammenstrijd, historische vergelijkingen, de rol van megasteden en het milieu. Het gaat maar een heel klein beetje over Europa. Dat komt omdat we er op wereldschaal minder toe doen. Dat is geen slecht nieuws, want we staan er beter voor dan we denken, meent Khanna.

Geen ‘gekke Henkie’

Het sprookje van de politieke Europese eenwording is uit, migratieproblemen zijn here to stay en de Britten zetten zichzelf buitenspel. Toch zijn onze Europese worstelingen niet existentieel bedreigend, meent Khanna. Europa is en blijft een voorbeeld vanwege de vrede, de nog altijd grote en krachtige interne markt, relatief goed toegeruste verzorgingsstaten, sociale gelijkheid, robuuste infrastructuren en veilige openbare ruimte.

We hoeven ook niet bang te zijn dat er na het Britse wereldrijk met zijn Pax Brittanica en de naoorlogse Pax Americana nu een Pax Sinica aan zit te komen. Volgens Khanna niet omdat we ons met z’n allen tegen de Chinese invloed zullen keren, maar omdat er te veel spelers zijn en te veel dynamiek is om de wereld vanuit één machtscentrum te beheersen. Wie zichzelf in het knooppunt van verbindingen weet te plaatsen, is wel onmiskenbaar in het voordeel. Daar werken de Chinezen dan ook hard aan.

Het betekent niet dat de rol van nationale regeringen is uitgespeeld. Ook in de nabije toekomst zullen ze het verhaal van hun land blijven schrijven met wetten en beleid, al dan niet in samenspraak met de politieke en militaire allianties waarvan ze deel uitmaken. Nationale regeringen en instellingen zullen hun positie ten opzichte van China blijven bepalen.

Het is daarom begrijpelijk dat de Rijksuniversiteit Groningen bij nader inzien toch liever afziet van een filiaal in Yantai. Onder meer omdat Chinese politieke invloed op de vestiging – waar je na afstuderen een RUG-diploma zou krijgen – niet uitgesloten kon worden. Wel fijn dat er zonder veel discussie treinen vol spullen op en neer naar China kunnen rijden en dat er op onze ministeries en kennisinstellingen ruimte is om na te denken over het faciliteren van fysieke en digitale connectiviteit. Ook met China. We zijn geen ‘gekke Henkie’, maar als het zo uitkomt graag een ‘nuttige idioot’. Dat past wel bij ons.

Bas van Horn

[1] Aan W.I. Lenin toegeschreven uitspraak over naïeve Westerse idealisten die hij goed kon gebruiken bij het vestigen van de Bolsjewistische macht.

Deze blog werd op 9 februari 2018 geplaatst op romagazine.nl

Stadskabouters en de vrije markt

Onder stadmakers zijn volgens emeritus-hoogleraar Friso de Zeeuw nogal wat ‘stadskabouters’ en transitiedenkers noemt hij ‘transitieprofeten’. In het wereldje van duurzame stedebouwers en -gebiedsontwikkelaars had men misschien gehoopt dat De Zeeuw zijn pen aan de wilgen zou hangen, maar dat doet hij niet. En dan heeft hij ook nog vaak gelijk. Zo ook in zijn kritiek op de te pas en te onpas gebruikte termen circulaire economie en circulaire gebiedsontwikkeling. Vooral als ze gebruikt worden door lieden die via de circulariteit een totale maatschappelijke omwenteling voorstaan.

De Zeeuw is niet tegen het idee van circulariteit. Hij meent alleen dat er sinds het eerste Nationaal Milieubeleidsplan uit 1989 niets nieuws onder de zon is. Recycling, de kringloopgedachte, Cradle to Cradle en als voortzetting van die traditie nu dus de circulaire economie. Niks mis mee, maar ook niet wezenlijk nieuw. Wel is hij sceptisch over de toepasbaarheid van het circulaire gedachtegoed als het gaat om gebiedsontwikkeling. Afgezien van min of meer gesloten utopische gemeenschapjes heeft de circulaire gedachte voor gebiedsontwikkeling (nog) niet zoveel te betekenen. Maar wat niet is kan nog komen, experimenteer vooral verder.

Echt pissig krijg je de oude rot met verhalen waarin de transitie naar circulariteit het vehikel is voor de overgang naar een andere maatschappijordening. Bijvoorbeeld een waarin we gaan ‘van een competitieve samenleving naar een coöperatieve samenleving’, zoals Cees-Jan Pen volgens De Zeeuw in een schoolboek voor Fontys Hogeschool bepleit. Die pissigheid van De Zeeuw lijkt me een nuttige trap op de rem. Want waar ging het ook alweer om bij duurzame economie en -gebiedsontwikkeling? Keren van de klimaatverandering, behoud van een gezond milieu, voorkomen van grondstoffenschaarste en voorzieningszekerheid (voedsel en energie) in ‘onstabiele tijden’.

Meer werk, scholing en milieuzorg zijn onderdeel van economische groei

Omschakelen van fossiele- naar duurzame energie lijkt onontkoombaar om klimaatrampen te voorkomen. Daar wordt aan gewerkt. Het kan je niet snel genoeg gaan, maar meer collectief georiënteerde landen hebben hier geen betere trackrecord dan landen met een competitieve traditie. Nu is communistisch China de coöperatieve utopie van Pen niet, maar het maakt wel huiverig voor collectivistische dromerijen.

Door concurrentie rijk geworden landen slagen erin om met hun middelen en innovatief vermogen welvaart en milieudruk in belangrijke mate te ontkoppelen. Wie meent dat het voor het milieu ook allemaal wel wat minder kan, moet beseffen dat meer werk, scholing en milieuzorg onderdeel zijn van economische groei.

Uitputting van grondstoffen is niet aan de orde, wel is er soms sprake van grondstoffenschaarste. Ons vorige kabinet noteerde: ‘De uitdaging om grondstoffen op de juiste tijd en plaats voorhanden te hebben, is vooral een combinatie van politieke, financiële, technologische, milieu- en sociale factoren, die zich doorgaans manifesteren als vormen van schaarste.’

Dat gaat over politiek gemarchandeer met schaars drinkwater, speculanten die tegenvallende oogsten misbruiken en graan of rijst onbetaalbaar maken. Over gekwetste Russen die hun olie- en gasvoorraden strategisch inzetten en over zelfbewuste Chinezen die metalen monopoliseren die wij zo hard nodig hebben voor onze computers en de accu’s van onze elektrische auto’s.

Friedman, profeet van het neoliberalisme

Sinds de meest ‘onstabiele tijden’ die we ooit gekend hebben, de Tweede Wereldoorlog, was het antwoord op dergelijke machinaties: vervlechting. Een vrije wereldeconomie, waar steeds meer landen deel van gingen uitmaken. Dat zou de deelnemers tot voordeel strekken en de onderlinge afhankelijkheden versterken. Door die globale vervlechting werd het belang van de een het belang van de ander en kwam er nooit meer oorlog.

Nooit is dat principe aansprekender aan de man gebracht dan door de econoom Milton Friedman in een video TED-talk avant la lettre van nog geen drie minuten: The Pencil (zie YouTube). Een clip uit zijn televisieserie Free to Choose gemaakt in 1980. Een fraai stukje Westerse propaganda uit de tijd dat de Sovjet-Unie nog bestond. Het markeerde de start van de Reaganrevolutie en de opkomst van het neoliberalisme.

Aan de hand van een eenvoudig potlood met een gummetje toont Friedman het mysterie van de ‘onzichtbare hand’ die de vrije markt stuurt tot heil van iedereen. Het potlood, ‘een prachtproduct dat geen mens in zijn eentje maken kan’, maar dat toch voor een paar dubbeltjes overal te krijgen is. Schrijfwaar van hout uit de staat Washington, grafiet uit Zuid-Amerika, een gommetje uit Maleisië en dan van weer elders nog een messing stripje, lijm, verf voor de opdruklettertjes.

Duizenden mensen werkten – zonder het te weten – samen. Mensen die elkaars taal niet spreken, elkaar niet kennen, elkaar misschien wel zouden haten als ze wisten dat ze van verschillende volken en religies waren. En dan komt het anticommunisme van destijds om de hoek kijken: ‘Daar is geen ‘commissaris’ aan te pas gekomen om het te organiseren. Het was de magie van het prijsmechanisme!’

In Friedmans ogen is de vrije markt niet alleen de meest efficiënte productiewijze, maar nog goed voor harmonie en wereldvrede ook. Dat laatste bleek een stukje genuanceerder te liggen. Ook na WOII en de val van het communisme waren mensen toch weer bereid om religie, ideologie en identiteit boven welvaart en vrede te stellen.

Neemt niet weg dat er de afgelopen zeventig jaar veel vooruitgang is geboekt. Minder oorlog en geweld, minder armoede, meer gezondheid, meer onderwijs. Een positieve balans, ook als je de enorme ongelijkheid, de macht van de multinationals, het gekapte regenwoud en de ‘roof’ van grondstoffen meeweegt.

Economische groei is hard nodig om de energietransitie te bekostigen

Voor die vervlechting van belangen komen we niet meer op, zoals we tot voor kort nog deden met bijvoorbeeld de gasrotonde. We willen van het gas af. Ook om ‘onafhankelijk’ te zijn van de Russen. Sommigen willen zelfs autarkie: knollen uit eigen tuin, stroom van eigen molen.  Willen we soms ook af van de vrije wereldmarkt? Want hoe verbind je de lange productieketens – waarvan het potlood van Friedman nog maar een piepklein voorbeeld is – voor een werkelijk circulaire economie?

Ik denk niet dat we de ‘commissarissen’ van Friedman terug willen in de vorm van circulaire comités die bepalen wat, waar, wanneer en hoe geproduceerd moet worden. Dat betekent dus gewoon gestaag – en waar mogelijk versneld – de duurzaamheidsontwikkeling van de laatste decennia voortzetten.

Economische groei is daarbij hard nodig om de energietransitie te bekostigen, om ons te wapenen tegen de klimaatverandering die onvermijdelijk komt, om koploper te blijven in hoogtechnologische voedselproductie voor straks elf miljard mensen, om ons land leefbaar en vitaal te houden voor nu en later. Daar kunnen we ‘stadskabouters’ goed bij missen. En dan ben ik weer terug bij Friso de Zeeuw.

Bas van Horn

Dit artikel werd op 25-1-2018 geplaatst op de site van ROmagazine.nl