Categorie archief: geen categorie

Straks is vroeger alles beter

In ontkerkelijkte tijden is Bach ons anker rond Kerst.’ Ja, de NRC weet hoe het de cultuurpessimistische en winterdepressieve achterban moet opbeuren. En inderdaad, het moet gezegd (neemt u dat letterlijk, want er zingt een dochter van een goede vriendin in het koor), het Residentieorkest gaf deze zondagvoormiddag samen met het Laurens Collegium Rotterdam en enkele voortreffelijke solisten een mooie en stemmige uitvoering van J.S. Bach’s Weihnachtsoratorium ten beste.

Het kon voor aanvang eigenlijk al niet meer stuk. Het Zuiderstrandtheater aan de Scheveningse haven was omgeven door een dun laagje sneeuw en de foyer bood een mistig uitzicht op enkele schepen. Aan de andere verre zijde van de ontmoetingsruimte vormde de duinrand het decor. De bezoekers stampten bij binnenkomst de sneeuw van hun schoenen of verruilden bij de garderobe hun sneeuwlaarzen voor lakmolières of elegante pumps. Het was als in een oude Kerstfilm.

In het programmaboekje stond het hele kerstverhaal in aria’s, recitatieven en koorzangen bij elkaar. Dankzij de helder articulerende zangers en een gortdroge akoestiek was de tekst nog te volgen ook. Aan niets viel te merken dat Bach en zijn librettist ook maar zelfciterende schnabbelaars waren.

Bach was een veelschrijver voor kerkdiensten, feesten en partijen. Hij schreef de hele kerkelijke kersttijd tot en met Driekoningen aan elkaar en deinsde er daarbij niet voor terug om een cantate voor de verjaardag van een keurvorstin om te schrijven naar een jubelstuk bij de geboorte van Christus.

Stemvorkvormige kolommen

Aan niets viel te merken dat we hier in een cultureel noodgebouw zaten. Een resultaat van jarenlang gesteggel over de toekomst van de cultuur in het Haagse stadcentrum. De Dr. Anton Philipszaal en het Lucent Danstheater aan het Spui waren destijds op een koopje gebouwd en na dertig jaar al rijp voor sloop.

Er kwam een duur plan voor een nieuw Spuiforum, er kwam een goedkoper plan voor een Spuiforum, het Spuiforumplan ging aan de kant en er kwam een integraal plan voor een Spuikwartier. Het ministerie van Justitie, imposante woontorens, een danszaal, een residentie voor het Residentieorkest, een hotel en een plint vol horeca en winkels: alles in één plan.

Er wordt inmiddels gebouwd dat het een aard heeft, maar ook is er opnieuw gezanik. Deze keer is het de welstandscommissie die moeite heeft met de detaillering van de stemvorkvormige gevelkolommen van het Onderwijs- en Cultuurcomplex (OCC).

Architect Jo Coenen wil er niks meer mee te maken hebben, maar blijft wel supervisor bij de hele gebiedsontwikkeling van het Spuikwartier. Eerder dit jaar werd al bekend dat de bouw van het cultuurcentrum 31 miljoen meer gaat kosten dan gepland en een jaar later zal worden opgeleverd, namelijk na de zomer van 2021.

Zo mooi wordt het nooit meer!

En dan, als de abonnementhouders van het Residentieorkest van Scheveningen weer terug zijn aan het Spui, zullen ze klagen dat vroeger alles beter was. Dan zullen de gepensioneerde automobilisten – het profiel van de gemiddelde bezoeker van een klassiek concert – herinneringen ophalen aan de tijd van het Zuiderstrandtheater. Zij hoeven niet meer zo nodig in de autoluwe binnenstad te borrelen voor het concert of te souperen na het concert. Zij willen met de auto naar het theater, in de pauze een glaasje en na het einde snel als eersten naar de garderobe voor de jassen. Bejaard ongeduld dat veelal wordt aangezien voor een aanhoudende staande ovatie. ‘Weet je nog dat Weihnachtsoratorium in de sneeuw? Uitzicht op de schepen, het duin en gratis parkeren! Nee, zo mooi als in het Zuiderstrandtheater wordt het nooit meer!’

Ik wens u een fijn uiteinde en een mooi begin.

Bas van Horn

Deze column werd op 19 december 2018 geplaatst op ROmagazine.nl 

Landjepik of occupatio

Honderdduizenden Nederlanders pikken gemeentegrond in. Een strookje van het plantsoen, het stukje langs het pad, het onbebouwde hoekje van de straat. Björn Hoops van de Rijksuniversiteit Groningen deed er onderzoek naar en De Volkskrant wijdde er begin deze week een artikel aan met fraaie foto’s. Wie kan aantonen dat hij de grond al minstens twintig jaar in gebruik heeft, maakt bij de rechter goede kans niet alleen gebruiker, maar ook officieel bezitter van de grond te worden. Vooral als hij zijn verovering heeft gemarkeerd met een schutting of paaltjes. Doe het stiekem, zou je denken. Maar nee, brutaalweg omheinen geeft de beste kansen. Waarom dat zo is, beschreef de krant niet. Toch blijkt het al vele eeuwen zo te werken.

Landjepik zie je overal en niet zelden knapt de omgeving ervan op. Afhankelijk van de politieke overtuiging wordt dat geweten aan teruglopend onderhoud van het publieke groen door de gemeente of het ‘feit’ dat mensen nu eenmaal beter zorgen voor hun eigen spullen dan voor die van ons allemaal.

Boerderijtje spelen

Ik ken mensen – ik noem geen namen – die in de bijgetrokken groenstrook boerderijtje spelen. Maar zelf moet ik hier ook mijn vinger opsteken. De vorige eigenaar van ons huis markeerde de grens van de tuin een centimeter of vijftig over de rooilijn met een forse plantenbak waarin nu stevige bomen en struiken tot diep in de ondergrond groeien. Ik verving de bak maar ben niet teruggegaan naar de oorspronkelijke erfgrens.

Toen de gemeente de wijk kwam herbestraten, vreesde ik aan de lat te staan voor een ingrijpende tuin make over. Dat bleek mee te vallen. De informatiebrief van het stadsdeel sommeerde ons obstakels weg te halen opdat strak langs de rooilijn bestraat kon worden. Tenzij we schriftelijk zouden melden dat we de bestaande situatie wilden behouden. Dat wilden we en het trottoir werd keurig rond onze uitbouw bestraat. Ik kan best een verhaal houden over de kwaliteit van een meanderende rooilijn, maar een beetje schuurt het wel. Wie minder assertief was, heeft nu een kleiner tuintje.

Reeds de Romeinen

‘Occupatio of toeëigening is eene ook reeds in het Romeinsche Regt bekende wijze van eigendomsverkrijging’, schreef de Winkler Prins encyclopedie in 1870. Om vervolgens uit te leggen dat het een zaak is van bemachtigen, in bezit nemen en het daarmee tot het jouwe maken. Het is wel nodig dat de zaak in kwestie niemand toebehoort omdat het nooit van iemand was of door zijn eigenaar is verlaten.

Wat de Romeinen konden, deden ook de pioniers in het Wilde Westen van Amerika aan het einde van de negentiende eeuw. Zij namen bezit van het land, zetten het af met het net uitgevonden prikkeldraad en waren grootgrondbezitter. De veeboeren die met hun kuddes over de prairie trokken hebben zich nog een tijdje verzet, de oorspronkelijke bewoners hadden al helemaal het nakijken. Zie Lucky Luke volume 29 ‘Prikkeldraad in de prairie’.

Occupatio in de naoorlogse nieuwbouw

Een kleine veertig jaar geleden beriep een kraker en rechtenstudent zich tegenover mij ook nog eens triomfantelijk op de occupatio, maar van de groenstrookjes in onze naoorlogse woonwijken kun je toch moeilijk volhouden dat ze geen eigenaar hebben of zijn verlaten door hun baasje. Zo erg is het met de plantsoenendiensten nu ook weer niet. Toch gaat de rechter bij zaken over ingepikte stukjes groen in zijn beoordeling terug op dit gedachtegoed over eigendom.

Je moet kunnen aantonen dat je de grond al twintig jaar in ‘bezit’ hebt. En wat is ‘in bezit hebben’? Niet dat je er een bonnetje van hebt, maar dat de ‘bezitter’ ondubbelzinnig heeft gehandeld als ware hij eigenaar. En hoe doe je dat? Door je verovering af te schermen met een schutting of omheining! Dat wordt tuinhout plaatsen of grenspalen met een robuuste ketting ertussen. Dat telt ook, denk ik. Vraag maar aan de rechter.

Bas van Horn

Deze column werd op 30-11-2018 gepubliceerd bij romagazine.nl

De olifant in de kamer

Volgens de een liggen we met onze wind-, zon en andere duurzame plannen uit het Klimaatakkoord aardig op koers, volgens de ander weten we nog geen druppel op de gloeiende plaat te laten sissen. Maar er blijft in het nationale klimaatdebat ook iets onbesproken. Het IPCC gaat in zijn jongste rapportage – waarvan we ons allemaal weer zijn rotgeschrokken – ook uitgebreid in op kernenergie om de uitstoot van CO2 terug te dringen. Discussiëren over kernenergie doen we niet, het is onze olifant in de kamer.

Waarom dat zo is werd duidelijk tijdens de bijeenkomst ‘Does The World Need Nuclear Power?’ op maandagavond 22 oktober in het Amsterdamse debatcentrum Pakhuis de Zwijger. Wat bedoeld was als een debatavond over kernenergie nu de klimaatverandering wel erg urgent lijkt te worden, pakte anders uit.

Geen opponenten gevonden
De moderator van dienst had de ondankbare taak om aan te kondigen dat er geen tegenstanders van enig formaat waren gevonden om het op te nemen tegen ecomodernist Michael Shellenberger en zijn side-kick, hoogleraar Jan-Leen Kloosterman van de TU Delft. Of dat aan de tegenstanders of aan de programmeur van de avond lag, liet hij wijselijk in het midden. Op zijn vraag wie in de zaal pro-kernenergie was, stak tachtig procent van de aanwezigen zijn hand op. Slechts een enkeling durfde zich te bekennen als tegenstander. De rest hield zijn mond.

Jan-Leen Kloosterman gaf prettig nuchter aan waarom alleen een energiemix met kernenergie in staat zou zijn om op een betaalbare manier aan de onontkoombaar groeiende energievraag tegemoet te komen zonder de 1.5-gradendoelstelling te laten mislukken. Hier was weinig plaats voor bewustwording, eco-alternatieven en consuminderen. Dit ging over harde cijfers van een groeiende wereldbevolking en een groeiende welvaart.

Daarna ging Shellenberger los en het was al snel duidelijk waarom maar weinig anti-activisten het tegen deze fanatieke bekeerling willen opnemen. Want Shellenberger was ooit zelf een linkse milieuactivist en tegenstander van kernenergie, maar nu kiest hij met hetzelfde vuur de andere kant met zijn beweging Environmental Progress.

Het vuur van de bekeerling
Alle argumenten pro komen in sneltreinvaart langs en alle ‘drogredenen’ van de tegenstanders worden ontkracht. De Duitse energie is sinds de ‘atomausstieg’ twee keer zo duur als de Franse, er vallen meer doden door ongelukken in de windindustrie dan in kerncentrales, het afval slingert niet rond maar wordt compact en veiliger opgeborgen dan gewoon chemisch afval, oude accu’s en zonnepanelen vol metalen. Kernafval als grondstof voor een vuile bom is een onzin scenario, in Tsjernobyl vonden achtentwintig brandweerlieden de dood en vielen vijftien straling gerelateerde doden, in Fukushima zelfs niet een. Daar vielen alleen slachtoffers door natuurgeweld, angst, paniek en een onnodige evacuatie.

Waarom willen we het rationele verhaal niet horen? Omdat we bang zijn voor kernenergie, analyseert Shellenberger. Omdat het gekoppeld is aan de angst voor de kernbom – met dank aan Robert Oppenheimer en Albert Einstein – en omdat er mensen zijn die helemaal niet willen dat we kunnen beschikken over energie in overvloed. Shellenberger wijst op de sociaal-darwinistische en soms zelfs racistische ondertoon in pleidooien voor leven met de natuur, zonder betaalbare energie en dus met minder mensen.

Geen ruimte, wel koelwater
Ik geloof niet dat die ideologische categorie van argumenten in Nederland een grote rol speelt. Angst wel. Die angst zorgt er volgens de pleitbezorgers voor dat we extreme veiligheidseisen stellen aan technieken die al vele decennia bewezen veilig zijn. Daarom kunnen exploitanten hier geen standaard kerncentrale bouwen zoals ze in Frankrijk, China, Korea of desnoods Rusland draaien. Daarom kan exploitatie in Nederland niet uit.

Maar belangrijker nog: iedere exploitant vreest de publieke opinie die nooit zal stoppen om veilig, veiliger, ‘inherent veilig’ te eisen. Altijd zijn er bezwaren en het voorzorgsprincipe. Zoals bij de vragen aan het slot van de bijeenkomst. ‘Is het dichtbevolkte en overstromingsgevoelige Nederland wel geschikt voor kernenergie?’ Ja juist, zegt Kloosterman: ‘Wij hebben geen ruimte voor al die wind- en zonneparken, maar we hebben overal koelwater bij de hand.’

Dit blog werd eerder gepubliceerd op romagazine.nl

Blinde vlek of natuurverschijnsel

Het bevolkingsvraagstuk is weer terug op de agenda. Dat is te danken aan hoogleraar en publicist Paul Scheffer en aan Jan Latten die na zijn pensionering als hoofddemograaf bij het CBS niet langer met meel in de mond spreekt. ‘We moeten het er maar eens over hebben met hoeveel we hier in dit land willen zijn.’ Terecht merkten de Amsterdamse politicologen Bonjour en Ersanilli in hun ingezonden stuk in de Volkskrant van 2 oktober jl. op dat ze het eigenlijk willen hebben over wie we willen zijn als volk. De bevolkingssamenstelling is het werkelijke issue en niet de omvang. Anderen zien trouwens in beide thema’s geen relevant onderwerp.

Bevolkingsscenario’s
Vol was dit land altijd al, volgens sommigen. En anders zou het snel te vol worden. De maximale nationale voedselproductie werd daarbij lang als een absolute grens gezien. Dat soort grenzen zijn steeds verder opgeschoven. Zorgen over de bevolkingsomvang zijn er nog steeds. Als het niet uit oogpunt van voedselvoorziening is, dan wel vanwege de druk op moeder aarde, het teloorgaan van de diversiteit aan beesten en planten, de woningnood of de erosie van nationale samenhang en identiteit. Er is dus altijd een ander issue dan de omvang van de bevolking zelf, dat maakt dat we de bevolkingsaanwas willen beteugelen.

Dat het tot nu toe bij bevolkingsrampscenario’s meestal niet zo’n vaart liep, wil niet zeggen dat de rek er niet uit kan. En los daarvan is er geen reden om de bevolkingsomvang en -samenstelling niet ter discussie te willen stellen. We hebben geleerd dat onze prognoses en aannames over bevolkingsontwikkeling doorgaans niet uitkomen, maar daarom hoeven we de problematiek nog niet als een natuurverschijnsel te beschouwen, menen Latten en Scheffer.

Scheffer, zo legt hij uit in NRC, heeft het CBS gevraagd een paar andere bevolkingsscenario’s door te rekenen dan de jaarlijkse netto groei van 31.000 die het CBS zelf voor het meest plausibel houdt: een scenario met migratiesaldo nul, een groei met tienduizend per jaar en eentje van jaarlijks netto vijftigduizend zielen erbij. Tussen de laagste en de hoogste variant zit een verschil van bijna vier miljoen mensen in 2060.

Omvolkingscomplotten
Nulgroei betekent krimp, maar dat zeggen de populisten er niet bij, want krimp zorgt voor lastige problemen. Meer kosmopolitische partijen die voor ruimhartige migratie- en asielpolitiek kiezen, zeggen er niet bij dat de bevolking dan zal groeien tot bijna twintig miljoen, waarvan 7.4 miljoen met een migratieachtergrond. Blijkbaar vindt Scheffer dat veel, want hij zegt het er wel speciaal bij.

Toch kiest Scheffer niet, maar laat zien dat er wat te kiezen valt. Als we gaan debatteren over beheersbare en voorspelbare migratie en asiel, zoals Scheffer bepleit, dan verlaten we wel de internationaal vastgelegde rechten van migranten en asielzoekers als uitgangspunt ten gunste van een nationale besluitvorming over bevolkingspolitiek. Dat zegt Scheffer er dan weer niet bij. Het kan. Dat doen beschaafde volkeren als de Canadezen, straks de Britten en waarschijnlijk de Duitsers ook.

Zelfs wie niet in omvolkingscomplotten of het inherente kwaad van de Islam gelooft, kan zich zorgen maken over bevolkingsgroei door immigratie. Dat Scheffer en Latten dat doen over de band van de bevolkingsomvang, is waarschijnlijk vooral te begrijpen als een poging om niet besmet te raken met het ‘Hans Janmaat-virus’. Een besmetting die je nog altijd de kop kost in de spraakmakende gemeente. Niet voor niets put Scheffer zich uit om alle mogelijke vormen van westerse, niet-westerse, legale en niet-legale migratie en vlucht naast elkaar te zetten.

Blinde vlek of natuurverschijnsel
Ondertussen is duidelijk dat de migratiepolitiek de Europese landen uit elkaar blijft spelen, terwijl dat falen uiteindelijk vooral neerslaat in de steden en de plaatsen die als eerste opvang of springplank naar gewilde bestemmingen fungeren.

Toch lijken de stedenbouwkundige- en planologische gemeenschappen in een aantal van die steden weinig urgentie te zien in de thematiek. Zo geeft een verslag van de internationale conferentie Up Close & Liveable van afgelopen zomer in onze hoofdstad als belangrijke prioritaire thema’s van Amsterdam, Barcelona en Parijs: de druk op de openbare ruimte, de stress door massatoerisme, verdichting, duurzaamheid en klimaatbestendigheid. Migratie lijkt een blinde vlek of wordt – anders dan het massatoerisme – als een natuurverschijnsel beschouwd.

Bas van Horn

Deze bijdrage werd gepubliceerd op ROmagazine.nl 10 oktober 2018

Klimaatdilemma’s in treinmetaforen

‘Alle seinen staan op groen’, jubelde Hans Mommaas, directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving in zijn opening van de Nacht van de Leefomgeving op 6 september jongstleden. Duurzaamheid leeft, de samenleving staat ‘in de doe stand’, de kabinetsplannen zijn groener dan ooit. Nu is het zaak om ‘door te pakken’. Niks te vroeg, want ga maar na: om onbeheersbare temperatuurstijging te voorkomen moeten we naar bijna zero CO2 emissie in 2050 en wie dan terugrekent, komt met de huidige vorderingen al behoorlijk in tijdnood.

Uitrollen die handel, zou je denken na zo’n introductie. Maar nee, zo eenvoudig is het niet. Mommaas stelt ook dat we moeten aansluiten bij ‘wat leeft onder burgers, bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties’. Op zoek gaan naar ‘gemeenschappelijke belangen en meekoppelkansen’. Aandacht hebben voor ruimtelijke kwaliteit en vooral ‘een goede verdeling van lusten en lasten’. Je hoort als het ware de eerst keihard opgepompte koerstubes sissend leeglopen.

Buma’s opstand
Als vervolgens Bas Heijne er in zijn gesproken column Sybrand Buma bij haalt, is de toon gezet: het gaat vanavond over draagvlak. Heijne wist nog dat de CDA-leider in april van dit jaar had gewaarschuwd voor het klimaatbeleid als een nieuwe arena voor de clash in onze verdeelde samenleving. De gesubsidieerde Tesla’s met een gegarandeerde parkeerplek versus de tien jaar oude Suzuki zonder. De eigen-huis-bezitters met warmtepomp tegenover de corporatiehuurders met een fors hogere energierekening.

Heijne neemt de boutade van Buma niet helemaal over, hij geeft er zijn eigen draai aan: ‘te vaak wordt vergeten dat zoveel mooie idealen voor een mooiere, betere, schonere wereld als accessoires van de heersende klasse worden gezien’. Wat je daarmee moet, weet Heijne ook niet. Hij oppert de onderliggende klasse te waarschuwen: ‘dat wat veraf lijkt is in werkelijkheid gevaarlijk dichtbij’.

Doorduwen of draagvlak
Alle seinen staan op groen, maar de machinisten weten niet hoe ze de trein in beweging moeten krijgen. Staatssecretaris Stientje van Veldhoven houdt een peptalk met goede voorbeelden en de aansporing om ‘mensen onderdeel te maken van de oplossing’. Hans Mommaas waarschuwt op het eind van de bijeenkomst ook zijn eigen PBL voor een ‘eenzijdige benadering waarin de nadruk ligt op processen en technieken in plaats van mensen en hun betrokkenheid’.

Men komt op deze avond niet zo goed uit het dilemma: doorduwen of draagvlak zoeken. Dat zit hem onder andere in het feit dat de doelstelling tegelijk de strategie is: we moeten in 2050 op bijna nul CO2-uitstoot komen, dus in 2020. Maar zo werkt het niet.

Het was een goede zet van de organisatie van de Nacht van de Leefomgeving om de directeur van het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid naar het Amsterdamse Pakhuis De Zwijger te halen. Hij liet zien hoe je een meer incrementele weg kunt bewandelen zonder in paniek te raken over de uitkomst die openlijk ongewis is, terwijl de doelstrategie even ongewis is, maar het daar niet over heeft.

Vijf jaar, daarna zien we verder
Oud-wethouder Marco Pastors wil Rotterdam Zuid binnen twintig jaar op het niveau van een gemiddelde grote stad brengen waar het gaat om onderwijs, wonen, werken en zorg. Dat is een enorm karwei. Juist om te onderzoeken of te bewijzen dat het ook hier kan, heeft de regering dit gebied aangewezen als proeftuin aardgasvrije wijken.

Pastors: ‘Op Zuid hebben mensen al veel moeite om hun gezin draaiende te houden. Als je die bewoners vraagt de portemonnee te trekken om het huis te verduurzamen, krijg je weerstand. Een groot deel van die rekening kan best betaald worden door de corporaties. In ieder geval de eerste vijf jaar. Daarna zien we wel hoe iedereen ervoor staat’.

Bas van Horn

Deze blog werd op 20 september 2018 geplaatst op romagazine.nl

Tellen en vertellen

‘We moeten de facts en figures voor dit verhaal scherp hebben. Er mag geen speld tussen te krijgen zijn.’ Het waren vaak beleidsdirecteuren of hun medewerkers die mij op deze manier meenden te moeten helpen bij het schrijven van een belangrijke speech voor de minister of staatssecretaris. De bewindspersonen op het ministerie van Wonen, Ruimte en Milieu (destijds VROM) zaten er zelf meestal wat relaxter in. Zij voelden wel aan dat het vooral om een overtuigend verhaal gaat. De feiten en de cijfers spreken immers zelden voor zichzelf.

Zeker in het ruimtelijk domein moeten beleidmakers en (speech)schrijvers de feiten en cijfers doen spreken. Kaal zeggen ze ons niks. Je kunt je er al meer bij voorstellen als we omvang, volume en getallen vatten in aansprekende vergelijkingen (voetbalvelden, gevulde zwembaden, rondjes rond de aarde). Daarnaast moeten we de feiten waarderen: vertel de lezer of toehoorder wat hij ervan vinden moet. Is het veel of weinig, meer of minder, te veel, te weinig?

Cijferaars versus verhalenvertellers
Dat is meteen ook een belangrijke notie (naast veel meer!) uit het deze zomer verschenen essay ‘Gevoel voor getallen, een zoektocht naar de politieke en psychologische dimensies van tellen in beleid’, een publicatie van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB). Ilsa de Jong en haar medeauteurs verkennen daarin de strijd tussen cijferaars (factfinders) en verhalenvertellers (feiten zijn ook maar een mening) om te komen tot de conclusie dat hier geen sprake is van een echte tegenstelling. Vooronderstellingen (frames) en verhalen gaan vooraf aan cijfers en cijfers vertellen en onderbouwen het verhaal.

Aanvankelijk lijken De Jong c.s. in de voorbeelden vooral de kant te kiezen van de factfinders. Bijvoorbeeld in de casus van de Rotterdamse ondernemers die in 2025 de World Expo naar Nederland wilden halen. Zij zagen een potentieel van meer dan veertig miljoen bezoekers, honderdduizend nieuwe banen, vijftigduizend stageplaatsen en een economische impuls van veertig- tot vijftig miljard euro, verspreid over een periode van twaalf jaar.

Het Ministerie van Financiën kwam echter tot een negatief saldo van een half tot een heel miljard, met daarbovenop zeshonderd miljoen voor infrastructuur. De cijfers van de Rotterdammers werden weggezet als een frame over ‘een vliegwiel voor de Nederlandse economie’, dat door de kille rekenmeesters van het Rijk (terecht) werd afgeschoten. Het lijkt deels een verteltruc van de auteurs, want daarna komen de kanttekeningen bij de cijfermatige benadering des te beter uit de verf.

Woorden en verhalen hebben een sterk scheppende werking, stelt het essay.  Zo identificeerde het kabinet in 2016 de categorie ‘onzichtbare jongeren’. De groep zonder startkwalificatie, baan of uitkering waardoor ze in de overheidssystemen ‘onzichtbaar’ blijven. Het benoemen van de categorie maakt het mogelijk om te gaan tellen en beleid te ontwikkelen. Het verhaal van de jeugdwerkloosheid is daarmee definitief veranderd.

Een prachtig allitererend rijtje
Het voorbeeld laat ook zien dat er verhalen en keuzes schuilgaan achter de cijfers. Wat telt mee en wat blijft buiten beschouwing? Wanneer wordt er geteld en hoe vaak? De aannames en de methoden vormen de basis voor het cijferframe dat het verhaalkader- dat er al lag – verder invult. De stelling is dus niet, benadrukken de auteurs, dat cijfers alleen duiding krijgen door middel van verhalen, maar dat het samenspel tussen tellen en vertellen evengoed andersom verloopt.

Wat volgt is een hoofdstuk over de politieke- en machtsvragen rond cijferen en tellen (wie telt, hoe en waarom?) en vervolgens de psychologie van cijfers (€ 3,99 is een stuk goedkoper dan € 4,- en we kiezen als gift voor het goede doel meestal de middelste van de drie geboden opties). Om alles bij elkaar te brengen, komen de auteurs met een prachtig allitererend rijtje dimensies van de praktijk: benoemen, begrenzen, berekenen, beoordelen en beïnvloeden.

Bij het benoemen gaat het om constructies zoals in het voorbeeld van de ‘onzichtbare jongeren’. Met het benoemen van een categorie is impliciet al aangegeven dat het ertoe doet, dat deze bestaat en dat ‘het telt’. Het gaat in het essay om eerder niet benoemde fenomenen, maar ik meen dat het ook kan gaan om het anders waarderen of reframen van verschijnselen. Zo wordt verstedelijking verstening, worden klimaatsceptici, klimaatontkenners en zijn overstromingsslachtoffers voortaan klimaatslachtoffers die je kunt turven om een plaatsje te krijgen in berekeningen van leed en schade.

Wat tellen we mee en wat laten we buiten beschouwing? Bij het begrenzen gaat het om het proces van definiëren, ordenen en categoriseren. Ook geen waardevrije exercitie. Wie is een ‘onzichtbare jongere’ en wie spijbelt van school? Wie is een schadegeval door hoog water en wie is een klimaatslachtoffer? Hoe lang of kort maken we de meetreeks? Kiezen we net het stuk dat de urgentie van ons verhaal bevestigt of niet?

Wie schrijft die blijft
Dan het berekenen, tellen als het kwantificeren van de kwestie. Welke methode kiezen we? Gaan we berekenen of meten? Gaan we uit van modellen en extrapolaties of telt alleen wat we nu en hier waarnemen? Mij viel een voorbeeld in. Op grond van de modellen vallen er in ons land jaarlijks achttienduizend fijnstofdoden, maar niemand betreurt er een in zijn omgeving. We kennen wel mensen die bezweken aan hart- en longaandoeningen.

Bij het beoordelen gaat het om het betekenis geven. Wat als de meting of berekening is uitgevoerd? Cijfers zeggen ons niet zoveel, zei ik in het begin van dit stukje al. Ze hebben context nodig: is het veel, weinig, meer, minder, te weinig of te veel? We kunnen ze daarvoor afzetten tegenover andere getallen. Welke andere getallen we daarvoor kiezen is weer een kwestie van politiek en strategie. De Brexiteers maakten goede sier met de retorische vraag of de EU-afdracht niet beter besteed zou zijn aan de zieltogende National Health Service (NHS).

Ten slotte gaat tellen ook over het verdelen van macht of het beïnvloeden van keuzes. Wie telt wat en waarom. Hoe transparant de overheid zich ook opstelt, het is de teller die bepaalt welke actoren in stelling worden gebracht en welke niet. Wie zich kritisch tegenover de teller opstelt, heeft altijd een Uphill Battle. Het is al snel het ‘commentaar van de verliezer’. Kortom, zoals iedere klaverjasser weet: wie schrijft die blijft.

Dat is niet per se in het voordeel van de teller. Waar de overheid worstelt met het draagvlak voor beleidsbeslissingen, bijvoorbeeld rond de ruimtelijke impact van de energietransitie in de meer perifere delen van ons land, daar is een strakke MKBA niet genoeg. De cijfers zullen altijd worden bevraagd als de opgaven en de aannames niet worden gedeeld en – zo voeg ik daar graag aan toe – belangrijke sentimenten en ervaringen buiten beschouwing blijven.

Bewoners tellen en meten zelf
Eind 2017 besluit het Agentschap Telecom een aantal extra metingen te doen in Noord-Nederland, nadat veel klachten waren binnengekomen over de bereikbaarheid van 112. De bereikbaarheid bleek prima (99,6%), maar dat wist de klagers niet te overtuigen. Er kwamen vragen bij de methode, de verwerking van de resultaten en bovendien: je zult maar net onwel worden in het bos zonder bereik. Die 0,4% zijn wel echte mensen!  Zo ontstaat een discussie over cijfers en metingen, waar het moet gaan over de gevoelens van achterstelling in het Noorden en het daadwerkelijk teruglopen van het voorzieningenniveau.

Niet altijd laten bewoners het erbij zitten, ze slaan steeds vaker zelf aan het meten. De Groninger Bodem Beweging meent dat de aardschokken in Groningen in intensiteit toenemen, terwijl de NAM dat op grond van haar metingen bestrijdt. Het leidt tot de oprichting van het Open Seismisch Sensor Grid (ossg) waarin burgers samen met een aantal Groninger bedrijven een meetnetwerk opzetten. Daarmee blijkt het nog geen uitgemaakte zaak wie nu gelijk heeft. Er ontstaat een ingewikkelde discussie over hoe de meetgegevens zich tot elkaar verhouden.

Als bijna altijd beslecht het tellen ook hier de discussie niet, maar doen de cijfers er wel toe. Ik laat de specifieke casus van de Groninger gaswinning nu verder los, want daar is op een tragische manier al veel vertrouwen verloren, gewonnen en weer verloren.

Tegengeluid of bruikbare burgerkennis
Een begin van een oplossing ligt bij dit soort onderwerpen onder meer in joint-factfinding missions. Dat is nog niet eenvoudig, want voor je het weet vechten partijen elkaar de tent uit. Om te voorkomen dat verschillen in waardenoriëntatie, wederzijds wantrouwen en onbegrip worden omgezet in strijd over meetmethoden en teltechnieken, moet eerst een gedeelde basis gevonden worden. Een proces van brede verkenning van de opgave met alle mogelijke stakeholders die leidt tot een gedeeld idee en een gedeelde taal over wat er moet gebeuren en waarom. Pas daarna weet je welke feiten je zoekt en kun je met elkaar bedenken hoe die het best te vinden.

Niet overal is het nodig zo’n zwaar traject op te tuigen. Er is al veel gewonnen wanneer – met name overheden – in staat en bereid zijn alternatieve feiten en gegevens, niet als oppositionele kennis te beschouwen. Zie het als een verrijking van de opgave en mogelijke oplossingsrichtingen. Dat gebeurt op veel plaatsen ook al. Denk aan burgervisitatiecommissies, mystery guestst en de wederzijdse beoordelingen geïnspireerd op de praktijken van Airbnb en Uber.

In het boek ‘Kennisdemocratie’ (2010) van Roel in ’t Veld en coauteurs – dat ook door Van Twist en de zijnen wordt aangehaald – staat al een pleidooi om het potentieel aan beschikbare maatschappelijke kennis zo goed mogelijk te benutten. Ook al omdat de overheid niet langer het monopolie op de echte cijfers en de ware kennis heeft. Daarvoor zijn we tegenwoordig te goed opgeleid en ontsluit het internet te veel voorheen exclusieve kennis.

Het essay ‘Gevoel voor getallen’ bouwt voort op dat inzicht en wil een aanzet zijn tot verdieping, voorbij de tegenstelling facts en figures tegenover de verhalenvertellers. Speech- en tekstschrijvers zoals ik, zullen vervolgens nog steeds aansprekende voorbeelden en vergelijkingen moeten vinden om het gedeelde verhaal werkelijk voor het voetlicht te krijgen.

Bas van Horn

Dit artikel verscheen eerder op Romgazine.nl d.d. 5 september 2018

Gevoel voor getallen, een zoektocht naar de politieke en psychologische dimensies van tellen in beleid. NSOB 2018 ISBN: 978-90-75297-79-9. Auteurs: Ilsa de Jong, Mark van Twist, Daphne Bressers, Jorgen Schram.

‘Vraag niet van de stad dat hij jou weerspiegelt’

Begin jaren tachtig van de vorige eeuw las ik met mijn leesclubje The Fall of Public Man van Richard Sennett. Een boek over de pleinen en koffiehuizen van de achttiende eeuw en hoe iedereen (nou ja, de mannen met een mening dan, maar wel ongeacht rang of stand) elkaar daar ontmoette in de publieke ruimte. Sindsdien is de gebouwde omgeving en (de teruggang van) het publieke leven het thema van Sennett. Hij las de afgelopen veertig jaar een welgevulde bibliotheek, schreef zelf een plank vol boeken en verruimde zijn blik in Latijns-Amerika, Afrika en Azië tijdens werk voor de VN en later Unesco. Dat alles komt nu samen in Building and Dwelling, Ethics for the City.

Het boek gaat over de fysieke stad van gebouwen en structuren (Ville) en de stad als habitat van mensen (Cité). Aan het eind is zijn advies aan zowel stedebouwers als stedelingen: wees bescheiden, wees terughoudend. Dan is er ondertussen wel ruim tweeduizend jaar beschaving langsgetrokken, zijn er voorbeelden van over de hele planeet beschreven en heeft Sennett zijn eigen ontwikkeling geschetst. Ik pik er een paar dingen uit.

Richard Sennett en Jane Jacobs

Als jongeman was Sennett een Jane Jacobs adept. Zij was de stadsactiviste die het opnam tegen de modernisten die de oude binnensteden wilden slopen voor kantoren en snelwegen. Zij was van de menselijke maat, de buurt, de organisch groeiende mix van wonen, winkeltjes en werkplaatsjes in de plint. Zeg maar Greenwich Village New York in de jaren zestig of de gegentrificeerde wijken à la De Pijp in Amsterdam anno nu. Nog altijd is Jacobs de moeder van alle jonge progressieve stadmakers.

Sennett groeide weg van Jacobs. Haar persoon en inzichten bleven hem dierbaar, maar hij zag ook dat Greenwich Village niet de oplossing was voor de favela’s in Latijns-Amerika of de snelgroeiende megasteden in Afrika en Azië. Drastisch ingrijpen kan werken en plannen kan noodzakelijk zijn.

‘Drastisch ingrijpen kan werken en plannen kan noodzakelijk zijn’

De kabelbaan die de benedenstad van Medellín in Colombia verbindt met de levensgevaarlijke en uitzichtloze sloppen hoog tegen de berg bleek zo’n interventie die werkt. De bibliotheek – ontworpen door een ster-architect en in zwarte dozen geplakt tegen de bergwand – is een pompeus gebaar van verheffing van de onderklasse, maar de bewoners zijn er trots op en het is een bron van kleine nering zoals het gidsen van toeristen.

De Chinezen kleunen soms mis met hun uitrol van hele wolkenkrabberwouden op de plek van oude buurten. Een echo van de naoorlogse vernieuwingsdrang in het Westen, maar ook collateral damage van noodzakelijke planning voor supersnel groeiende steden. Een traditie van creatieve destructie bovendien die in China vele Keizerdynastieën teruggaat. Een geschiedenis waarin heersers de gebouwde nalatenschap van en herinnering aan hun voorgangers met de grond gelijk maakten. Ook voor leuke weetjes moet je bij Sennett zijn.

De stad in flux

Maar Richard Sennett, levensgezel van de al even beroemde sociologe en stadsdenker Saskia Sassen, is altijd een romanticus gebleven. Een man met oog voor wat kitsch is en waar in zijn ogen de ontworpen stad (Ville) werkelijk organisch groeit naar een onbedoelde gemeenschap (Cité).

Hij vertelt hoe de Chinese Madame Q, een getekend tweedegeneratie slachtoffer van de Culturele Revolutie, van betonspecialiste tot stadsplanner uitgroeide en spijt kreeg van de rigoureuze sloop van oude wijken. Wat gespaard bleef, restaureert ze nu of bouwt ze terug. Het resultaat is kitsch, in gebruik bij de Chinese yuppen van vandaag.
Sennett vertelt ook over Nehru Place in Delhi. Het dak van een ondergrondse parkeergarage als plein, geflankeerd door kantoren. De gebouwen bleven of kwamen leeg en het plein bleek met zijn vlakke en droge ondergrond bij uitstek geschikt voor een informele markt. Het werd de plek voor goedkope elektronica. Restpartijen, schadegevallen en gestolen waar, maar ook reparaties en inventiviteit. De kantoren werden steeds vaker ingenomen door computerbedrijfjes en ontwikkelaars. Een Indiaas Silicon Valley was geboren.

Mister Sudhir, een gewiekste marktkoopman op leeftijd die zijn normen en waarden voor thuis bewaart, weet dat hij op het plein uit de markt gedrukt gaat worden. Maar hij beklaagt zich niet. Mr. Sudhir weet dat de stad in flux is en dat er elders een nieuwe Nehru Place zal ontstaan waar hij opnieuw kan proberen zich een plek te verwerven.
Ondertussen ziet Sennett hoe de jonge hardware specialisten en software ontwikkelaars de oude eethuisjes blijven frequenteren. Een organische, onbedoelde, maar gelukkige blend van nieuw en oud in steen en stadsleven. Zo zien Sennett en Jacobs het graag.

‘Vraag niet van de straat dat hij jou weerspiegelt’

Terughoudendheid als modus

Op dezelfde manier, maar dan anders, ziet Sennett zo’n mix in de Berlijnse Kantstrasse. Een lange bescheiden straat die weinig markante gebouwen telt, maar wel de geschiedenis van de stad weerspiegelt in de bebouwing uit verschillende perioden en de littekens van oorlog en scheiding in Oost en West. Een straat waar migrantengemeenschappen en oudere autochtone Berlijners hun plek hebben. De plek ook waar Sennett na zijn beroerte herstelde door het maken van lange wandelingen.

Wanneer hij, bevangen door vermoeidheid of duizelingen, met zijn rug tegen een pui gedrukt stond, werd hij door passanten niet geholpen. Hij zag het niet als gebrek aan wellevendheid of empathie, maar als terughoudendheid. Hier taxeerden passanten elkaar. Vraagt deze situatie om onmiddellijk ingrijpen of niet? Zijn tienjarige gids had hem ooit in dezelfde modus door de bovenstad van Medellín geloodst. Hier in de Kantstrasse was men gewend aan verschillende gewoonten en oudere mensen die soms even tot zichzelf moeten komen om daarna hun weg te vervolgen.

‘Smart Cities, Green Cities en Healthy Cities met een ongetemperd ideaal zijn gedoemd te falen’

Vraag niet van de straat dat hij jou weerspiegelt, wees blij met de bescheiden straat die je een plek gunt. Verwacht niet dat je een ideale stad of straat kunt bouwen. De gesloten gemeenschap van de gated community isoleert zichzelf van de samenleving. Smart Cities, Green Cities en Healthy Cities met een ongetemperd ideaal zijn gedoemd te falen. Of te slagen, wat nog erger is. Want dat betekent een gedresseerde stad waar iedereen op dezelfde manier moet proberen gelukkig te worden.

Vijf keer openheid

Planning is een hachelijke onderneming, maar om minimale voorwaarden voor een humaan bestaan in megasteden te creëren, kun je niet zonder. Stedebouwers kunnen met stevige interventies wel degelijk een verschil maken voor het samenleven van mensen. Of het nu gaat om de kabelbaan in Colombia of het terugbrengen van een waterloop door Brusselse probleemwijken. Maar de Cité laat zich niet ontwerpen. Wat wel kan is mogelijkheden creëren door openheid te betrachten. Sennett geeft vijf voorbeelden.

  1. De stad moet synchroniciteit aankunnen. Er moeten veel verschillende dingen tegelijk kunnen plaatsvinden. Daar valt aan te tekenen.
  2. De stad heeft behoefte aan identiteiten. Geen dwingende iconen maar markante plekken die de stedeling helpen zich te oriënteren en groeperen. Het is ondertussen de Heilige Graal van het stedelijk ontwerpen.
  3. De stad moet een spons zijn. Mensen kunnen opnemen en weer vrijgeven zonder vorm te verliezen. Hoe dan? Ontsluit binnenterreinen, gevels en plinten voor publieke functies. Bij de herontwikkeling van het Utrechtse binnenstedelijk gebied ‘Moreels Tuinen’ is dit al een belangrijk principe.
  4. De stad mag incompleet zijn. Leer van de Indiase marktkoopman Mister Sudhir, zegt Sennett. Hij volgt hij de flux van de stad, maar thuis bouwt hij gestaag aan het huis van zijn familie. Gasbetonblok voor gasbetonblok, vertrek voor vertrek.
  5. De stad mag vele steden zijn. Het gaat om het planten van vruchtbare zaden die op verschillende manieren zullen uitgroeien. Dat staat haaks op het uitrollen van bewezen concepten, maar ook daar ontkom je niet altijd aan, weet Sennett op basis van zijn ervaringen in China.Stuk voor stuk geen hemelbestormende nieuwe inzichten, maar verteld vanuit een enorme eruditie, sprekende voorbeelden ontleend aan eigen ervaring en een grote liefde voor de onafheid, morsigheid en veelzijdigheid van een stad (Ville) waarin wordt geleefd (Cité).

Richard Sennett, Building and Dwelling: Ethics for the City. Uitgeverij Allen Lane. De Nederlandse vertaling verschijnt in november bij Meulenhoff als ‘Stadsleven’.

Deze blog is geplaatst op Romagazine.nl

De Gated Family

‘In gelul kan je niet wonen’, sprak staatssecretaris Jan Schaefer ooit in de Tweede Kamer. Dat werd ‘onwelvoeglijk taalgebruik’ gevonden. Daarom kwam er ‘in geouwehoer kan je niet wonen’ in de Kamernotulen te staan. Als wethouder woningzaken en stadsvernieuwing was Schaefer eind jaren zeventig en begin jaren tachtig onder meer verantwoordelijk voor de bouw van een wijkje met Premie C-woningen in Amsterdam Zuidoost. Schaefer heeft er zijn eigen pad. Op het straatnaambordje staat keurig het oorspronkelijke: ‘in gelul kan je niet wonen’. Een kleine wijkgeschiedenis.

Premie C was een subsidieregeling om de spreekwoordelijke verpleegster en onderwijzer in staat te stellen een huis te kopen. In de hoofdstad moest de regeling (toen al) gewone Amsterdammers en hun gezinnen voor de stad behouden. De stad liep in die jaren leeg richting Almere, Purmerend en later Hoorn. Ik ben tweede generatie bewoner van het wijkje in Zuidoost. Van de eerste generatie weet ik dat het hier dertig jaar geleden een kale zandvlakte was.

Snelgroeiende struiken en bomen moesten de wijk zo vlug mogelijk minder onherbergzaam maken. Tien jaar later reikten de bomen tot de dakgoten, pergola’s gingen schuil onder wilde ranken. Schuttingen stonden hier niet. De buren verstopten zich in de krap bemeten tuintjes voor elkaar achter weelderige heesters en hagen; de ‘wilde tuin’ zonder duidelijke grens als vanzelfsprekend teken van beschaving. Met die paradox zou het snel gedaan zijn.

‘De ‘wilde tuin’ zonder duidelijke grens als vanzelfsprekend teken van beschaving’

Eerst leek het een onderbelicht aspect van het multiculturele drama. Ambitieuze allochtone tweeverdieners stroomden de buurt in, pleegden achterstallig onderhoud en schilderden de schuren. En passant vervingen ze het groen voor sierbestrating, plaatsten tuinschotten en stopten felgekleurde bloemen in potten. Maar even later zong de motorzaag ook in menig autochtone tuin. Het nieuwe stel van verderop had de statige berken omgehaald en zwartwerkers van een wegenbouwer beklinkerden de voor én achtertuin.

Ons hoofdschudden had toen nog niks met het klimaat en een ondoordringbare ondergrond te maken, we waren het gewoon anders gewend. Schuttingen heb ik zelf nooit hoeven plaatsen. Dat deden de nieuwe buren aan weerszijden. Vrijwel alle tuinen in de straat kregen met nieuwe bewoners op die manier schuttingen. Inmiddels lijkt zich alweer een volgend fase aan te dienen. Die van de Gated Family.

Progressieve planologen en stedebouwers maakten zich in de jaren tachtig en negentig zorgen over een nieuw fenomeen: de Gated Community. Met de opkomst van het neoliberalisme en kneiterkapitalistische stadsontwikkeling werd het publieke domein teruggedrongen en scheidden de haves zich af van de have notsdoor hun woonomgeving collectief af te grendelen van de gevaarlijke buitenwereld. De inclusieve stad moest als begrip nog uitgevonden worden, maar dat die onder druk stond (de premisse was dat ze bestaan had) was velen wel duidelijk.

‘Nu is de nucleaire variant van de Gated Community opgedoken’

In mijn wijk is nu voor het eerst de nucleaire variant van de Gated Community opgedoken. Een hoekwoning in de straat van rijtjeshuizen is van eigenaar gewisseld. De coniferenhaag werd gerooid en een manshoge schutting opgetrokken. Geen schutting die twee zijden van de woning aan het zicht onttrekt, maar drie. Ook het voortuintje is hermetisch afgesloten. Een paneel in de schutting doet dienst als deur. De brievenbus en de bel bevinden zich aan de buitenzijde van de omheining. Een gesloten huis.

De verleiding is natuurlijk groot om een verhandeling te houden over het proces van segregatie dat tot op het niveau van de individuele woning is doorgedrongen. Teloorgang van gemeenschappen, individualisering, net wat u zegt. Het zou alleen niet eerlijk zijn. Want kort na het voltooien van de schutting had kennelijk een housewarming plaats. Van verschillende kanten kwam visite vanuit naburige woningen aangelopen. De vrouwen droegen schalen met zelfgebakken traktaties, de mannen hielden de kinderen met hun stepjes en fietsjes op de stoep (ja, zo gaat dat hier).

Aan het geluid dat uit de tuin achter de omheining opsteeg, kon je afleiden dat wijlen Jan Schaefer zich op dit feestje best zou hebben vermaakt. Wij waren niet uitgenodigd. Misschien hebben we ons iets te ver achter onze heesters verstopt.

Bas van Horn

Deze bijdrage verscheen op 4 juli 2018 op Romagazine.nl

Wat wil de kantelkundige?

Het meinummer van ROmagazine kwam als een dik pak papier door de brievenbus. Naast het magazine bevatte het cellofaan een Waddenspecial en een essay over de Omgevingswet van prof. dr. Ir. Jan Rotmans, hoogleraar transitiekunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Allemaal interessant, maar ik was vooral benieuwd naar het verhaal van Rotmans. Wat is zijn kritiek en wat wil de kantelkundige nu precies?

Overal worstelen gemeenten en regioverbanden met de invoeringsoperatie van de Omgevingswet, constateert de G40 in het voorwoord. Iedereen is aan het ontwikkelen en er zijn experimenten, maar de grote uitdaging is om je collega’s en de samenleving ‘mee’ te krijgen in de grote verandering die met de wet wordt beoogd. De vraag is of we de Omgevingswet kunnen zien als een transitie, vergelijkbaar met de energietransitie en de transitie in het sociaal domein, en of we daarvan kunnen leren. De antwoorden van Rotmans moeten bijdragen aan handvatten die de G40 zoekende gemeenten wil aanreiken.

Ik zou er niet over gevallen zijn, ware het niet dat het motto van de Omgevingswet een van mijn meest concrete bijdragen aan de wet is geweest in drie jaar beleidsadviseurschap bij de programmadirectie Eenvoudig Beter: ‘Ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit.’ Ook in de flyer uit 2016 van het toenmalige ministerie van Infrastructuur en Milieu, die Rotmans bij zijn bronnen opneemt, staat het zo. Geen ‘waarborgen van kwaliteit’ dus. OK, het is muggenziften, maar toch.

De kloof tussen letter en geest

De noodzaak van de Omgevingswet en het instrumentarium neemt Rotmans adequaat over uit de publicaties van het ministerie. Bij de uitgangspunten van de wet geeft hij daarnaast al direct een van zijn belangrijkste punten van kritiek. Er gaapt wat hem betreft een kloof tussen de letter en de geest van de wet. Rotmans prijst de ruimte voor een integrale en participatieve benadering, maar hekelt het gebrek aan kaders voor de concrete invulling.

Rotmans ziet ook wel dat een scherpe inkadering ten koste zou gaan van het maatwerk dat nu juist recht moet doen aan de (groeiende) lokale en regionale verschillen, maar vreest toch dat de: ‘bewegingsruimte en -vrijheid wel heel groot (worden) hetgeen kan leiden tot grote verschillen tussen de theorie van de Omgevingswet en de uitvoering ervan in de praktijk.’

De strakke monitoring en verantwoordingsplicht zijn in zijn ogen dan weer in strijd met de ‘geest van vertrouwen’ die de wet wil ademen. Dat op die manier een grote mate van vrijheid gekoppeld wordt aan een grotendeels zelf vorm te geven resultaatverantwoording, is kennelijk niet aan hem besteed.

Een ware transitie, diep en onomkeerbaar

Als transitie-expert oordeelt Rotmans dat we bij de Omgevingswet te maken hebben met een ware transitie, diep en onomkeerbaar. Diep omdat het niet alleen meer (maatwerk) of minder (regels) van hetzelfde is, maar ook uitgaat van wezenlijk andere waarden (decentraal, vertrouwen) dan voorheen (centraal, wantrouwen).

Niet heel bemoedigend voegt hij daaraan toe dat transities vaak mislukken omdat ze niet te plannen en te organiseren zijn. Daarbij komt nog eens dat mensen van nature niet integraal denken, volgens Rotmans. Dat moeten ambtenaren en bestuurders (en burgers?) zich dus eigen maken. Dat de Omgevingswet niet voorschrijft hoe er geïntegreerd moet worden is daarbij voor Rotmans een voordeel en een nadeel. De vormvrijheid van de Omgevingswet geeft ruimte, maar brengt volgens hem het risico met zich mee dat de integratie van thema’s en afwegingen door de vele uitzonderingen en ‘ontsnappingsclausules’ straks ‘heel anders uitpakt dan beoogd’.

Gewoon of ongewoon doen

De transitie in het ruimtelijk domein is veel groter en complexer dan die in de sociale hoek, maar de eerste kan van de ervaringen van de tweede leren, stelt Rotmans. In het sociaal domein is veel geëxperimenteerd in bijvoorbeeld de jeugd en ouderenzorg, maar de resultaten zouden ‘een goed bewaard geheim’ zijn gebleven. Dat vinden ze bij de VNG en bijvoorbeeld het BZK-programma Gemeenten van de Toekomst vast niet leuk om te horen. Die sloven zich immers al jaren uit om ervaringen en ‘best practices’ op allerlei manieren te delen. Ook daar is al lang bedacht dat het goed is om in de ruimtelijke transitie van de sociale te laten leren.

Dat zal Rotmans vast niet ontkennen. Waar het naar zijn idee aan ontbreekt is systematisch zoeken, leren en experimenteren (Loorbach 2007; Rotmans 2014). Dat moet in het ruimtelijk domein dus beter. Met ‘radicale experimenten waarbij mensen echt anders gaan denken en werken’. Een deel van die experimenten mag mislukken, dat is juist goed. Als ze in een schaduwspoor van het primaire beleid zijn gedaan, kan het geen kwaad.

Veel meer komen we in dit essay over de aard van de radicale experimenten niet te weten. Het is in ieder geval geen kwestie van ‘gewoon doen’, zoals de bestuurskundigen Van der Steen en Van Buuren (2017) gesuggereerd zouden hebben. Het is juist een kwestie van ‘ongewoon doen’, meent Rotmans. En dat vergt tijd, ruimte, moed en leiderschap.

Vrijheid als ‘ontsnappingsroute’

Wat de transitieprofessor precies tegen het betoog van Van der Steen en Van Buuren voor het programma ‘Aan de slag met de Omgevingswet’ heeft, wordt niet duidelijk. Het leek mij juist een heel concreet verhaal dat het sturingsprincipe van de wet in een heldere context plaatst en in het hoofdstuk ‘Van A naar B volgens de regels van B’ precies aangeeft waar het vaak mis gaat met experimenten en wat daaraan te doen is.

Ik vermoed dat de bezwaren van Rotmans vooral gaan over de relaxte insteek van Van der Steen en Van Buuren. Experimenteren betekent niet precies weten welke kant het op zal gaan en wat de uitkomsten zullen zijn. Rotmans weet precies welke kant het op moet. Daarom is hij bang voor een kloof tussen de theorie en de praktijk van de wet, hekelt hij het gebrek aan concrete invulling van kaders en eisen.

Vrijheid is voor hem kennelijk een ‘ontsnappingsroute’ die weg leidt van het ‘juiste pad’. De beoogde integratie van ruimtelijk beleid en -regels loopt bij hem niet voor niets risico door de vele ‘uitzonderingen en ontsnappingsclausules’. Voor je het weet pakt het allemaal heel anders uit dan beoogd. Daarom vragen zijn experimenten heldere kaders, sturing, moed en leiderschap. Het essay van Rotmans maakt niet duidelijk wat hij precies onder werkelijk ‘radicale experimenten’ verstaat, maar laten we hopen dat we ervan verschoond blijven.

Bas van Horn

Deze column werd eerder geplaatst op ROmagazine.nl 29-5-2018

Favoriete booswichten van het gifgrootkapitaal

Het regent insecten op de voorruit als ik de Afsluitdijk oversteek. Toch even een gevoel van opluchting, want het gaat niet goed met de insecten, bijen en hommels. De bespikkelde voorruit die vroeger zo gewoon was in het voorjaar en de zomer, blijft tegenwoordig heel vaak schoon. Het zijn trouwens wel allemaal muggen. Eén voorruit zegt natuurlijk net zo weinig over verlies aan biodiversiteit als een extreem warme of koude dag iets zegt over het klimaat.

Oplossen of zwarte pieten?

Het lastige met dit soort dingen is dat natuurbeschermers er, net als ik (is dit Rachel Carson’s ‘Silent Spring’ vijftig jaar later?), een handje van hebben om een verschijnsel of soort symbool te maken van iets groters dat verloren dreigt te gaan. De wereld toen die nog in orde was. Met arme gronden, weelderige bermen, houtwallen en gewemel van beestjes waar je maar keek. De mug is dan niet het sterkste symbool, de bij is dat wel. De bij gaat vrij van bloem tot bloem en levert met zijn honing een extract van onze leefomgeving. Nou, dan weet je het wel als het niet goed gaat met de bij.

De neonicotinoïden, een verrassend werkzame groep insecticiden, schijnen slecht te zijn voor de bijen. Nogal wiedes, constateerde iemand in het vakblad De Boerderij, daar waren ze ook voor bedoeld. LNV-minister Schouten ging dit voorjaar akkoord met een verbod op deze middelen. Hoera, want het wetenschappelijk bewijs schijnt niet heel sterk, maar in de praktijk zien boeren en natuurmensen het insectenleven opbloeien als gestopt wordt met dit type middelen. Vraag is wel of we daarmee het probleem oplossen of vooral onze favoriete booswichten het grootkapitaal de zwarte piet hebben toebedeeld.

Veranderende leefomgeving en ziekten

Er is natuurlijk veel meer aan de hand. De landelijke omgeving is veranderd, productiever geworden maar ook minder divers. Verstedelijking en verstening zijn opgerukt. En er zijn allerlei bijenziekten. Een belangrijke veroorzaker is de Varroamijt. Een exoot die sinds 1983 ook in ons land voorkomt. Volgens de Wageningen Universiteit (WUR) vormen ze een ernstige bedreiging voor bijenvolken.

Wat de belangrijkste oorzaak van de bijenmalaise ook is, laten we het erop houden dat het allemaal een rol speelt. Dan is er dus ook niks op tegen om die Varroamijt zo effectief mogelijk te bestrijden.

Daar hebben de producenten van bestrijdingsmiddelen – zelf spreken ze liever van gewasbeschermingsmiddelen – iets op gevonden. De bijen die verleid worden zich in bijenkasten te vestigen (het zijn niet echt gedomesticeerde dieren, laat ik mij vertellen), krijgen een soort vlooienbandje dat de mijt bestrijdt. Het spul zit rond de ingangen van de kast en de bijen smeren het bij in- en uitvliegen zelf achter hun kopjes.

Een marketingtechnisch ‘dingetje’

Het goedje schijnt te werken, maar het feit dat juist onze favoriete boosdoeners een stukje van de oplossing leveren, wordt marketingtechnisch nog wel een dingetje. De bij, symbool van alles dat goed en schoon is, met een gifbandje om. Het zal velen als een gotspe in de oren klinken. Toch zijn die bijen in de kasten van de imker natuurlijk – hoewel niet echt tam – gewoon productiedieren. Net als bij leghennen de eieren worden weggehaald, gaat hier de imker er met het vloeibare goud vandoor. Het beest als symbool voor wat er mis is met de wereld, het lijkt aantrekkelijk maar het helpt de goede zaak uiteindelijk niet echt.

Bas van Horn

Eerder geplaatst op romagazine.nl 15 mei 2018