Wat willen we van de nieuwe Rijksbouwmeester?

Nog even en we krijgen weer een nieuwe Rijksbouwmeester. Toonaangevende architecten met hart voor de publieke zaak konden tot twintig april hun sollicitatiebrief inleveren. Willen we weer een idealist die zijn eigen koers vaart zoals Floris Alkemade? En wat gebeurt er met de nalatenschap van de oude bouwmeester als een nieuwe zijn piketpalen gaat slaan? Wat met de piepschuimen huisjes voor vluchtelingen, de toekomst van ons platteland en de nieuwe combinaties van wonen en zorg? Hoe verder met het Panorama Nederland?

Alkemade zit er niet mee, blijkt uit een oud interview in Kei, het blad van het Rijksvastgoedbedrijf. ‘Om de drie tot vijf jaar wisselen is nuttig. Zo kun je steeds een andere focus aanbrengen. Dat houdt de dynamiek erin.’ En het houdt de vrijblijvendheid erin, denk ik daar dan bij. Het is de vraag of we dat wel moeten willen.

Onder Lodewijk Napoleon kon de staat wel wat bevestiging gebruiken in de vorm van gezaghebbende, herkenbare overheidsgebouwen. Jean Thomas Thibault werd daarom in 1806 benoemd tot ‘architect des konings’, een ambt dat later Rijksbouwmeester ging heten. Een functie met een helder doel en een duidelijke taak.

Inmiddels huist de Rijksbouwmeester bij het Rijksvastgoedbedrijf. Op de eigen website maakt het RVB een lang verhaal kort: ‘Na 1957 veranderde de taak van zelf ontwerpen naar adviseur van de rijksoverheid bij concrete bouwprojecten en maatschappelijke discussies op het vakgebied.’ De laatste twintig jaar is de rol verder verbreed tot adviseur van de regering en wel tot: ‘het gebied van stedenbouw, monumenten, architectuur, infrastructuur, architectuurbeleid en beeldende kunst.’

‘Moeten we de Rijksbouwmeester niet als gewone adviesraad gaan behandelen, met een toetsbare taak, verantwoording en overdracht naar zijn opvolger’

Alkemade heeft de brede rolopvatting voor de Rijksbouwmeester dus niet zelf uitgevonden, maar wel ten volle benut. ‘Ik koester mijn onafhankelijkheid. Los van politieke belangen of beleid kan ik een eigen koers varen. Dat zie ik als mijn opdracht, om vanuit die status aparte te observeren en acteren’, stelde hij in Kei.

En dat is natuurlijk wel een beetje raar. Want de onafhankelijke positie van de Rijksbouwmeester als adviseur van de regering en het Rijksvastgoedbedrijf is weliswaar geborgd, maar dat is nog wat anders dan het voeren van een eigen en vooral sociale agenda los van de opdracht die de regering de bouwende ministeries en het Rijksvastgoedbedrijf meegeeft.

Het kabinet laat zich door allerlei clubs adviseren. Planbureaus doen verkenningen en maken analyses en prognoses. Ze doen dat met een zekere vrijheid van aanpak, maar binnen heldere kaders. De organisaties voor toegepast onderzoek – verenigd in de TO2-federatie – krijgen een basisfinanciering voor het onderhouden van hun kennisbasis en leveren contractonderzoek voor overheden en private partijen. De Rijksbouwmeester met zijn College van rijksadviseurs (Cra) lijkt nog het meest op een adviesraad.

Neem bijvoorbeeld de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli). Deze adviesraad geeft gevraagd en ongevraagd advies. De Raad doet dat op basis van een werkprogramma, vastgesteld door maar liefst vier ministers, en legt verantwoording af in een jaarverslag. De Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) krijgt gericht opdrachten van ministeries en de Eerste en Tweede Kamer. Dit soort Raden maakt periodiek evaluatieverslagen volgens de regels uit de Kaderwet adviescolleges. Dat lijkt me toch iets anders dan een Rijksbouwmeester die zijn hart volgt en vanuit zijn status aparte observeert en acteert.

Ligt het niet voor de hand om de Rijksbouwmeester, zijn Atelier Rijksbouwmeester en het College van Rijksadviseurs te gaan behandelen als een adviesraad? Eentje met een toetsbare taak, verantwoording en overdracht naar zijn opvolger? En moeten we daar dan niet ook een Rijksbouwmeester bij zoeken die zich bepaalt tot architectuur, inpassing, duurzaamheid en behoud van Rijksvastgoed en -infrastructuur? Lijkt mij van wel.

Deze column werd op 29 april 2020 gepubliceerd bij romagazine.nl 

Bij het verscheiden van dagblad Metro

Eenentwintig jaar na de introductie in Nederland, komt een einde aan Metro, het gratis dagblad uitgeserveerd op de grotere treinstations. Van het begin herinner ik me vooral een paar eigenaardige details.

In de betaalde kranten viel onlangs al te lezen dat de Nederlandse editie een initiatief was van Bart Lubbers, Tiago Jurgens en Falk Madeja. Dat deze drie al direct bij de start gedoe kregen over de verdeling van de aandelen met moederconcern Metro International in Zweden, is ondertussen naar de achtergrond verschoven. Toch raakte ik juist daardoor even bij Metro betrokken.

Metro International in Zweden wilde weer grip krijgen op de Nederlandse editie. Daartoe werd achter de rug van Lubbers cum suis een redactie gerekruteerd die de zaak kon overnemen, zodra het driemanschap buitenspel zou zijn gezet. Een Zweedse freelance correspondente in Amsterdam werd recruiter voor de Zweden en omdat we kantoorruimte deelden vroeg ze mij te helpen.

Ik denk niet dat ik veel heb kunnen betekenen, anders had ik het nog wel geweten. Ik herinner me wel dat ik op de academie Sint Joost een striptekenaar ontdekte, die al enkele jaargangen van een dagstrip had liggen. Hij heeft er jaren mee in Metro gestaan.

Verder weet ik nog dat Metro International een vooruitgeschoven post op de Amsterdamse Overtoom betrok. Een voormalig bordeel met veel marmer, spiegels en een bokszak aan het plafond. Die bokszak werd regelmatig bewerkt door een Aziatisch-Zweedse jongeman die de rest van de dag met een headset op – toen al! – liep te telefoneren met Metro-edities in de hele wereld. Ik denk dat ook de nieuwe redactie in het bordeel gedacht was.

Kort daarna, althans zo staat het mij bij, werd Jan Dijkgraaf hoofdredacteur. Hij liet mij een blauwe maandag columns schrijven voor zijn columnistenpool, maar vond dat ik er niet tussen hoorde. Ik moest het maar bij De Groene Amsterdammer proberen. Daar had hij achteraf gezien gelijk in. Hij kon alleen niet weten dat ik daar al eens was afgewezen met een reden die ik in het woordenboek had moeten opzoeken. Martin van Amerongen schreef mij toen dat ik toch niet kon verwachten dat hij een boutade zoals ik had aangeboden, zou afdrukken.

Zodra Jan Dijkgraaf doorkreeg dat ik helemaal geen belangrijke contacten bij Metro International had, bedankte hij ogenblikkelijk voor mijn diensten. Ik kon toen niet bevroeden dat Jan ooit nog een machtige volksbeweging zou leiden.

Virus en omkering

Bolsonaro en Trump willen wel heel vroeg stoppen, maar ook bij ons komt er een moment dat we een punt zetten achter de coronacrisis. Niet per se omdat het virus overwonnen is, maar omdat ook wij ons geen eindeloze lockdown kunnen veroorloven. Wordt alles dan weer als voorheen? Waarschijnlijk niet.

In Amerika heeft corona zijn plek in de maatschappelijke tweedeling al gevonden. COVID-19 is het probleem van de grote stad en de Democraten die er leven. De Republikeinen op het platteland hebben nergens last van. Of toch in ieder geval minder dan de New Yorkers.

Bij ons is corona nog niet op die manier ingedeeld in de cultuurstrijd tussen stad en platteland. Hier kiezen de volkse rechtse partijen – populair buiten de grote steden – voor harde, duidelijke maatregelen van een strenge overheid tegenover de genuanceerde, wetenschappelijke aanpak van de regering. Sinds er een bijna-lockdown van kracht is, luwt de kritiek van rechts. Die ontwikkeling is fijn voor het draagvlak en de effectiviteit van overheidsmaatregelen, maar kan op termijn een fase blijken in een omkering van posities.

Ons geld wordt verdiend in de grote steden en ook vernieuwing in kunst en cultuur komt uit de stad. Wageningen, de TU Twente en Veldhoven leveren innovatie in wetenschap en techniek, maar verder is het toch ook hier de grote stad die het beeld bepaalt. Daarom willen we er wonen en leven we dicht op elkaar. Dat geeft draagvlak voor algemene en heel unieke voorzieningen. Van de Noord-Zuidlijn tot de winkel met een reusachtig aanbod van verschillende notenpasta’s en pindakazen, om het maar eens hoofdstedelijk in te vullen. De stad is mateloos populair. Verdichting zwengelt dat proces nog eens aan.

Verdichting heeft te veel voordelen om er straks niet mee door te gaan. Het krijgt wel met nieuwe uitdagingen te maken. Er zijn al vragen over milieu en klimaat in de verdichte stad. Hoe houden we ruimte voor groen en water tegen fijnstof en hittestress? Hoe organiseren we een energie-neutrale stad? Daar komen met het virusdrama nog eens nieuwe gezondheidsvragen bij. Want draagvlak voor fysieke voorzieningen is draagvlak voor besmetting.

Naast aandacht voor nieuwe issues bij ruimtelijk ontwerpers, komen veel antwoorden van slimme technologie. Duurzame energieoplossingen vragen om constante monitoring van vraag en aanbod tot in de meterkast van de woning. Zo zijn er veel ‘slimme’ oplossingen die data uit de persoonlijke levenssfeer vragen. En daar komt straks slimme screening van de gezondheid bij.

Bij ons groeit ondertussen de waardering voor de effectiviteit van moderne autoritaire (stad)staten. Of het nu gaat om de economie, het klimaat en milieu of de bestrijding van een gezondheidscrisis zoals we die nu beleven. De toekomst is aan de verdichte stad en de concurrentie is mondiaal. Om mee te blijven doen, gaan we steeds een beetje meer meebuigen richting Zuid-Korea en Singapore. De jonge, hoger opgeleide kenniswerkers – links-liberaal en groen – zullen er het minste moeite mee hebben. Ze hebben ‘niets te verbergen’ en zijn gezond.

De lager opgeleiden, de ouderen en de plattelanders hebben niks te winnen bij een ‘slimme’ overheid die precies bijhoudt waar ze zijn en hoe het met ze is. Op het plattelandserf, maar ook in de laagbouwbuitenwijken bemoeit men zich met eigen zaken. Dat geeft ook geen problemen, want er is meer ruimte per persoon. Rechts zal van de weeromstuit met zijn kiezers meegaan van sterke overheid naar libertair en wantrouwend jegens de overheid. Eigenlijk zoals dat in Amerika nu al is.

Hamsteren als frame

Hamsteren heeft al heel lang een slechte naam. Voor de nu nog levende generaties gaat dat in ieder geval terug tot de Tweede Wereldoorlog. Hamsteren roept associaties op met oorlogswoeker en zwarte handel, met egoïsme en een gebrek aan verantwoordelijk burgerschap. In de huidige coronacrisis komen daar gekte en redeloosheid bij. De gekte van de run op uitgerekend het toiletpapier en redeloosheid omdat er van schaarste eigenlijk geen sprake is. Toch is er ook best wat te zeggen voor hamsteren.

Sinds enkele decennia kiezen achtereenvolgende kabinetten voor een terugtredende overheid. Uit bezuinigingsoverwegingen bij een ‘uit de hand gelopen’ verzorgingsstaat, maar ook uit zorg over een gepamperde bevolking die zou hospitaliseren door al onze prachtige welvaarts-arrangementen. Het zou goed zijn de verantwoordelijkheid voor het eigen leven weer meer terug te leggen bij de mensen zelf. Om de democratie te vitaliseren en om het bewustzijn op gang te brengen dat de overheid geen garanties biedt tegen alle tegenslagen in het leven.

Zo bezien is hamsteren vooral een negatief frame uit een oude context en zijn hamsteraars misschien wel voorbeeldige burgers die er alles aan doen om niet afhankelijk te worden en zichzelf en hun naasten zo goed mogelijk door de crisis te helpen. Lompheid en onbeschoft gedrag daargelaten, want die zijn altijd vervelend, ook als het geen crisis is.

In plaats van lof krijgen de hamsteraars ondertussen het verwijt anderen te benadelen door schaarste te creëren, terwijl hen tegelijkertijd wordt voorgehouden dat er helemaal geen schaarste is. Eigenlijk is er nu soms slechts sprake van frictie-schaarste, we kopen de schappen sneller leeg dan ze bijgevuld kunnen worden. Dat is naar voor de minder weerbare consumenten zoals ouderen en zuur voor de werkers in de vitale sectoren die na een lange dag misgrijpen in de supermarkt.

Voor beide groepen zijn inmiddels oplossingen gevonden. De ouderen krijgen een eigen uurtje in de winkel en zorgwerkers kunnen hun boodschappenlijstje inleveren waarmee ze een met voorrang gevuld mandje kunnen ophalen. Toch voelt het niet lekker. Het recht van de sterkste aangevuld met kunst- en vliegwerk voor de mensen met minder puntige ellebogen.

Ondertussen heeft een deel van de bevolking op deze manier wel een meer of minder doordacht voorraadje op zolder en wordt de hamsterwoede afgeremd door de steeds opnieuw gevulde winkels. Mocht de frictie-schaarste toch kantelen naar structurele schaarste, dan kan de overheid zich volledig richten op de zwakkeren en de mensen die altijd zijn blijven geloven in de overheid die voor de mensen zorgt.

Groundhog Day

Er was eens een ministerie van VROM. Daar deden ze aan Wonen, Ruimte en Milieu. Dat was meteen ook het probleem. Wonen wilde bouwen waar mensen willen wonen. Ruimte wilde bouwen waar mensen zouden moeten willen wonen. Milieu gooide roet in het eten van eenieder die een schop in de grond wilde steken. De Tweede Kamer wil dat ministerie terug.

Rijksplanologie was al een tijdje afgeschaft. We deden niet meer aan blauwdrukken van bovenaf. Verantwoordelijkheden werden ‘zo dicht mogelijk bij de mensen’ gelegd. Decentralisatie was democratisch en – als je het goed zou doen – ook nog goedkoper. Bij VROM vroegen ze zich af waartoe ze nog op aarde waren als alles toch decentraal werd geregeld. De directeuren-generaal van het ministerie bevochten elkaar niet zozeer, maar negeerden hun collega’s waar het kon en regelden de eigen zaken.

De secretaris-generaal die geacht werd VROM bij elkaar te houden kreeg ondersteuning van een eigen strategieclubje. Ik mocht er ook bij. We brachten de schurende belangen en controversiële thema’s binnen het departement op tafel. Maar voor te zeggen viel of het hielp, werd VROM verdeeld over Verkeer en Waterstaat en Binnenlandse Zaken. De VROM’ers raakten verstrooid en nog een beetje meer verweesd.

Nog even en die Omgevingswet is er, maar daar kan de Tweede Kamer niet op wachten

Ondertussen was het crisis en gebeurde er sowieso weinig in de fysieke leefomgeving. Maar ook daar zou ooit een einde aan komen – en dan moest het niet zo zijn dat bestuurlijke spaghetti en regelneverij voortvarend bouwen in de weg gingen staan. De Crisis- en Herstelwet was het tijdelijk breekijzer en de Omgevingswet zou alles definitief makkelijker en mooier maken.

Nog even en die Omgevingswet is er, maar daar kan de Tweede Kamer niet op wachten. Het moet nu anders, beter en sneller. Wie ‘doorzettingsmacht’ zegt is af, maar een Deltaplan bouwen, grote aangewezen locaties en een minister die er bovenop zit, moeten er snel komen.

Bij het nieuwe VROM gaan sommigen nog meer bouwlocaties in en rond de stad bij elkaar sprokkelen. Anderen storten zich op Almere Pampus en weilandlocaties. Weer anderen claimen ruimte voor windmolens en zonneparken. Daarnaast zijn er stikstof, PFAS en Natura 2000-kwesties te tackelen. Vanwege de afspraken van Parijs en Frans Timmermans moet het nieuwe bouwen bovendien duurzaam, energieneutraal en circulair. Ondertussen is iedereen op zoek naar eenvoudig te openen blikken bouwvakkers en bouwmaterialen. Waar ook nog iemand naar moet kijken: de businesscase voor bouwers.

De secretaris-generaal van VROM bedenkt dat de minister het beste gediend is als er, naast de experts op al die terreinen, ook nog een strategieclubje komt om de schurende belangen binnen het ministerie van Wonen, Ruimte en Milieu op een lijn te brengen. De bosmarmot (Groundhog) heeft gesproken. Het is opnieuw voorjaar 2008.[1]

Bas van Horn


[1] In de Verenigde Staten en Canada wordt op twee februari een folkloristisch feestje gevierd. De bosmarmot (groundhog) komt uit zijn winterslaap en verlaat zijn hol. De feestgangers kijken toe of de marmot omkeert en zijn hol weer ingaat (nog zes weken winter) dan wel buiten blijft (het is lente!). In de komische film Groundhog Day raakt een lokale reporter, gespeeld door Bill Murray, in een tijdloop. Hij is gedoemd dezelfde Groundhog Day steeds opnieuw te beleven.

Deze column verscheen op 10 maart 2020 bij romagazine.nl

lelijke plekken blaken van levenslust

Voor iets dat zo subjectief is als mooi en lelijk, zijn we het opvallend vaak eens als het om de gebouwde omgeving gaat. Het boek ‘Treurtrips’ van Mark van Wonderen en Yolanda Huntelaar, een reisgids voor de lelijkste plekken van Nederland, is dan ook een feest van herkenning. Het werd uitvoerig gerecenseerd. Zo ook door Wim Derksen op Gebiedsontwikkeling.nu. De bestuurskundige prijst de plaatjes en vult aan met een analyse. Volgens hem is de lelijkheid geworteld in inherente onherbergzaamheid en onveiligheid. Maar dat gaat niet over de functionaliteit van al dat lelijks, dus voeg ik nog graag iets toe.

Vijf soorten lelijke plekken

Derksen onderscheidt vijf soorten lelijke plekken en constateert dat ze opvallend vaak uit de jaren ‘60, ‘70 en ‘80 van de vorige eeuw stammen. Ik loop ze langs in mijn eigen volgorde. Om te beginnen: de overdekte wijkwinkelcentra.

Ondanks het Nederlandse klimaat blijkt dit concept op veel plaatsen niet te werken. Derksen meent dat je dat had kunnen weten, als goed gekeken was naar wat binnensteden aantrekkelijk maakt. Dat lijkt me wijsheid achteraf en te weinig oog voor de gevolgen van een zuinige middenstandersmentaliteit. Die mentaliteit voorkwam op veel plaatsen dat onderling goede afspraken werden gemaakt over behoud van een fraai straatbeeld, de openbare ruimte of een dekkend geheel van luifels waaronder het publiek droog en toch bij daglicht zou kunnen winkelen. Nee, dan was en is het veiliger om te klagen over de beleggers en vastgoedeigenaren, die vanaf de jaren zeventig in dat gat zijn gesprongen met winkelcentra waar de huurders het vel over de oren zou worden getrokken.

De winkelcentra zijn ook deel van een tweede categorie lelijke plekken die Derksen onderscheidt: de bedachte gebieden. Omgevingen waar het gebruik volledig en vaak eendimensionaal is voorgeprogrammeerd. In de winkelcentra door ontwikkelaars die de mens eenzijdig als klant en consument benaderen, in de New Towns door overheden en planologen die voor bewoners en gebruikers bedachten hoe er geleefd en gewerkt moest worden.

Ook hier geldt dat verwijten aan de initiatiefnemers voor een deel wel heel makkelijk zijn, want nieuwe stedelijke gebieden hebben nu eenmaal per definitie niet de kwaliteit van organisch gegroeide gebieden die hun multifunctionaliteit langzaam verwerven. Het is wel een waarschuwing aan het adres van de pleitbezorgers van bijvoorbeeld de Smart Cities, die opnieuw voor een eenzijdige kijk op de toekomst van de stad lijken te gaan.

‘Ondanks het Nederlandse klimaat blijkt het concept van overdekte wijkwinkelcentra op veel plaatsen niet te werken.’

En dan de perifere gebieden met hun ‘wonderschone lelijke plekken’. Vaak is het perspectief hier ver te zoeken, maar anderzijds legt de vastgoedmarkt de lat er dermate laag dat ondernemers toch steeds opnieuw initiatieven nemen. Ik bezocht afgelopen zomer Bad-Nieuweschans in Noord Groningen dat zelfs zover ging de plaatsnaam te wijzigen nadat een kunstmatige, zoute warmwaterbron was geboord om een kuuroord te kunnen worden. Menig ondernemer sprong op de kar van het wellness-wezen en is er ondertussen alweer afgevallen, met alle leegstand en lelijkheid van dien.

Pogingen om van de periferie naar het centrum op de schuiven door de eigen omgeving in het middelpunt van een euregionale stedendriehoek of andere geometrische figuur te plaatsen, bieden soms nieuwe samenwerkingsverbanden. Maar vaker werkt het net zomin als het plaatsen van een naald die, met wat creatief landmeterswerk, het middelpunt van Europa precies in de eigen kern plaatst.

Kansrijker zijn de voormalige industriële gebieden die hun erfgoed op goed bereikbare afstand weten van de steden die het goed doen in de postindustriële economie. Het Ruhrgebied gaat er prat op. Hier combineert men roestige oude installaties met natuurlijke nieuwe ruigten en fietspaden op voormalige fabriekssporen. Of neem Zaanstad. Hier tovert menig vastgoedbedrijf of ontwikkelaar op steenworp afstand van Amsterdam eind negentiende-eeuwse graansilo’s, -elevatoren en fabrieken aan de Zaan om tot luxeappartementen, hippe bedrijvigheid en culturele ontmoetingscentra.

Dat geeft hoop voor de veel jongere plekken met modernistische architectuur die nu nog vaak lelijk gevonden worden. Het brutalisme als overtreffende trap van onherbergzame en lelijke betonbouw, werd met Berlijn weer hip. Inmiddels gaan de woningen in een van de laatste nog niet gesloopte modernistische honingraadflats van de Bijlmer als zoete broodjes over de toonbank. Dat is niet per se een eerherstel voor deze architectuur, maar eerder de uitkomst van een sommetje: woonoppervlak keer relatieve afstand tot het dynamisch centrum van de stad keer mode van het moment.

Tenslotte de randen van de stad. Derksen spreekt smalend over de in zijn ogen kennelijk romantische notie van de ‘rafelranden van de stad’. Hij heeft het liever over de lelijke ‘achterkant van de stad’ die tegenover de schoonheid van de binnensteden staat. Hij ziet in de reportage over de metrolijn Hoek van Holland-Nesselande niet het functionele ‘Sopranos-landschap’, zoals journalist Tijs van den Boomen dat in de leader van de maffiaserie aan zich voorbij zag trekken. Derksen ziet louter lelijke onherbergzaamheid.

Dynamiek van functioneel lelijke plekken

En dat is jammer, want daarmee ziet hij niet de dynamiek van bijvoorbeeld het Hamerkwartier in Amsterdam-Noord waar de creatieve industrie is neergestreken en waar je op verschillende plekken goed kunt eten in een industriële ambiance. Een gebied dat zich per plek of pand (her)ontwikkelt met gebruikmaking van oude iconische elementen.

De Flinesstraat in Amsterdam-Duivendrecht, ik blijf maar even bij wat ik ken, is voor Derksen waarschijnlijk al helemaal een brug te ver. Foto’s van vrijwel ieder pand in deze straat hadden niet misstaan tussen de andere treurtips van Van Wonderen en Huntelaar.

Hier bevinden zich een aantal Aziatische groothandels en toko’s, de Makro, een autodealer, leveranciers van kantoorbenodigdheden en horeca-inrichtingen. Hier kun je goedkoop tanken en voor de deur parkeren. Hier doet de horeca – en iedereen met een KvK-nummer – zijn boodschappen en slaat de ondernemingszin je tegemoet. Dat is nog eens wat anders dan de nuffige speciaalzaakjes in de binnenstad, die de gemeente met kunst en vliegwerk en anti-toeristenpolitiek overeind moet houden. Dat is functionele lelijkheid die blaakt van levenslust.

Bas van Horn

Deze column verscheen op 7 februari 2020 bij GO.nu

Terug naar de Akbarstraat

Felix Rottenberg, programmamaker en zelfbenoemd sidewalk superintendant, ging terug naar de Akbarstraat in de Kolenkitbuurt in Amsterdam-West. Een straat in een achterstandsbuurt zoals ze in alle grote steden te vinden zijn. Deze wijk werd bijna twintig jaar terug uitgeroepen tot de ergste in haar soort. Dat was destijds mede aanleiding voor Rottenberg om zich er voor de televisie een tijdje in te graven. Zijn nieuwe documentaire-tweeluik werd onlangs uitgezonden bij de NPO. Het blijkt in de Akbarstraat nog altijd tobben met de integratie. Is klassieke integratie misschien een gepasseerd station? Die vraag werd niet gesteld.

De wederkerigheidstest

Veel was nog hetzelfde in de Akbarstraat. Witte arbeidershuisvrouwen leerden hier in de jaren zeventig op VOS-cursus (vrouwen oriënteren zich op de samenleving) om voor zichzelf op te komen en ‘nee!’ te zeggen. Twintig jaar geleden was het de beurt aan de allochtone vrouwen uit de buurt om in die traditie geschoold te worden. En blijkens de documentaire gaat het nog altijd zo.

Witte mannen toonden bijna een halve eeuw geleden voor het eerst hun gevoelens in de mannenpraatgroep. Twintig jaar geleden mochten ook allochtone mannen gaan huilen. De documentaire laat zien hoe dit gedachtengoed inmiddels langzaam wortel schiet. Alles met respect voor de meer collectivistische culturen uit de landen van herkomst, zonder dat duidelijk wordt waar dat respect dan uit bestaat.

Er wordt nauwelijks geïntegreerd; niet de ene kant op en ook niet andersom

Rottenberg is ook nog altijd dezelfde. In een lange loden mantel met opgeslagen kraag poseert hij als een kruising van Dr. Wibaut en Ing. Lely. Hand aan de kin, vorsende blik. Zijn engagement en empathie zijn veel geprezen, maar bij mij komt zijn optreden niet door de wederkerigheidstest: kun je je voorstellen dat zijn geïnterviewden bij Felix thuis net zo languit op de bank zouden liggen als hij dat bij hen doet? Dat ze hem bij de schouder pakken zoals hij dat doet, wanneer hij zijn medeleven wil onderstrepen?

Een ‘overval’

Er blijkt ook veel veranderd in de Akbarstraat. De gemeente heeft de homogene sociale woningbouw – en daarmee de eenzijdige bevolkingssamenstelling – willen doorbreken door nieuwbouw voor middengroepen toe te voegen. Nu was uit eerdere experimenten met mengingsstrategieën al gebleken dat het de buurt vaak niet sterker maakt. Sterker nog, het is eerder aanleiding tot wrijving tussen bewonersgroepen. Hier is dat ook zo.

Is klassieke integratie misschien een gepasseerd station? Die vraag werd niet gesteld

De nieuwe witte instroom zoekt aansluiting bij de buurt en organiseert een eetclub waar de gevestigde buurtbewoners wegblijven. Het wegblijven wordt betreurd bij een goed glas wijn. De nieuwe bewoners willen een gemengde buurtschool voor hun kinderen en vinden wel heel makkelijk ingang bij de schoolleiding voor het idee van een klas die voor bijna de helft uit witte kinderen bestaat. De andere ouders zijn verbaasd over deze ‘overval’.

De schoolleiding betreurt dat de ouders van de huidige schoolpopulatie niet zijn ‘meegenomen’ in de plannen van de nieuwe bewoners en de schoolleiding. De meest assertieve vader van de ‘oudkomers’ stelt dat de nieuwkomers zich zouden moeten aanpassen aan de gevestigde bewoners.

Integreren of excelleren

Die al dan niet terechte roep om ‘omgekeerde integratie’ in wijken waar allochtonen al decennia in de meerderheid zijn, is de belangrijkste kwestie die door de documentaire wordt opgeworpen. Maar misschien is die discussie eigenlijk alweer achterhaald. Er wordt eenvoudigweg nauwelijks geïntegreerd. Niet de ene kant op en ook niet andersom.

Integratie om het integreren levert niks op

Integratie om het integreren levert niks op. Voldoen aan een concrete vraag of excelleren mogelijk wel. Een eigen voetbalclub zonder alcoholische ‘derde helft’ doet dat bijvoorbeeld, net als een islamitische school met goede examenresultaten. Herzuiling met de deur open en een lage drempel voor toetreders van buiten de eigen groep, betekent op den duur een diverser aanbod voor iedereen. Je hoeft immers ook niet katholiek te zijn om je talen bij te laten spijkeren door de ‘Nonnen van Vught’, het inmiddels seculiere taleninstituut opgericht door de zusters Kanunnikessen van de Heilige Augustinus.

Deze column verscheen op 29 januari 2020 bij romagazine.nl

Goede bedoelingen in de publieke ruimte

Bij de ingang van mijn wijk staat een lichtkrant op een aanhangwagentje. Mij wordt door de politie aangeraden de ramen te sluiten en het licht te laten branden. ‘Geef inbrekers geen kans!’ Daarna volgt de tekst: ‘ziet u iets verdachts? Bel 112!’

Misschien is er een inbraakgolf die mij ontgaan is of zijn we het slachtoffer van postcodeprofilering. Goed voor mijn gevoel van veiligheid of de prijs van mijn huis is het zeker niet. En zo zijn er meer goede bedoelingen in de openbare ruimte waarover we het eens moeten hebben. Over het hinderen of bedreigen van hulpverleners bijvoorbeeld.

Het is inmiddels een vertrouwd ritueel. De jaarwisseling verloopt onrustig en burgemeesters, politiechefs en brandweercommandanten spreken met heilige verontwaardiging hun onaanvaardbaar uit: ‘Van hulpverleners blijf je af!’ Slechts zelden komt ter sprake dat die handhavers en hulpverleners met hun goede bedoelingen niet altijd even tactvol de context benaderen waarin ze moeten handelen.

‘Zelden komt ter sprake dat handhavers niet altijd tactvol de context benaderen’

De buurtbewoner die is opgegroeid met een kerstbomenfik op het kruispunt tijdens oudjaar, is mogelijk niet enthousiast als de brandweer vroegtijdig komt blussen. Waar de ambulancebroeder zich bedreigd voelt, had hij zich soms ook aangemoedigd kunnen voelen. ‘En je zorgt dat hij het haalt, hoor je me?’ De een hoort een bedreiging, de ander bezorgdheid om het slachtoffer.

En dan de politie. ‘Alles wat je in je hebt. Maak er politiewerk van’, is de slagzin van de jongste wervingscampagne. Het gaat daarin niet over wetskennis of kantoorwerk, maar uitsluitend over actie, intuïtie en flexibiliteit. Wat mij betreft had daar ook sociale intelligentie bij gemogen, want daaraan is een schreeuwend gebrek.

Ik stond er zelf bij toen twee agenten opgeroepen waren voor een amok makende, verwarde vrouw. Het was duidelijk dat ze in aanraking geruststelling en troost zocht. Het had de situatie kunnen de-escaleren. In plaats daarvan deden de agenten een stap achteruit en riepen paniekerig: ‘Raak me niet aan!’

Ten slotte nog de schiet- en steekincidenten onder jongeren. Misschien moeten we het ook eens hebben over het effect van de goedbedoelde stille tochten en spontane herdenkingen na dit soort tragische voorvallen. Natuurlijk is er in de eerste plaats het verdriet van de nabestaanden en de steun die gevoeld wordt in het samenkomen. Het ‘why?’ is meestal best te beantwoorden, maar de banaliteit van het antwoord blijft onbevattelijk.

De stille tocht, de bijeenkomst of de spontaan ingerichte gedenkplaats is een uiting van gedeeld verdriet, verbondenheid en protest tegen geweld. Het is ook een eerbetoon aan het slachtoffer – en dat gaat gepaard met rituelen. Dat kunnen witte ballonnen en knuffels zijn, maar ook grafkaarsen en plengoffers met sterke drank op de plaats delict. Bedoeld of onbedoeld sluipt er al snel benderomantiek in het gedenken. Dan wordt de dood op straat een podium.

In Drachten was het vast onbedoeld en het is goed dat jongeren hun eigen woorden kiezen. Toch kreeg de verwijzing naar de lange doodsstrijd van Roan Brilstra op het spandoek aan de kop van de stille tocht iets heroïsch dat vreemd contrasteerde met het lieveheersbeestje van het initiatief ‘Stop zinloos geweld’.

Bas van Horn

Eerder verschenen op 8 januari 2020 bij romagazine.nl 

Het DNA van de Bijlmer

Wat het precies is blijft vaag, maar het moet wel behouden blijven: ‘het DNA van de Bijlmer.’ Op 21 november startte in New Metropolis Zuidoost – een van de twee filialen van het Amsterdamse debatcentrum Pakhuis de Zwijger – het eerste van een reeks gesprekken over de gebiedsontwikkeling van Amsterdam Zuidoost. Bijeenkomsten met bewoners en ondernemers stonden hier in het verleden garant voor spektakel. Nu is de toon constructief met oog voor de dilemma’s.

Amsterdam groeit als kool, leidt een communicatieadviseur van de gemeente in. In 2019 stijgt het inwonertal boven het historisch record van 872.000 uit 1958. En daar houdt het niet op. Voor de woningzoekers van nu en straks breidt de stad in. Vooral met verdichting in Noord, Nieuw-West en Zuidoost. De komende twintig jaar moet Zuidoost er 40.000 woningen bij gaan krijgen. En daar horen ook voorzieningen bij zoals scholen, parken, uitgaansgelegenheden, zorginstellingen, winkels en ruimte voor lokaal ondernemerschap.

Er zullen mensen gaan wonen in het antroposofische ‘Zandkasteel’ – het oude ING-hoofdkantoor – en een paar andere voormalige kantoorpanden. De grote aantallen zullen komen van nieuwe woontorens. De internationale investeringsmaatschappij CBRE, die de torens gaat realiseren, is geen anoniem grootkapitaal, wordt de zaal bezworen. Het is slechts een vehikel waarmee onze eigen pensioenfondsen voor woningen gaan zorgen. Veertig procent sociaal, veertig procent middenhuur en twintig procent topsegment.

Wat is ‘de menselijke maat’ en ‘het DNA van de Bijlmer’?

Of we met die nieuwe hoogbouw niet de problemen terughalen waarvoor we de oude hoogbouw hebben afgebroken, informeert iemand. Dat zal niet gebeuren, verwachten gemeente en ontwikkelaars. Het verbinden van de bestaande woonbuurten met de kantoren en bedrijven aan de andere kant van het spoor, krijgt een nieuwe kans. Er zal aandacht zijn voor ‘de menselijke maat’, levendigheid in de plinten buiten kantooruren, ruimte voor ondernemerschap en het DNA van de Bijlmer.

Hoe dat gaat gebeuren is nog niet duidelijk, want buiten Our Domain – 1500 kleine appartementen met gezamenlijk dakterras tegenover het AMC – en enkele andere projecten die al snel gerealiseerd zullen zijn, blijven de meeste plaatjes van nu voorlopig artist impressions. En dan weten we nog niet eens wát dat Bijlmer DNA precies is of hoe het zich moet verhouden tot het nieuwe DNA dat met uiteindelijk 100.000 extra inwoners Zuidoost zal binnenstromen.

Succes mag gezien worden!’

Het heeft in ieder geval te maken met verbondenheid, Suriname en inmiddels een heleboel andere nationaliteiten. Met de worsteling om er hier iets van te maken en trots te zijn. Met niet willen verloochenen waar je vandaan komt, terwijl sommigen juist bewust zijn weggegaan om te kunnen groeien. Met gêne over de ‘hangmannen’ die op straat het beeld bepalen, terwijl iedereen die ’s morgens vroeg naar zijn werk gaat en ’s avonds terugkomt buiten beeld blijft.

Wat Zuidoost met het DNA van de Bijlmer aan moet, wordt hier dan toch concreet: de kans bieden om in Zuidoost te blijven of ernaar terug te keren. Niet alleen om er te wonen, maar ook om er uit te gaan en jezelf te laten zien in de publieke ruimte. Om een ander voorbeeld te zijn voor jongeren in de wijk, omdat legaal succes gezien mag worden. Verdichting van Zuidoost en de onvermijdelijke verdunning van het Bijlmer DNA doen de rest.

Bas van Horn

Deze column verscheen op 27 november bij romagazine.nl 

Energie-eerlijkheid op nieuwe grond

In het Hemelvaartweekend blijkt er zelfs voor ons zeiljachtje van zes en een halve meter geen plaats meer aan de steiger in de kleine haven van de Markerwadden. Later, het is zomeravond en al bijna donker, verkiezen we voor anker te gaan voor de kunstmatige duinenrij. De volgende ochtend schiet de wandeling op het hoofdeiland erbij in. Eind oktober laten we ons op de valreep van het seizoen per veerdienst vanuit Lelystad naar de nieuwe archipel brengen. Eindelijk zetten we voet aan wal voor een excursie met grootgroenbeheerder Natuurmonumenten.

Vlak voor we de haven binnenvaren, geeft de veerboot voorrang aan een konvooi van twee schepen dat de eilanden verlaat. Tussen de schepen drijft de persleiding waarmee slib uit het Markermeer achter de zeewering is opgespoten. Dat werk zit erop. Nu nog de keet en de werkboot afvoeren en er is niet meer te zien hoe de waterbouwers en baggeraars de basis hebben gelegd voor de nieuwe natuur.

Briljant bedacht en het werkt

Biologen, ecologen en planologen kunnen nu in alle rust de invulling bij elkaar vergaderen, vrijwilligers doen het veldwerk. Wat de natuur doet, blijft ongewis. Zo vat ik maar even samen wat onze boswachter en gids vertelt. Het idee is dat vooral de natuur zelf verder het werk doet. De zeewering van kunstmatig duin sluit het waddengebied naar het zuidoosten af. De heersende zuidwestenwind moet het slibrijke water van het Markermeer tegen de Houtribdijk caramboleren, waarna het slib achter het duin bezinkt. Briljant bedacht en het lijkt vooralsnog te werken.

Zaden voor begroeiing moeten via wind, water en vogels vanzelf de eilanden bereiken. Met tal van meetpunten en proefopstellingen volgt een leger wetenschappers hier live het ontstaan van de natuur. Ontstaan met een beetje hulp van hekken, linten en uitgestrooide wortelstokken, want het noodzakelijke riet slaat te veel af en wordt opgevreten door de ganzen.

Zo wordt er op veel fronten een beetje geschipperd en dat geeft voortdurend aanleiding tot discussies onder de eigenwijze deskundigen. Van de ene ecoloog moet het zeer zeldzame goudknopje – dat hier welig tiert – zijn gang gaan, de ander meent dat het bestreden moet worden ten gunste van andere soorten. Voor de een zijn de pionierende grondbroeders heilig en moet iedere opschietende wilg of els worden uitgetrokken, de ander kijkt in deze weidsheid om zich heen en ziet de onmogelijke opgave.

En dan zijn de voorzieningen voor de mens nog niet eens uitgediscussieerd. Het noodzakelijk kwaad, in deze context. De kleine nederzetting wil geheel zelfvoorzienend zijn. Men werkt aan eigen duinwater en de energie wordt ter plekke opgewekt. De horeca moet sober en bescheiden, maar ook exploiteerbaar zijn. Hoe exclusief mogen de paar vakantiecabins eigenlijk worden? De natuur is toch voor iedereen?

Energie-eerlijkheid die school mag maken

De zonnepanelen op de daken zijn het minst controversieel, maar de zon schijnt ook wel eens niet. De windmolen blijkt ook onder natuurliefhebbers een heikel ding, maar dat is in de beste Hollandse traditie opgelost. Als het moet – en alleen als het moet! –  komt straks een kleine molen uit een dak geschoven om de batterijen bij te plussen. Daarna trekt de molen zich schielijk terug.

De energievoorziening blijft dus precair, maar anders dan op het oude land verstopt men de consequenties niet. Geen compenserende aflaten voor een stevig dieselaggregaat, geen Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG) waarin alleen de gebouwgebonden energie en niet de gebruiksenergie van keukens en computers is meegerekend.

De gebouwen van de nederzetting krijgen installaties met een stoplicht. Bij groen is er genoeg stroom en zijn er geen beperkingen, bij oranje mag er best een lampje uit en bij rood wordt het tijd om de zaklantaarn en een kaarsje te gaan zoeken. Het is van een zeldzame eerlijkheid die school zou mogen maken op het vasteland.

Bas van Horn
BasvanHorn@gmail.com

Deze column verscheen op 30 oktober 2019 bij romagazine.nl