Inclusief, voor wie eigenlijk?

‘We Make The City, het festival dat steden beter maakt, zoomt in 2019 in op hoe we steden van, voor en door écht iedereen kunnen maken’, aldus het openingsstatement op de website. WMTC is een vanuit de Metropoolregio Amsterdam groots opgezet evenement. Het programma telt twaalf stadsthema’s, diverse podia, activiteiten en een indrukwekkende line up. Meer dan tweehonderd bestuurders en professionals, sprekers en performers uit binnen- en buitenland staan op het lijstje. Het spektakel – 17-23 juni – wil deze editie nog inclusiever zijn dan de eerste keer.

Het zal gaan over veiligheid, cohesie en vaardigheden voor de eenentwintigste eeuw, maar vooral ook over klimaatbestendigheid, duurzaamheid, slimme technologie, circulariteit, leefbaarheid, gezondheid en inclusiviteit. Omdat de stad van iedereen is en iedereen mee moet kunnen doen. Het zijn de toogdagen van de progressieve metropool of misschien kun je door het imponerende programma beter zeggen: het is de 1 Mei Parade van de Groene Republiek.

’De stad is van iedereen en iedereen moet dus mee kunnen doen’

We Make The City is een aanmatigende titel, maar in de beste traditie van bestuurders, planologen, ingenieurs, sociaalgeografen en iedereen die zich tegenwoordig ‘stadmaker’ noemt. Een geschiedenis van doorpakkers die zorgden voor riolering en stromend water, die de stadssloppen van de negentiende eeuw sloopten en de nieuwbouwwijken van toen na de tweede wereldoorlog weer vernieuwden.

Het is ook de traditie van de volksverheffers. Van de fabrieksdirecteuren die het ongedisciplineerde werkvolk in het gareel brachten met modeldorpjes, van de Maatschappij van Weldadigheid in de veenkoloniën, de woonscholen voor een proper en deugdzaam gezinsleven, de sociale en christelijke volksopvoeders en hun woningbouwverenigingen. Daar is veel huiselijk geweld mee bestreden en veel gezondheid en ontplooiing mee gewonnen. Maar het was – met de beste bedoelingen – ook dwingend en bemoeizuchtig.

Naast de bestrijding van evidente misstanden, kregen eerst de anti-socialen en later de zwakken in de samenleving ook een nieuw waardenpatroon opgelegd. Dat was geen samenzwering van fabrikanten en bestuurders, maar gewoon ‘wat het beste leek voor iedereen’. Dat lijkt nu met WMTC opnieuw te gebeuren.

’Tante Pastellia, de woonconsulente van weleer, is weer helemaal terug’

Vooral in het programma ‘iedereen gezond’ en de Kennislunch Noord, is de woonconsulente van weleer weer helemaal terug. Ik zie haar voor me als een Tante Pastellia, de oude vrijster die de zelfstandig wonende minderjarige Pippi Langkous – voor haar eigen bestwil – in een kindertehuis probeert te krijgen.

Het is heel goed mogelijk dat we de klimaat- en duurzaamheidsdrammers van vandaag straks dankbaar zijn voor de transities die ze nu doorduwen, dat we ons niet meer kunnen voorstellen dat kleur en gender zoveel discussie gaf. Maar ‘We Make The City’ roepen zonder de stadgenoten te betrekken die minder met deze thema’s hebben, past niet bij de geëmancipeerde democratische samenleving van nu. Echt inclusief is het ook niet.

Deze column verscheen op bij 29-5-2019  romagazine.nl 

Muziek, verhalen en Stout

We hadden eindexamen gedaan en vertrokken voor vakantie naar Ierland. De vader van mijn schoolvriend had zijn spaargeld gestoken in een stukje land aan de Kenmare River. Het zou veel geld waard worden, want ook de Oranjes hadden hun oog laten vallen op de schitterende baai aan de Atlantische Zuidwestkust van Ierland.

De Oranjes kwamen niet en het landje aan het water bleef onbeheerd en overwoekerd achter. Tot wij er met bijl en kapmes een plekje vrijmaakten voor onze tent. Ierland was het laatste restje Derde Wereld in Europa, ons plekje zo idyllisch als ik net heb opgeroepen. Vorige week was ik er terug. Mijn schoolvriend woont er met zijn Ierse vrouw en jonge kinderen.

Eco-systeemdiensten, de ‘gratis’ kwaliteiten van het land

Dankzij het internet, de footloose industies en een mild belastingklimaat werd het arme eiland tussen 1995 en 2000 de Celtic Tiger. Een snelgroeiende economie die vooral een bepaalde klasse rijk maakte en vooral de hoofdstad Dublin van aanzien deed veranderen. Er kwamen kantoorgebouwen van glas, bruggen van Calatrava en hippe koffietentjes op oude handelskades. Tot alles met de crisis in 2008 weer tot stilstand kwam en men pas een paar jaar terug de draad weer kon oppakken.

Nog altijd is te zien dat er in Dublin niet veel van het nieuwe geld doorsijpelt naar de overheid of de mensen die niet meedoen in de nieuwe economie. Even buiten het centrum zijn er nog steeds straten met potholes en dichtgetimmerde panden. In de city is het vegan en organic wat de klok slaat, maar ik denk niet dat men zich daarbuiten al de luxe van een cultuuroorlog over dit soort zaken permitteren kan.

Die tweedeling is er in de toeristische gebieden van de Ring of Kerry en de Ring of Bearra vast ook, maar hier lijken er toch meer mogelijkheden om een graantje mee te pikken van de rijkdom die vooral Amerikaanse en Europese toeristen naar het eiland brengen. De natuur, het landschap en de schone lucht vormen hier samen een geweldig geheel van eco-systeemdiensten. Zeg maar ‘gratis’ kwaliteiten van het land, aantrekkelijk om in te luieren, wandelen en fietsen.

Socio-systeemdiensten bieden een basale kwaliteit van leven

Daarnaast zijn er hier, wat ik zou willen noemen, socio-systeemdiensten. Het geheel van schijnbaar onverwoestbare tradities van muziek, verhalen en Guinness (doe mij overigens maar een Beamish) die hier niet alleen voor de toeristen in stand worden gehouden en waar iedereen van mag meegenieten. Gratis, afgezien van het bier natuurlijk.

Ik heb versteld gestaan van de diversiteit aan muziek en verhalen die hier nog iedere dag te beleven is. Van touristtraps met een elektronisch versterkt duo, tot spontane jamsessies in pubs en lounge-entertainment in een chic hotel dat later op de avond gewoon weer ontaard in zang, dans en een dronken Ier die met een geweldig getimed verhaal een rijke Amerikaan te kakken zet. En nog tot diens genoegen ook!

Ik zal niet beweren dat die unieke combinatie van eco- en socio-systeemdiensten van Ierland een gelukkig land maakt. Die combi was er namelijk ook al in de achttiende- en negentiende eeuw toen in totaal ongeveer twee miljoen Ieren wegtrokken om elders een beter bestaan op te bouwen. Het biedt wel een basale kwaliteit van leven, waardoor de Ieren misschien net iets relaxter in het leven staan.

Wij maken al best veel werk van onze eco-systeemdiensten. De lucht is schoner dan vroeger, we ontwikkelen nieuwe natuur en je kunt soms zwemmen in de gracht. Maar als Koningsdag de staalkaart is van onze volkscultuur, dan valt er op het gebied van socio-systeemdiensten nog wel wat te winnen. Moeten we ook eens wat meer aan doen. Worden we misschien relaxter van.

Bas van Horn

Deze column werd 8-5-2019 gepubliceerd op romagazine.nl

Participatieperikelen

Als er geen nieuw uitstel komt, dan is de Omgevingswet in 2021 van kracht. Breed verkennen en participeren voor de schop in de grond gaat, is helemaal in de geest van de wet. De initiatiefnemer is zelf verantwoordelijk voor het betrekken van andere belangen en de omgeving. De vorm van de participatie is bewust vrijgelaten. Geen project, plek of participant is immers hetzelfde en de wet gaat uit van vertrouwen.

Het is de codificatie van een langjarige beweging die kiest voor ‘meer verantwoordelijkheid bij de samenleving’. Het Sociaal Cultureel Planbureau constateerde een aantal jaren geleden al de ontwikkeling naar een nieuw verantwoordelijkheidsmodel waarin de overheid de doelen formuleert, maar burgers en bedrijven zelf mogen bepalen hoe ze die bereiken. Vervolgens toetst en sanctioneert de overheid. Het SCP spreekt van ‘een geregisseerde eigen verantwoordelijkheid’.

Minister Kajsa Ollongren gaf in maart haar Planologielezing voor studenten van de Rijksuniversiteit Groningen. Uit die lezing blijkt dat het kabinet ook van dit model uitgaat. Zeker waar het de klimaat- en energiedoelstellingen van de Rijksoverheid betreft. De minister stelt dat de energietransitie zijn beslag krijgt in de directe leefomgeving van mensen en dat daarom participatie van en draagvlak bij burgers voorop moeten staan. Tegelijkertijd waarschuwt zij dat gemeenten en provincies ‘niet in conservatisme moeten blijven steken’. Dat zou de Rijksoverheid in de positie brengen zaken te moeten afdwingen.

De proteststem woont in suburbia

Het kabinet volgt dus de beweging naar meer verantwoordelijkheid voor en vertrouwen in de samenleving, maar het is wel geregisseerde verantwoordelijkheid en geclausuleerd vertrouwen. Anderzijds constateert het kabinet een afgenomen vertrouwen in de overheid bij burgers en meent ze met de Omgevingswet ‘een bescheiden bijdrage aan herstel van vertrouwen te kunnen leveren’. Door betere besluitvorming over projecten, inzichtelijker procedures en regelgeving, beter beschikbare informatie over de fysieke leefomgeving en het faciliteren van burgerparticipatie.

Vertrouwen in de overheid vraagt een rijksoverheid die zijn medeoverheden en burgers vertrouwt. Dat loopt stroef van beide kanten. Het burgerperspectievenrapport 2019 en recente SCP-publicaties bevestigen wat je op je klompen aanvoelt: het vertrouwen in de overheid loopt terug. Tegelijkertijd wordt het vertrouwen van bestuurders, beleidsmakers én participatieprofessionals in burgers bemoeilijkt door de gevolgen van polarisatie tussen bevolkingsgroepen.

Die polarisatie is het gevolg van een groeiende tweedeling die goeddeels parallel loopt aan de scheiding arm-rijk, laagopgeleid-hoogopgeleid. Een afstand die zich ook geografisch manifesteert. ‘De proteststem woont in suburbia’, zegt politiek-geograaf Josse de Voogd. Op een iets hoger schaalniveau kenden we al de verschillende werelden van platteland en stad. Daarnaast is het vooral een scheiding in de hoofden en harten van mensen.

Staatssecretaris Snel en de carbontax

Een kloof waarin het verlies van oude zekerheden voor velen niet werd gecompenseerd door nieuwe perspectieven, waarin wantrouwen staat tegenover het vertrouwen dat het hoogopgeleide deel van de bevolking heeft in zichzelf en de maatschappij. Die kloof is een cultuurstrijd geworden die wordt uitgevochten op vele fronten. Voor of tegen zwarte piet, voor of tegen gender neutrale toiletten, voor of tegen minder vlees, maar ook: bos versus hei, voor of tegen windmolens, zonneparken en toekomstgericht klimaatbeleid.

In die strijd wordt informatie van overheid en kennisinstellingen betwist, en niet altijd onterecht. Staatssecretaris Snel van Financiën lijkt de Tweede Kamer bijvoorbeeld niet juist te hebben geïnformeerd over de carbontax, het rekenmodel waarmee de effecten van subsidie voor elektrisch rijden worden ingeschat. Maar rapporten van adviesbureaus worden soms ook al gewantrouwd omdat hun opdracht van de overheid komt. Tegelijkertijd voelen burgers en belangengroepen – die veel tijd, energie en kennis in participatie steken – zich niet altijd serieus genomen.

De politiek is leidend

Het doorzetten van centraal gemaakte keuzes, waarmee minister Ollongren in haar planologielezing dreigde, kun je zien als daadkrachtig beleid dat heldere kaders stelt aan werkbare participatie. Aan de andere kant zou een dergelijk optreden de sociaal-maatschappelijke en geografische tweedeling in ons land versterken en het draagvlak in langjarige besluitvormingsprocessen voor grote opgaven verzwakken.

Ook al omdat regionale en lokale overheden steeds vaker de kant van hun burgers zullen kiezen en daarmee tegenover de keuzes van de nationale overheid komen te staan. Ongeacht hoeveel gebiedsdialogen en botsproeven er in de aanloop naar de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) worden gehouden om de energie- en klimaattransitie door te kunnen zetten. Dit dilemma voor politiek en beleid raakt ook de ruimte voor participatie.

Het Klimaatakkoord van Parijs stelt doelen voor 2050 en redeneert terug naar wat en  wanneer in de tussentijd moet worden bereikt. Een nationaal klimaatakkoord – en eventueel een klimaatwet – borgt die doelstellingen langjarig in nationaal beleid. Dat kan op hoofdlijnen, maar een nieuw regeerakkoord zal leidend zijn. Het betekent dat we in de participatieprocessen rond langjarige trajecten altijd rekening moeten houden met politieke koerswijzigingen. Dat pleit voor een incrementele beleids- en participatiepraktijk die ervaringen en voortschrijdend inzicht weet terug te ploegen naar het begin van nieuwe- en vervolgtrajecten. Dat heet soms ‘zwalkend beleid’, maar het is verstandig en bovendien de consequentie van een democratisch bestel.

Bas van Horn

Deze column verscheen op 17 april 2019 bij ROmagazine.nl 

Thierry en Tocqueville

 De Telegraaf heeft mij kennelijk met het zoekwoord speechschrijver gegoogeld, want ik mag ook wat van de overwinningstoespraak vinden. Ik zeg dat de redevoering van Thierry Baudet knap in elkaar steekt en dat pathos en bombast – bij ieder ander over the top – hier precies bij de spreker passen. Vergelijkbare analyses, maar ook veel ‘foei’-commentaren staan in alle kranten. Als de Telegraaf belt, ben ik net dit stukje over de aantrekkingskracht van het fenomeen Baudet aan het tikken.

‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap.’ De heilige drie-eenheid van de Franse Revolutie wordt niet vaak bevraagt. Dankzij het boekje De kleine Tocqueville van journalist Martin Sommer, snap ik dat vrijheid en gelijkheid op gespannen voet met elkaar staan. Voor de Franse edelman Alexis de Tocqueville (1805-1859) is de Franse Revolutie nog dichtbij. Ook in zijn familie valt de guillotine. Hij ziet met de democratie een ontwikkeling naar steeds meer gelijkheid en is daar niet tegen. Maar hij ziet ook hoe de staat als hoeder van de gelijkheid de vrijheid in het nauw zal brengen. Kom er maar in Thierry Baudet.

De adel houdt het volk eronder, maar ziet zichzelf ook als beschermer van beschaving, recht en gerechtigheid. De koning (de staat) is niet meer dan de eerste onder zijns gelijken. Hij moet de adel rond het hof te vriend houden of zit zo ver weg van hertogdom en markizaat dat de edelman daar zijn eigen gang kan gaan. Dat is de vrijheid zoals Tocqueville bedoelt. Vrij van werk of dienstbetoon en levend naar eigen normen en waarden. Revolutie en democratie maken een einde aan die aristocratische vrijheid. Voortaan is er de staat die de vrijheid beperkt uit naam van de gelijkheid.

In de jaren tachtig van de vorige eeuw tonen hippe Franse filosofen de dwingelandij van de staat op alle terreinen van ons leven. Kritiek van eigen bodem op de macht van de staat komt onder meer van de dandyeske hoogleraar bestuurskunde Paul Frissen. De meesten van ons zijn dan nog met andere dingen bezig, maar de aristocratische verleiding schiet wortel. Met Pim Fortuyn breekt het naar de oppervlakte.

Pim speelt de ongebonden aristocraat met een palazzo, een excentrieke stijl van kleden en spreken, joie de vivre en schijt aan de gevestigde orde van politieke ploeteraars. Hij doet niet zijn best een van ons te zijn, maar onderscheidt zich. Met Fortuyn kunnen kiezers zich niet identificeren, maar ze willen wel zijn aristocratische vrijheid. ‘Ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg’. Tegen de macht en regels van de Europese superstaat, tegen het politieke establishment, dol op Marokkaanse schandknapen en tegen de Islam.

Rita Verdonk is na de moord op Fortuyn niet in staat zijn plaats in te nemen. Ze mist de flair van de noblesse. Haar ‘recht door zee’ is het geluid van de verongelijkte gewone man. Geert Wilders lijkt die belofte wel te dragen, maar uiteindelijk is zijn mythe een lege huls beschermd door safehouses en beveiligers, zijn excentriciteit niet meer dan een geblondeerde kuif.

Met Thierry Baudet is opnieuw een populistische aristocraat opgestaan. Hij flirt met de klassieken, de schone kunsten en met gevaarlijke antidemocraten. Onze bestuurders verkwanselen ons erfgoed, klimaatgedram is onzin en we willen het referendum terug. Een diverse mix van signalen en boodschappen. Maar wel een met een gemeenschappelijke noemer. Een alternatief op al die terreinen waar de gevestigde politiek geen alternatieven ziet. Daarmee schaart hij de mensen rond zijn vleugel.

De politieke beloften in zijn veelbesproken speech zijn het meest concreet in de democratische hervorming. Het is alleen niet de aantrekkingskracht van zijn beweging, die schuilt in de geur van vrijheid en ongebondenheid. Vrijheid op een manier die de meesten van ons tot ver in hun stamboom nooit gekend hebben en waarvoor we uiteindelijk ook onze groeiende gelijkheid – geborgd door staat of superstaat – niet zullen willen opgeven.

Een stem op de NS

Dankzij het debat over de maatschappelijke tweedeling, mag de regio zich al enige tijd in veel aandacht verheugen. Door de verkiezingen voor Provinciale Staten – en op een ingewikkelde manier ook de Eerste Kamer – gaat daar nog een schepje bovenop. De Groningers is een parlementaire enquête over de gaswinning beloofd en ook de NS laat zich niet onbetuigd. CEO Roger van Boxtel belooft de tweehonderd kleinere- en ‘wegwaaistations’ onder meer huiskamers en toiletten. Kan ik op twintig maart soms ook NS stemmen?

De NS was de afgelopen twintig jaar al onderdeel van een groot project dat veel verder ging dan het spoor. Samen met het Rijk en andere partners werden de Nieuwe Sleutelprojecten (NSP) uitgevoerd. De belangrijkste spoorknooppunten in de vier grote steden plus Arnhem en Breda kregen uitbreiding en nieuwe of vernieuwde prestigieuze stations van beroemde architecten. Met geld uit het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT), het Grotestedenbeleid en andere potjes samen, werd de spoorinfra aangepakt en de stationsomgeving.

De stations waren voortaan iconen waar de stad trots op kon zijn en de stedelingen mochten onder meer meepraten over een officiële bijnaam die het anders vanzelf wel zou krijgen. Nog altijd jammer dat ‘De Grote Muil’ voor het nieuwe Rotterdam Centraal het niet gehaald heeft. Het Rijk investeerde in kantoren en eigen gebouwen binnen en rond de stations als een impuls voor de binnensteden en als een aanmoediging voor treinforensen. In naargeestige spoorzones kwamen hippe tijdelijke bestemmingen en nieuwe verbindingen met de omringende stad.

’Kleinere, rustige stations blijven altijd buiten beeld’

Het heeft even geduurd, maar nu is het hele NSP-project dan toch zo’n beetje klaar en een groot succes. Hulde. Inmiddels heeft NS ook andere grotere stations zoals Assen en Harderwijk op de schop genomen. ‘Je zoekt altijd naar investeringen met de grootste impact, maar dat betekent ook dat kleinere, rustige locaties altijd buiten beeld blijven’, analyseert de NS-woordvoerder. En dat valt slecht op de open perrons waar de wind uit het weiland overheen waait of waar de wachtruimte is verhuurd aan een afhaalchinees.

‘Ik ken het sentiment’, zegt de woordvoerder. ‘Uit eigen ervaring zelfs’, want ook hij ging lang naar zijn werk vanuit een klein station in de regio. Ongeveer een derde van het totaal aan opstapplaatsen is een klein station, veelal in de regio. Die stations zijn nu dus aan de beurt voor een upgrade met wachtruimtes, huiskamers, toiletten en – zoals de woordvoerder het noemt: ‘projecten op stations waar in samenwerking met lokale partners gezocht wordt naar kansen voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.’

Leedvermaak over mogelijk rekeningrijden op het spoor

Dat heeft dus allemaal niks te maken met verkiezingen, maar alles met klanttevredenheidscijfers. In de Randstad valt daar voor NS voorlopig niks meer te halen. De reizigers vinden hun nieuwe stations alweer vanzelfsprekend. Ze hebben nu vooral last van de drukte in de spits, waar niet zoveel aan te doen is omdat het netwerk op een aantal trajecten en tijden aan zijn taks zit. Daar dreigt nu zelfs rekeningrijden. Een maatregel waartegen de treinreiziger zich verzet met ongeveer dezelfde argumenten als de automobilist.

Nee, dan de tweehonderd kleinere stations. Daar is met een wachtruimte en wc nog heel wat goodwill te winnen. Eerst was er de afgunst over ‘dure prestigestations voor het Westen’ en nu het leedvermaak over dreigend rekeningrijden. Nog voor de spoorhuiskamers klaar zijn is het wachten op de stoptrein door het buitengebied al een stuk aangenamer geworden.

Bas van Horn

Deze blog werd geplaatst bij romagazine.nl op 15 maart 2019

Een groot complot! Ja, en dus?

Hoe gaan we in 2050 tien miljard monden voeden? Bij online platform GeenStijl hebben ze het eenvoudige antwoord. Gewoon bestellen: ‘tien miljard Big Mac’s alstublieft!’ Misschien zit de bewust onbesuisde website daarmee dichter bij de waarheid van straks dan we nu denken.

De wereldbevolking groeit van een kleine zeven miljard zielen nu, naar misschien wel tien miljard in 2050. In theorie is het mogelijk om al die mensen van een degelijk dagrantsoen te voorzien. Als we dat doen zoals we het nu doen, dan eten we daarbij ook de aarde zelf op.

Intensieve landbouw put de bodem uit, kunstmest en bestrijdingsmiddelen vervuilen de grond en drinkwater wordt schaars omdat vooral voor vlees en zuivel extreem veel water nodig is. En dan heb ik het nog niet eens over het dierenwelzijn. Al die plantaardige eiwitten die we verbouwen om beesten mee te voeren, kunnen we ook direct zelf opeten. Eureka! Minder uitputting, vervuiling en dierenleed. Genoeg te eten voor iedereen.

Om het idee te promoten riep de VN 2016 uit tot het ‘Jaar van de Boon’. Inmiddels heeft zelfs onze regering het idee omarmd dat ‘het roer om moet’ in de landbouw en voedselproductie, al zoekt minister Carola Schouten nog even hoe dat roer dan precies om moet zonder het boerenbelang en de vaderlandse economie onredelijk te beschadigen.

Gammele gezondheidsclaims

Ondertussen wordt de druk opgevoerd, onder meer met het rapport van een commissie geïnitieerd door het gerespecteerde medisch-wetenschappelijke tijdschrift The Lancet. Een groep van zevenendertig internationale wetenschappers onder leiding van Dr. Walther Willet van Harvard University pleit daarin voor de ‘Grote Voedsel Transformatie’. De boodschap: eet minder dieren (vlees) en dierlijke eiwitten (zuivel), eet meer granen, groenten en noten. Goed voor de wereld, goed voor de gezondheid.

Er is naast bijval ook de nodige kritiek op het EAT-rapport. Dr. Willet zou meer activist dan wetenschapper zijn. Zijn commissie baseert zich exclusief op betwist voedings-epidemiologisch onderzoek. Op de gezondheidsclaims van zijn plantaardig dieet valt wel wat af te dingen, de gezondheidsrisico’s van vleesconsumptie worden overdreven en het gebrek aan inname van essentiële voedingsstoffen bij een plantaardig dieet weggemoffeld. Die kritiek komt onder meer van de – aan Harvard opgeleide – psychiater en voedingsadviseur Georgia Ede.

Ik heb er allemaal geen verstand van. Ik heb meer in het algemeen moeite met oplossingen die vragen dat we ‘allemaal iets anders gaan doen dan we doen’ omdat dat beter is. Want dat doen we dan meestal niet allemaal. Zeker niet minder vlees, vis en zuivel eten op het moment dat een aanzienlijk deel van de wereldbevolking zich die eindelijk permitteren kan.

Een ‘Jij-Bak’

Daar kwam onlangs nog iets bij. In het Vlaamse tijdschrift Knack pleitte voedingsbiotechnoloog Frédéric Leroy van de Vrije Universiteit Brussel (VUB) voor een milieu- en diervriendelijker productie van vlees. Hij gaat niet mee in het ‘anti-vlees discours’, zoals Knack dat noemt.

Dat komt hem, volgens zijn zeggen, te staan op verdachtmakingen. Hij zou een rechtse complotdenker zijn of een verlengstuk van de vleeslobby. Hij is immers voorzitter van de Belgian Association for Meat Science and Technology. Volgens Leroy een strikt wetenschappelijk instituut dat geen geld van de vleesindustrie krijgt, maar toch.

Hij slaat terug met een stevige ‘jij-bak’ richting EAT en The Lancet. EAT is volgens Leroy een Noorse non-profit organisatie van goedbedoelde wetenschappers, maar ook van ideologen met een missie en organisaties met financiële belangen die The Lancet voor het karretje hebben gespannen. Leroy wijst op de link tussen EAT en de World Business Council For Sustainable Development (WBCSD), een platform van grote spelers uit de voedingsindustrie.

Veggie Burgers

Onder andere Nestlé, Pepsico en Unilever zouden in ‘De Grote Voedseltransformatie’ een nieuw businessmodel zien. De CEO van Pepsico noemt de toekomst veganistisch, Nestlé gaat in vegetarisch vlees, net als Unilever dat De Vegetarische Slager kocht. Alan Jope, de Schotse opvolger van Paul Polman als topman bij Unilever, zei bij zijn aantreden te kiezen voor ‘onderscheidende duurzame producten met een hoge winstmarge.’

Dat zit zo, legt Leroy uit in Knack. Je gebruikt zeer goedkope grondstoffen zoals eiwitextracten, zetmeel en olie. Die behandel je tot een eindproduct dat lijkt op vlees, kaas of melk. Dat levert een enorme toegevoegde economische waarde op.

Zo gaan de voedingsgiganten aan de haal met onze goede bedoelingen! Maar is dat erg? Het ontbreken van essentiële voedingsstoffen is vast op te lossen met toevoegingen en dik worden kun je van alle snacks. Mijn bezwaar tegen ‘De Grote Voedseltransformatie’ – we gaan heus niet allemaal opeens bonen eten voor een betere wereld – wankelt. Want deze voedingsmultinationals zijn wel gamechangers.

Van den Berg & Jurgens (later Unilever) heeft ons margarine leren eten in plaats van boter. Nestlé koopt wereldwijd zoetwatervoorraden en heeft de voedingsvoorhoede al aan de sojamelk. Mc Donalds heeft met zijn Big Mac een gestandaardiseerd kwaliteitsproduct gemaakt dat wereldwijd wordt gegeten. Het kan heel goed zijn dat ze het bij GeenStijl goed gezien hebben: ‘tien miljard Veggie Burgers alstublieft!’

Bas van Horn

Deze column verscheen op 6 februari 2019 op romagazine.nl

Plastic is een prachtproduct

Een strand vol My Little Pony’s, Ikeakrukjes en autovelgen. Het futiele van de spullenmaatschappij is zelden treffender in beeld gebracht. Kunststoffen klonteren ondertussen gestaag samen in de oceanen. En dan heeft de plasticvanger van Boyan Slat ook nog een gebroken arm. Wordt de soep dan heus zo heet gegeten?

Jawel. Dolfijnen, vissen en vogels raken verstrikt in kapotte visnetten en -lijnen. Oude scheepstrossen, jerrycans (scheepvaart en visserij zijn grote boosdoeners) en plastic tasjes (vlak onszelf niet uit) vallen uiteen in kleine stukjes die eruitzien als voedsel. Dieren sterven met een volle maag. Ze zitten vol wattenstaafjes, frisdrankdoppen en vingers van werkhandschoenen.

Plastics goed voor het milieu

En toch is plastic een prachtproduct. Ook voor het milieu. Ik word niet gesponsord door de petrochemische industrie, maar het is wel eens goed om de zegeningen te tellen van ‘kunststof’ (toen plastic niet meer kon vonden marketeers kunststof uit). Oké, het wordt gemaakt van olie, het is dus fossiel, eindig en op den duur uit den boze, maar tot die tijd…

Dankzij plastic verpakkingen en folies is de hygiëne verbeterd en de houdbaarheid van verse producten vergroot. We gooien daardoor weinig weg en verspillen minder voedsel. De lichte en sterke plastic verpakkingen kosten maar weinig grondstoffen en zijn eenvoudig te vervoeren. Dat scheelt heel wat broeikasuitstoot. Het plasticafval wordt ook beter recyclebaar. En zo niet (het blijft lastig met al die soorten kunststof) dan brandt het prima in afvalovens die vanwege de biobijstook wel wat extra’s kunnen gebruiken om op temperatuur te blijven.

Microplastics: hoe erg is dat?

Plastic is voorlopig dus prima spul, het moet alleen niet rond gaan zwerven en in zee belanden. Dat doet het nu wel en richt daar – als gezegd – veel onheil aan. En volgens de communis opinio zelfs voor de eeuwigheid, want plastics zouden niet afbreekbaar zijn. Dat nu lijkt mee te vallen. Afgelopen voorjaar promoveerde Ellen Besseling aan de Universiteit Wageningen (WUR) op een proefschrift rond de vraag: hoe erg zijn microplastics nu echt?

Plastics zijn niet of nauwelijks biologisch afbreekbaar, maar vallen uiteen in steeds kleinere stukjes. Tot het micro- of nanodeeltjes zijn die opgenomen worden door kleine organismen die weer gegeten worden door grotere organismen tot de walvissen aan toe. Maar hoe erg is dat? Zand wordt ook niet biologisch afgebroken en komt in de vorm van ultrakleine deeltjes (silica) in organismen terecht.

Het verschil zou zijn dat plastics giftige chemische stoffen bevatten of opnemen die daarmee in de voedselketen terecht komen. Dat klopt, bleek uit de modelberekeningen van Besseling. Maar ze voegt daaraan toe dat die stoffen vaak al uit andere bronnen – zoals het zeewater zelf – in grotere hoeveelheden worden opgenomen. Het is dus de vraag of het uitmaakt of je nu microplastics of microzand binnenkrijgt.

Haai in de verkeerde tijd geboren

Enfin, zwerfplastic richt een hoop ellende aan. Maar er is hoop. Wie straat- en slootbeelden ziet van onze leefomgeving in de jaren zeventig van de vorige eeuw, weet dat we nu in een keurig aangeharkt land leven waaruit het meeste (plastic) zwerfvuil verbannen is. Dat komt dus ook niet meer in zee. En omdat de rest van de wereld eveneens welvarender/beschaafder wordt, lijkt het niet onredelijk om te denken dat het probleem ook elders te temmen zal zijn. Het zwerfplastic is dus vooral vervelend voor de meeuw, de zeehond en de haai die in de verkeerde tijd geboren is. Zij verslikken zich in elastieken, vistuig en kleine, plastic paardjes met lange manen die nog niet tot microdeeltjes vervielen. De rest wordt sediment dat ooit ontdekt zal worden onder de lagen van nieuwe plagen.

Bas van Horn

Deze column werd op 10 januari geplaatst op romagazine.nl 

Straks is vroeger alles beter

In ontkerkelijkte tijden is Bach ons anker rond Kerst.’ Ja, de NRC weet hoe het de cultuurpessimistische en winterdepressieve achterban moet opbeuren. En inderdaad, het moet gezegd (neemt u dat letterlijk, want er zingt een dochter van een goede vriendin in het koor), het Residentieorkest gaf deze zondagvoormiddag samen met het Laurens Collegium Rotterdam en enkele voortreffelijke solisten een mooie en stemmige uitvoering van J.S. Bach’s Weihnachtsoratorium ten beste.

Het kon voor aanvang eigenlijk al niet meer stuk. Het Zuiderstrandtheater aan de Scheveningse haven was omgeven door een dun laagje sneeuw en de foyer bood een mistig uitzicht op enkele schepen. Aan de andere verre zijde van de ontmoetingsruimte vormde de duinrand het decor. De bezoekers stampten bij binnenkomst de sneeuw van hun schoenen of verruilden bij de garderobe hun sneeuwlaarzen voor lakmolières of elegante pumps. Het was als in een oude Kerstfilm.

In het programmaboekje stond het hele kerstverhaal in aria’s, recitatieven en koorzangen bij elkaar. Dankzij de helder articulerende zangers en een gortdroge akoestiek was de tekst nog te volgen ook. Aan niets viel te merken dat Bach en zijn librettist ook maar zelfciterende schnabbelaars waren.

Bach was een veelschrijver voor kerkdiensten, feesten en partijen. Hij schreef de hele kerkelijke kersttijd tot en met Driekoningen aan elkaar en deinsde er daarbij niet voor terug om een cantate voor de verjaardag van een keurvorstin om te schrijven naar een jubelstuk bij de geboorte van Christus.

Stemvorkvormige kolommen

Aan niets viel te merken dat we hier in een cultureel noodgebouw zaten. Een resultaat van jarenlang gesteggel over de toekomst van de cultuur in het Haagse stadcentrum. De Dr. Anton Philipszaal en het Lucent Danstheater aan het Spui waren destijds op een koopje gebouwd en na dertig jaar al rijp voor sloop.

Er kwam een duur plan voor een nieuw Spuiforum, er kwam een goedkoper plan voor een Spuiforum, het Spuiforumplan ging aan de kant en er kwam een integraal plan voor een Spuikwartier. Het ministerie van Justitie, imposante woontorens, een danszaal, een residentie voor het Residentieorkest, een hotel en een plint vol horeca en winkels: alles in één plan.

Er wordt inmiddels gebouwd dat het een aard heeft, maar ook is er opnieuw gezanik. Deze keer is het de welstandscommissie die moeite heeft met de detaillering van de stemvorkvormige gevelkolommen van het Onderwijs- en Cultuurcomplex (OCC).

Architect Jo Coenen wil er niks meer mee te maken hebben, maar blijft wel supervisor bij de hele gebiedsontwikkeling van het Spuikwartier. Eerder dit jaar werd al bekend dat de bouw van het cultuurcentrum 31 miljoen meer gaat kosten dan gepland en een jaar later zal worden opgeleverd, namelijk na de zomer van 2021.

Zo mooi wordt het nooit meer!

En dan, als de abonnementhouders van het Residentieorkest van Scheveningen weer terug zijn aan het Spui, zullen ze klagen dat vroeger alles beter was. Dan zullen de gepensioneerde automobilisten – het profiel van de gemiddelde bezoeker van een klassiek concert – herinneringen ophalen aan de tijd van het Zuiderstrandtheater. Zij hoeven niet meer zo nodig in de autoluwe binnenstad te borrelen voor het concert of te souperen na het concert. Zij willen met de auto naar het theater, in de pauze een glaasje en na het einde snel als eersten naar de garderobe voor de jassen. Bejaard ongeduld dat veelal wordt aangezien voor een aanhoudende staande ovatie. ‘Weet je nog dat Weihnachtsoratorium in de sneeuw? Uitzicht op de schepen, het duin en gratis parkeren! Nee, zo mooi als in het Zuiderstrandtheater wordt het nooit meer!’

Ik wens u een fijn uiteinde en een mooi begin.

Bas van Horn

Deze column werd op 19 december 2018 geplaatst op ROmagazine.nl 

Landjepik of occupatio

Honderdduizenden Nederlanders pikken gemeentegrond in. Een strookje van het plantsoen, het stukje langs het pad, het onbebouwde hoekje van de straat. Björn Hoops van de Rijksuniversiteit Groningen deed er onderzoek naar en De Volkskrant wijdde er begin deze week een artikel aan met fraaie foto’s. Wie kan aantonen dat hij de grond al minstens twintig jaar in gebruik heeft, maakt bij de rechter goede kans niet alleen gebruiker, maar ook officieel bezitter van de grond te worden. Vooral als hij zijn verovering heeft gemarkeerd met een schutting of paaltjes. Doe het stiekem, zou je denken. Maar nee, brutaalweg omheinen geeft de beste kansen. Waarom dat zo is, beschreef de krant niet. Toch blijkt het al vele eeuwen zo te werken.

Landjepik zie je overal en niet zelden knapt de omgeving ervan op. Afhankelijk van de politieke overtuiging wordt dat geweten aan teruglopend onderhoud van het publieke groen door de gemeente of het ‘feit’ dat mensen nu eenmaal beter zorgen voor hun eigen spullen dan voor die van ons allemaal.

Boerderijtje spelen

Ik ken mensen – ik noem geen namen – die in de bijgetrokken groenstrook boerderijtje spelen. Maar zelf moet ik hier ook mijn vinger opsteken. De vorige eigenaar van ons huis markeerde de grens van de tuin een centimeter of vijftig over de rooilijn met een forse plantenbak waarin nu stevige bomen en struiken tot diep in de ondergrond groeien. Ik verving de bak maar ben niet teruggegaan naar de oorspronkelijke erfgrens.

Toen de gemeente de wijk kwam herbestraten, vreesde ik aan de lat te staan voor een ingrijpende tuin make over. Dat bleek mee te vallen. De informatiebrief van het stadsdeel sommeerde ons obstakels weg te halen opdat strak langs de rooilijn bestraat kon worden. Tenzij we schriftelijk zouden melden dat we de bestaande situatie wilden behouden. Dat wilden we en het trottoir werd keurig rond onze uitbouw bestraat. Ik kan best een verhaal houden over de kwaliteit van een meanderende rooilijn, maar een beetje schuurt het wel. Wie minder assertief was, heeft nu een kleiner tuintje.

Reeds de Romeinen

‘Occupatio of toeëigening is eene ook reeds in het Romeinsche Regt bekende wijze van eigendomsverkrijging’, schreef de Winkler Prins encyclopedie in 1870. Om vervolgens uit te leggen dat het een zaak is van bemachtigen, in bezit nemen en het daarmee tot het jouwe maken. Het is wel nodig dat de zaak in kwestie niemand toebehoort omdat het nooit van iemand was of door zijn eigenaar is verlaten.

Wat de Romeinen konden, deden ook de pioniers in het Wilde Westen van Amerika aan het einde van de negentiende eeuw. Zij namen bezit van het land, zetten het af met het net uitgevonden prikkeldraad en waren grootgrondbezitter. De veeboeren die met hun kuddes over de prairie trokken hebben zich nog een tijdje verzet, de oorspronkelijke bewoners hadden al helemaal het nakijken. Zie Lucky Luke volume 29 ‘Prikkeldraad in de prairie’.

Occupatio in de naoorlogse nieuwbouw

Een kleine veertig jaar geleden beriep een kraker en rechtenstudent zich tegenover mij ook nog eens triomfantelijk op de occupatio, maar van de groenstrookjes in onze naoorlogse woonwijken kun je toch moeilijk volhouden dat ze geen eigenaar hebben of zijn verlaten door hun baasje. Zo erg is het met de plantsoenendiensten nu ook weer niet. Toch gaat de rechter bij zaken over ingepikte stukjes groen in zijn beoordeling terug op dit gedachtegoed over eigendom.

Je moet kunnen aantonen dat je de grond al twintig jaar in ‘bezit’ hebt. En wat is ‘in bezit hebben’? Niet dat je er een bonnetje van hebt, maar dat de ‘bezitter’ ondubbelzinnig heeft gehandeld als ware hij eigenaar. En hoe doe je dat? Door je verovering af te schermen met een schutting of omheining! Dat wordt tuinhout plaatsen of grenspalen met een robuuste ketting ertussen. Dat telt ook, denk ik. Vraag maar aan de rechter.

Bas van Horn

Deze column werd op 30-11-2018 gepubliceerd bij romagazine.nl

De olifant in de kamer

Volgens de een liggen we met onze wind-, zon en andere duurzame plannen uit het Klimaatakkoord aardig op koers, volgens de ander weten we nog geen druppel op de gloeiende plaat te laten sissen. Maar er blijft in het nationale klimaatdebat ook iets onbesproken. Het IPCC gaat in zijn jongste rapportage – waarvan we ons allemaal weer zijn rotgeschrokken – ook uitgebreid in op kernenergie om de uitstoot van CO2 terug te dringen. Discussiëren over kernenergie doen we niet, het is onze olifant in de kamer.

Waarom dat zo is werd duidelijk tijdens de bijeenkomst ‘Does The World Need Nuclear Power?’ op maandagavond 22 oktober in het Amsterdamse debatcentrum Pakhuis de Zwijger. Wat bedoeld was als een debatavond over kernenergie nu de klimaatverandering wel erg urgent lijkt te worden, pakte anders uit.

Geen opponenten gevonden
De moderator van dienst had de ondankbare taak om aan te kondigen dat er geen tegenstanders van enig formaat waren gevonden om het op te nemen tegen ecomodernist Michael Shellenberger en zijn side-kick, hoogleraar Jan-Leen Kloosterman van de TU Delft. Of dat aan de tegenstanders of aan de programmeur van de avond lag, liet hij wijselijk in het midden. Op zijn vraag wie in de zaal pro-kernenergie was, stak tachtig procent van de aanwezigen zijn hand op. Slechts een enkeling durfde zich te bekennen als tegenstander. De rest hield zijn mond.

Jan-Leen Kloosterman gaf prettig nuchter aan waarom alleen een energiemix met kernenergie in staat zou zijn om op een betaalbare manier aan de onontkoombaar groeiende energievraag tegemoet te komen zonder de 1.5-gradendoelstelling te laten mislukken. Hier was weinig plaats voor bewustwording, eco-alternatieven en consuminderen. Dit ging over harde cijfers van een groeiende wereldbevolking en een groeiende welvaart.

Daarna ging Shellenberger los en het was al snel duidelijk waarom maar weinig anti-activisten het tegen deze fanatieke bekeerling willen opnemen. Want Shellenberger was ooit zelf een linkse milieuactivist en tegenstander van kernenergie, maar nu kiest hij met hetzelfde vuur de andere kant met zijn beweging Environmental Progress.

Het vuur van de bekeerling
Alle argumenten pro komen in sneltreinvaart langs en alle ‘drogredenen’ van de tegenstanders worden ontkracht. De Duitse energie is sinds de ‘atomausstieg’ twee keer zo duur als de Franse, er vallen meer doden door ongelukken in de windindustrie dan in kerncentrales, het afval slingert niet rond maar wordt compact en veiliger opgeborgen dan gewoon chemisch afval, oude accu’s en zonnepanelen vol metalen. Kernafval als grondstof voor een vuile bom is een onzin scenario, in Tsjernobyl vonden achtentwintig brandweerlieden de dood en vielen vijftien straling gerelateerde doden, in Fukushima zelfs niet een. Daar vielen alleen slachtoffers door natuurgeweld, angst, paniek en een onnodige evacuatie.

Waarom willen we het rationele verhaal niet horen? Omdat we bang zijn voor kernenergie, analyseert Shellenberger. Omdat het gekoppeld is aan de angst voor de kernbom – met dank aan Robert Oppenheimer en Albert Einstein – en omdat er mensen zijn die helemaal niet willen dat we kunnen beschikken over energie in overvloed. Shellenberger wijst op de sociaal-darwinistische en soms zelfs racistische ondertoon in pleidooien voor leven met de natuur, zonder betaalbare energie en dus met minder mensen.

Geen ruimte, wel koelwater
Ik geloof niet dat die ideologische categorie van argumenten in Nederland een grote rol speelt. Angst wel. Die angst zorgt er volgens de pleitbezorgers voor dat we extreme veiligheidseisen stellen aan technieken die al vele decennia bewezen veilig zijn. Daarom kunnen exploitanten hier geen standaard kerncentrale bouwen zoals ze in Frankrijk, China, Korea of desnoods Rusland draaien. Daarom kan exploitatie in Nederland niet uit.

Maar belangrijker nog: iedere exploitant vreest de publieke opinie die nooit zal stoppen om veilig, veiliger, ‘inherent veilig’ te eisen. Altijd zijn er bezwaren en het voorzorgsprincipe. Zoals bij de vragen aan het slot van de bijeenkomst. ‘Is het dichtbevolkte en overstromingsgevoelige Nederland wel geschikt voor kernenergie?’ Ja juist, zegt Kloosterman: ‘Wij hebben geen ruimte voor al die wind- en zonneparken, maar we hebben overal koelwater bij de hand.’

Dit blog werd eerder gepubliceerd op romagazine.nl